Bach bij het Concertgebouworkest onder De Vriend mist ware vervoering

Een kleine vijftig jaar geleden klonk het voor het laatst: Bachs Weih- nachtsoratorium door het Concertgebouworkest. Chef Willem Mengelberg dirigeerde regelmatig Bach met Kerst, in de jaren zestig waren het historisch geïnformeerde dirigenten als Charles de Wolff, Karl Richter en Anthon van der Horst die ‘Kerst-Bachs’ leidden – waarmee ze in zekere zin óók de halve eeuw zonder inluidden, vanuit het idee dat men Bach misschien beter aan specialisten overlaat (hoewel de passietraditie bleef).

Voor de 40ste Kerstmatinee werd met dat idee gebroken. Dirigent Jan Willem de Vriend leidde Eerste Kerstdag de eerste drie delen van het Weihnachtsoratorium, volgend jaar volgt de tweede helft, met een andere dirigent. Hét voordeel van het postauthentieke era: uitvoeringen in alle denkbare soorten mogen bestaan.

De Vriend opteerde voor energieke tempi en nogal luide klank, waarbij vooral het gebrek aan variatie in klankintensiteit emotionele betrokkenheid ontmoedigde. Cappella Amsterdam bewees zich 28 zangers sterk wel een imposant topensemble dat in de fluwelen samenklank en de dictie heel weinig te wensen overliet.

Interessant was ook de keuze voor het openingskoor met alternatieve tekst Tönet, ihr Pauken, later door Bach vervangen door het bekendere Jauchzet, frohlocket . Ook in de koralen, met fermates die vanuit het uitklinken van de zinnen leken te zijn gedacht, imponeerde het koor.

Maar verder? Retorisch vernuftiger uitvoeringen onder Herreweghe, Gardiner, Suzuki of Koopman hebben het oor verwend. En hoewel het orkest met geweldige solisten (Beynon, Ogrintchouk, Eschkenazy) topklasse bood, bracht de uitvoering te weinig echte vervoering. Naast de keurige alt Elisabeth Kulman en het helaas kleine aandeel van Judith van Wanroij stelden de mannelijke solisten teleur, met Fabio Trümpy als degelijke evangelist en Yorck Felix Speer als een vlakke bas.