Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk zeven van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk zeven van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Toen hij zaterdagmiddag om half drie thuiskwam, was de kachel uit. Op tafel lag een briefje met de tekst: ‘Lieve Frits. Ik weet niet waar vader is. Ik ben naar Annetje. Vanavond kom ik om een uur of elf weer thuis. Er is erwtensoep en een stukje vlees mag je ook nemen. Bak maar aardappelen op met de uien. Dag. Moeder.’

Luister hieronder het hele zevende hoofdstuk

‘Uitstekend,’ zei hij, ‘lieflijke rust.’ Hij bleef een paar minuten staan om naar de stilte in huis te luisteren. In de bewolking was een opening gebroken: bleek zonlicht viel nog juist over de huizen op de mat voor de kachel. ‘Deze middag is misschien erger dan andere,’ dacht hij. ‘Ik heb nog vier uren tot vanavond.’

Hij betrad de achterkamer en begon de laden van een hoge, antieke kast te doorzoeken. In de bovenste vond hij tussen boeken een blokje dennenhout vol grillige, kronkelende groeven. ‘Dat bracht Joop mee,’ dacht hij, ‘het is een beest, dat die gangetjes uitgegeten heeft.’ Hij bekeek het scherp, rook er aan, klopte er mee op zijn achterhoofd en legde het weer neer. Verder zoekend, vond hij een telraampje en zette een paar uiterst kleine, bruine kinderschoentjes naast elkaar op zijn hand.

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het zevende hoofdstuk op locatie in:

‘Het is koud,’ dacht hij, wierp de voorwerpen weer op hun plaats en schoof de la dicht. In de volgende vond hij oude brieven. Op een lichtgroene briefkaart herkende hij zijn eigen hand. ‘Lieve moeder,’ luidde de met potlood geschreven tekst, ‘ik ben goed aangekomen. Het is droog weer. We gaan vanmiddag met zijn allen naar het strand. Er is hier een man, die een eendenkooi houdt. Die heeft een hond, die rechtop kan zitten en dan een pijp in zijn bek heeft en een pet op. Erg grappig. Als je op het middelste duin staat, kan je voor en achter je de zee zien. We hebben al stro gehaald voor onder het tentzeil. Ik weet niet meer, wat ik verder moet schrijven. Dag! Frits.’

Er boven stond de datum: vijftien Juli, zonder jaartal. ‘Oostvlieland,’ las hij op het poststempel. ‘Dat was in negentien zes en dertig,’ dacht hij, begon de kaart te verfrommelen, bedacht zich echter en schoof hem weer tussen de brieven. Hij opende een opgerold papier, waaromheen een roodlintje zat. ‘Verlanglijst van Frits, voor Sinterklaas,’ zag hij in grote, onbeholpen blokletters staan. Daaronder volgde een opsomming: ‘een proppenschieter’; ‘een ding om in de lucht te laten brommen, dat omhoog gaat’; ‘een echte zaag (geen kinderzaag)’; ‘allerlei lekkers’ en ‘een boek als dat van Frans, over de zwarte beren.’

‘Om in de lucht te laten brommen,’ dacht hij. ‘Ja, dat weet ik.’ ‘Een bepaald speelgoed,’ zei hij bij zichzelf, ‘een vierbladig blikken propellertje, dat men door bewegingen van twee vingers en de duim, van een spil kan laten opstijgen. Goed beschreven.’

Hij rolde het blad weer op tot een dun stokje, hield beide handen gereed om het te knikken, maar legde het, na het dichtknopen van het bandje, weer terug en duwde de la met een slag dicht. Toen hij de voorkamer inliep, was het zonlicht op de grond verdwenen. Hij maakte de kachel aan zonder papier te gebruiken, door het aanmaakhout met petroleum te begieten en betastte telkens de mantel om de stijging van de temperatuur te volgen. Vervolgens draaide hij een sigaret en ging schrijlings op een stoel zitten, met de rugleuning tussen de knieën.

‘Het was nacht,’ zei hij, ‘stikdonkere nacht.’ ‘Ik kan natuurlijk de radio aanzetten,’ dacht hij, ‘maar of ik er verstandig aan doe, is de vraag.’ Hij schakelde het toestel in.

‘U hoort de tweede romance van Schumann,’ zei de omroepster. Frits wachtte en liet de rook van de sigaret langs zijn nagels strijken. ‘Hoort, hoort,’ dacht hij, toen de muziek begonnen was. Hij legde de sigaret op de zakpijp, hield de toppen van duim en ringvinger op de ooghoeken en haalde voorzichtig, met wijd geopende mond, adem. ‘Zo is het,’ fluisterde hij.

Toen het stuk uit was, zette hij de radio af. Na tien minuten stil te hebben gezeten, stond hij op. ‘Als ik vanavond niet slaperig wil zijn,’ dacht hij, ‘moet ik nu een beetje gaan dutten.’ Hij ging in zijn slaapkamer op bed liggen, trok, half overeind komend, zijn jasje uit en luisterde naar het kloppen van het bloed in zijn hoofd. ‘Ik moet opstaan,’ dacht hij, ‘een deken uit de kast halen. Maar ik kom er niet toe om me op te richten. Daartoe mis ik de kracht.’ Van buiten drongen de stemmen van spelende kinderen tot hem door. ‘Toen ik zeven was,’ dacht hij, ‘knipte ik met een gewone schaar gras af in het plantsoen en ik bewaarde het in een papieren puntzakje. Ik lig hier als een zieke.’ Geleidelijk zakte hij in een sluimering.

Hij hoorde een schoolklas het lied ‘Daar komt Jaap de groenteboer aan, met zijn ezelwagen’ zingen. Daarna liep hij buiten over verwaarloosd terrein, waar kinderen forten hadden gebouwd en kuilen gegraven. Het was zonnig, warm weer.

Hij kwam aan een vaart, waarin een zandschuit lag. Werklieden koppelden deze achter een sleepboot. Hij stond aan de oever en zag, dat in het zand, dat het ruim tot de rand vulde, een graf was aangelegd, als een verhoogd tuinbed voor bitterkers of radijs. Er stond een kruis van grof niet geheel ontschorst hout op, zonder enige vermelding.

Langzaam zette de sleepboot, die onder stoom lag, zich in beweging en de schuit schoof weg. Hij begon te roepen, maar niemand hoorde hem. Steeds verder gleed het schip met het grafkruis weg. Hij begon te huilen.

Toen hij om half zes wakker werd, was het kussen vochtig van tranen. Hij stond op, ging de keuken in en maakte zich eten gereed.

Met een vork at hij de koude, gestolde erwtensoep uit de pan, wachtte tot de uien in de koekepan heet waren geworden, spreidde een paar lepels ervan op vier boterhammen uit en at blazend. Van een halve fles melk maakte hij met een pakje puddingpoeder een vla, maar voegde te veel suiker toe, zodat de smaak hem de mond samentrok. ‘Ik heb het vlees vergeten,’ dacht hij en keek in de pan. ‘De vetlaag stuk breken is me te omslachtig,’ zei hij bij zichzelf, ‘en voor smelten heb ik geen geduld. Daar kan ik niet op staan wachten.’

Toen hij het gas had uitgedraaid, kwam zijn vader thuis. Frits hoorde hem zijn jas ophangen, diep ademhalen, de huiskamer inlopen en daarna terug door de gang op de keuken afkomen.

‘Is moeder thuis?’ vroeg hij, op de drempel staand. ‘Ze is naar Haarlem, geloof ik,’ zei Frits. ‘Is er iets te eten?’ ‘We zullen de tafel klaarmaken,’ antwoordde Frits. Hij dekte in de huiskamer de helft van de tafel, diende alles wat over was, in schaaltjes op en verhitte de jus.

‘Neem jij eerst maar,’ zei zijn vader, toen ze waren gaan zitten. Frits nam een klein beetje van de uien en opgebakken aardappelen. Zijn vader schepte zich al het overige op, begon te eten, zag echter opeens Frits’ portie en bracht van zijn eigen bord met mes en vork de helft op dat van Frits over. Deze zweeg. Toen ze klaar waren, bleven ze zonder iets te zeggen zitten. Ze hadden niets van het vlees genomen. ‘Weg, weg,’ dacht Frits.

‘Ik heb nogal haast,’ zei hij, ‘ik moet weg. Wil jij de pannen en borden in het water zetten? Anders gaat het zo vast zitten.’

Hij ging zijn donkerblauwe pak aantrekken en verfriste zijn gezicht met koud water. Toen hij voorzichtig om de deur de huiskamer binnen keek, zag hij zijn vader voorover gebogen zitten met een hand onder het hoofd. Hij liep de gang uit, schoot zijn jas aan en riep, met de knop van de trapdeur in de hand: ‘Ik ga hoor! Tot vanavond.’ Uit de kamer hoorde hij een onverstaanbaar antwoord. Hij daalde snel de trap af en liep op een drafje de hoek om.

Binnen het kwartier bereikte hij de woning van Jaap Elderer. Deze zat nog aan tafel. ‘Moet je wat pudding?’ vroeg Joosje. ‘Een lekker stukje pudding, Fritsje,’ zei Jaap. ‘Nee, dank je,’ zei Frits, ‘ik heb net gegeten. Ben ik misschien een beetje vroeg? Ik vind het hier nogal koud.’

‘We laten de kachel uitgaan,’ zei Jaap. ‘Dat is een maatregel van zuinigheid. Maar dan moet die deur dicht.’ Hij stond op en trapte de gangdeur, die aanstond, met kracht dicht. ‘Kind,’ zei hij tegen Joosje, ‘hetzij dat je met dit, hetzij dat je met dat binnenkomt, zet het even neer en doe de deur dicht. Tocht is wind in huis.’ ‘Tocht is wind in huis,’ herhaalde hij, zich tot Frits wendend, ‘is dat zo of niet?’

‘Ja,’ antwoordde deze, ‘tocht is wind in huis. Je hebt gelijk. Maar de definitie is niet omkeerbaar. Dat is een kwaad teken. Ik bedoel: wind in huis is nog geen tocht.’

‘Dat geloof ik niet,’ zei Jaap, het lege bord van zich af schuivend, ‘je stelt de zaak weer te scherp. Wat zou wind in huis anders kunnen zijn dan tocht?’ ‘Stel je voor,’ zei Frits, ‘dat een kamer goed gesloten deuren en ramen heeft. Maar er staat een luchtrooster open.

Daar komt af en toe een windstoot door naar binnen, die papier van de tafel laat fladderen. Windvlagen. Maar tocht is het niet. Of bij een open raam. De wind speelt naar binnen, maar het is geen tocht. En toch wel degelijk wind in huis.’ ‘Je hebt gelijk,’ zei Jaap, ‘in orde. Weet je wat tocht is? Tocht is wind door het huis heen. Neem een sigaret.’ ‘Dat is beter,’ zei Frits. ‘Hoe laat vertrekken we?’ ‘Over een half uur,’ antwoordde Jaap.

‘Is het glad buiten?’ vroeg Joosje. ‘Glad?’ zei Frits, ‘waarom zou het glad zijn? Dan moet het eerst regenen en daar is geen sprake van.’ ‘Eerst regenen, en dan vorst,’ zei Jaap, ‘dan wordt het goed glad. Zand en fijne as strooien. Wij rekenen op uw aller medewerking.’ Hij begon hikkend te lachen en hield zijn hoofd scheef. ‘De mensen moeten elkaar helpen, vindt u niet, meneer?’ vroeg hij, zich in de handen wrijvend. ‘Ik heb een kennis, die is esperantist.’

Er werd gebeld; even later kwam Viktor boven. Hij had een ijsmuts op. ‘Welkom, baron,’ zei Frits. Ze vertrokken. ‘Laten jullie Hansje alleen?’ vroeg Frits, toen ze de trap afdaalden. ‘Wel ja,’ zei Jaap. ‘Voor een kind is het beste: zo veel mogelijk liefde en zo weinig mogelijk zorg.’ ‘En als er brand komt?’ vroeg Frits. ‘Dat is overmacht,’ zei Jaap. ‘Het stikt wel, voordat het vuur zo ver is. Dat heeft allemaal niet veel te betekenen. Er wordt veel te veel drukte van gemaakt. Als het maar goed in de rook zit. Van die groene, dikke rook.’

‘De vier gezworenen,’ zei Frits, toen ze buiten liepen, ‘moeten we eigenlijk geen plannen maken om weer naar Kastrikum te gaan van de zomer? Maar niet weer in een huis: we moeten kamperen.’

‘Dan verrek je van de kou,’ zei Viktor. ‘Kamperen, dat is verrukkelijk,’ zei Frits, ‘ik heb vaak gekampeerd. Jaap, vind jij dat ook niet?’

‘Het is wel aardig,’ zei Jaap, ‘maar stel je er niet te veel van voor.’

Ze liepen de rivier langs naar de binnenstad, passeerden enige drukke kruispunten en kwamen op een groot plein, waar ze naast een café een stoep opklommen. Jaap drukte twee maal op een witte schelknop. De brede, glazen deur ging open. ‘Zijn we de eersten?’ riep hij naar boven. ‘Nee, de eersten niet,’ riep een kleine, dikke man boven aan een trap. Tegen het licht waren alleen zijn omtrekken te onderscheiden.

‘Hier,’ zei Frits, terwijl ze naar boven gingen, tegen Jaap, ‘ik heb twaalf gulden bij me. Ik geef geen cent meer uit. Jij houdt de kas wel, niet?’ Jaap vouwde het papiergeld samen en stak het bij zich.

Ze kwamen in een kaal, breed portaal, waar ze in een boek op een tafeltje hun naam schreven. ‘Wie is die meneer?’ vroeg de man, die had opengedaan, op Frits wijzend. ‘Dat is meneer Van Egters,’ zei Jaap, ‘hij is mijn introducé.’

Vervolgens traden ze binnen in een wijde ruimte, waarvan het grootste deel in beslag werd genomen door een dansvloer. De kale, witte muren waren beschilderd met grillige voorstellingen. Er was niemand; in de hoek bevond zich een garderobe, waar op een toonbank, onder glas, broodjes te koop lagen. Een meisje nam hun jassen in ontvangst. Ze keerden terug in de hal en gingen links af een barruimte binnen. Er zaten drie mannen om een tafeltje. In de hoek zat een grijsharige dame te schrijven.

Ze groetten en zochten een tafel. ‘Dag Arnold,’ zei Jaap. ‘Meneer Elde,’ antwoordde de man voor de tapkast, die een fles tegen het licht hield. Hij had een dik, glimmend gezicht en gegolfd, grijs haar. Jaap bestelde vier sherry.

‘En toch zit er een systeem achter,’ zei een van de drie mannen, die zijn bril laag op de neus droeg. Hij wreef zich op het kale hoofd. ‘Ze zitten daar met hele vellen en lijsten van cijfers. Hele dagen rekenen ze. En het komt uit, dat is het gekke.’ De twee anderen lachten. Frits luisterde aandachtig. ‘Nee, zonder flauwe kul,’ ging de spreker voort. ‘Als zes keer achter elkaar rood uitgekomen is, wordt de kans dat het de volgende maal zwart is, een stuk groter. Je moet begrijpen: ze zitten een hele morgen te noteren. Niet te spelen, alleen maar noteren. Dat is een hele beheersing, om niet te gaan spelen. Dan zien ze – ik noem maar even wat – dan zien ze, dat nummer achttien haast niet is uitgekomen. Daar spelen ze dan smiddags op. En ze winnen.’

‘Dat is onzin,’ zei een van de beide anderen, een man met dun, gekruld haar. ‘Als zwart tien keer achter elkaar is geweest, dan is er net zo veel kans gebleven, dat het de volgende keer weer zwart is. Die schijf, die weet toch niet, wat hij aldoor gedraaid heeft?’

‘Verrek,’ zei de eerste weer, ‘dat dacht ik ook. Maar je moet erbij zitten en kijken. Ze zitten maar te rekenen. Je wordt er beroerd van.’ De dame hield op met schrijven, zette haar bril af en keek naar de spreker.

‘Die vrouw,’ fluisterde Jaap zacht tegen Frits, ‘die verdient de kost alleen met spelen.’ ‘Dat is een prestatie,’ zei Frits.

‘Ik was in Monaco,’ zei de derde van de drie. Hij had een pafferig gezicht met kleine ogen; zijn dikke, groene overjas had hij aangehouden. ‘Daar was een kerel, die op het cijfer van zijn garderobebriefje speelde, meteen als hij binnenkwam. Een tijdje achterelkaar, maar alleen op dat nummer.’ ‘En?’ vroeg de dame. ‘Hij won.’

‘Jezus,’ zei de man bij de tapkast, die over het buffet leunend, had geluisterd, ‘ik wist wel wat ik deed. Ik gaf aldoor mijn jas af, elke keer een kaartje, en elke keer winnen. En iedere tiende keer even een eindje omlopen om het op de bank te gaan zetten.’ Allen lachten.

‘Mag iedereen daar eigenlijk binnen?’ vroeg de man met het dunne krulhaar. ‘Ja, als je er een beetje fatsoenlijk uitziet,’ antwoordde de man in de groene jas. ‘Het zou voor jou moeilijk zijn geweest, maar ik had je als bezoeker kunnen voordragen.’ Hij zweeg even en ging door: ‘Ik had eens mijn slipover andersom aan, je weet wel, zonder das. Maar dat ging niet hoor, ik had meteen een kerel bij me. Toen ben ik hem op de plee gaan uittrekken en heb ik hem gewoon aan gedaan. Maar een das had ik natuurlijk niet. Maar daar zeiden ze niets van, dat gaf niets. Het stond natuurlijk veel idioter dan omgekeerd, maar het gaf niks.’

‘Drie borrels en een sherry,’ riep Jaap. Toen de bestelling gebracht was, liet hij Frits en Viktor hun glazen heffen en zei: ‘ad fundum.’ Jaap en Frits leegden hun glaasjes in één teug, maar Viktor schoot in de hoest. Joosje dronk zwijgend haar sherry met kleine slokjes uit. ‘Je zegt niet veel,’ zei Frits. Hij keek het lokaal rond. De man van de tapkast vulde een grote potkachel bij. ‘Eigenlijk,’ zei Frits tegen Jaap, ‘is het hier wel erg kaal. Ze hadden toch makkelijk behang op de muur kunnen plakken.’ ‘Dat verkleurt gauw van de rook,’ zei Viktor. ‘Nou, ook erg,’ zei Frits, ‘dan plak je het weer over.’ Jaap presenteerde sigaretten. ‘Mijn vader,’ zei hij, ‘heeft veertien jaar in een kamer met twee soorten behang gewoond.’ ‘Wat?’ vroeg Viktor. ‘Ja,’ zei Jaap; ‘zijn vader, mijn grootvader dus, die zei: we zullen eens een beetje aardiger behang op de muur doen. Hij wou het zelf doen, voor de goedkoopte. Papier gekocht, stijfsel gemaakt, en op een Zondagmiddag begon hij er mee. Maar toen hij de helft van de kamer had gedaan, werd hij zo geweldig moe, dat hij alles maar weer opborg. Andere week verder, zei hij. Maar het is nooit verder gekomen.Tot ze verhuisden, is het blijven zitten. Veertien jaar lang.’ ‘Zullen we nog een borreltje nemen?’ vroeg hij. ‘Ik niet,’ zei Viktor. Frits en Jaap stonden op en dronken aan het buffet een borrel, die ze in een enkele beweging in de keel goten. Daarna keerden ze naar hun stoelen terug. Er klonken stemmen in het portaal. Even daarna kwam een brede man met een grote haarbos binnen, vergezeld van een magere dame in een groene, fluwelen jurk. ‘Kijk kijk, Dirk,’ riep Jaap, ‘kom hierheen.’ De twee bezoekers kwamen aan het tafeltje zitten. ‘Stil is het hier,’ zei de man. ‘Als ik dat had geweten, was ik een uurtje later gekomen. Ik moet wat te drinken hebben.’ ‘Twee koffie!’ riep hij en begon giechelend te lachen. ‘Schei nou eens uit,’ zei de vrouw, ‘ik vind er niets aan.’ ‘Marie,’ zei hij, ‘zit me niet dwars.’ De koffie werd neergezet. ‘Ik hoorde daarnet,’ zei hij, een sigaret opstekend, ‘van een vent, die ter dood veroordeeld is. Hij zal worden onthoofd, hij moet zijn kop op het blok leggen. Hij gaat voorover liggen’ – hij deed het voor door zijn hoofd op tafel neer te vlijen, tussen zijn handen – ‘en weet je wat die beul zegt? Weg met je poten: het kost je je vingers!’ Hij sloeg enkele malen op tafel. ‘Ja zeker meneer,’ riep de man bij de tapkast. ‘O,’ zei hij, ‘ze zijn hier wel wat vlug.’ ‘Nee, nog even wachten,’ riep hij.

Ze hoorden gestommel op de trap. Kort achter elkaar kwamen een dozijn bezoekers binnen. In de danszaal hoorden ze de muziek van een pick-up inzetten.

‘Hoe laat is het?’ vroeg Viktor. ‘Ik heb het bij half negen,’ zei Frits. De binnengekomenen zochten tafeltjes uit. ‘Marie, daar heb je Uil,’ zei de brede man en liep het portaal in. De vrouw volgde hem.

‘We nemen er nog eentje,’ zei Jaap. Hij dronk snel met Frits aan het buffet een borrel. ‘En een voor Viktor,’ zei hij; voorzichtig zette hij een derde glaasje op het tafeltje. Viktor dronk met een vertrokken gezicht. ‘Niet de boel verpesten, hoor,’ zei Frits. ‘Zoon kwaad smoel kunnen we hier niet hebben. Denk erom, anders mag je niet met ons mee kamperen.’ ‘Frits is niet laat met zijn plannen,’ zei Viktor; ‘kunnen we van de zomer niet naar het buitenland?’ ‘Ik ben nooit over de grens geweest,’ antwoordde Frits, ‘behalve toen ik een jaar of zeven was, over de Duitse grens, om bramen te plukken.’

‘Je kent toch die twee neven van mij, Dolf en Ab?’ vroeg Jaap. ‘Die je wel rondreed in een bakfiets?’ zei Frits. ‘Die ene heeft toen die rotzooi bij ons in de klas naar binnen gegooid, zijn zij dat?’

‘Ja, juist,’ zei Jaap. ‘Die gingen ook elk jaar kamperen; trekken heette dat. Ze waren op kantoor. Ze woonden in Haarlem. Ze wonen er nog, trouwens. Zaterdagmiddag gingen ze weg, dan kwamen ze tegen etenstijd bij ons. Dan was het altijd: vooruit, blijf eten. Goed, ze bleven eten. Dan was het avond: nou, we zullen maar niet meer weggaan. Goed, ze bleven slapen. Zondagmorgen pakten ze alles weer in, wat ze uitgepakt hadden: bananen, eieren, primus, weet ik veel. Dan was alles klaar, maar er was altijd een band lek. Dan droegen ze de fiets weer naar boven en gingen hem op de veranda plakken. Mijn moeder, die liet ze maar knoeien. Tegen twaalf uur waren ze klaar: vooruit, blijven jullie nog even brood eten. De bananen, brood, eieren en de primus – die zat natuurlijk bovenin – weer uitpakken. En tegen half twee, dan reden ze eindelijk weg. Eerst gingen ze dan naar Blaricum. Daar woonde een grootmoeder, een heel lief mens. Ze kwamen er tegen het eind van de middag – want ze hadden onderweg gerust – en ze bleven er eten. Weet je wat, zeiden ze dan, het is te laat om nog verder te gaan. Opoe, zeiden ze dan, we zullen ginds de tent opzetten. Achter het huis was een beetje bos, moet je weten. Die grootmoeder – ze is al een paar jaar dood – die vond dat natuurlijk verschrikkelijk: in een tent. Die zei: nee, ga toch niet in zoon ding, je krijgt de kou te pakken. Ze ging bedden op de grond maken en ze bleven in huis slapen. Smorgens stonden ze niet te vroeg op. Dan gingen ze beraadslagen. Met grote kaarten. Ze zouden hierheen, ze zouden daarheen. Een heel reisplan. Naar de Ardennen.’ ‘Naar de Ardennen,’ herhaalde hij kuchend. ‘Maar ze hadden natuurlijk alles uitgepakt, de tent ook. En grootmoeder zei: ik geloof, dat we ander weer krijgen. Dus die dag bleven ze nog wat op de kaart kijken en naar de lucht zien: we zullen eens afwachten. De volgende morgen regende het. Een fijne motregen, maar ze konden niet weg. Ze zaten daar binnen. Hun grootmoeder vond het allang leuk, dat de kleinkinderen er waren, die zorgde voor ze en ze zaten de hele dag maar een beetje te praten. Als het slecht weer was, konden ze niet weg en als het goed weer was ook niet, want het kon slecht worden.’

Hij wachtte even en stak een sigaret op. ‘Ga je gang,’ zei hij, het pakje op tafel leggend. ‘En dan?’ vroeg Frits. ‘Nou,’ ging Jaap voort, ‘die zes dagen – ze hadden zes dagen vakantie – die waren gauw genoeg om. Het ging elk jaar op dezelfde manier. Maar je moet niet denken, dat die jongens zich verveelden of dat ze een nare vakantie hadden. Helemaal niet. Vooruit, we gaan nog een verversing halen.’ ‘Vier borrels,’ zei hij aan het buffet. ‘Allebei ad fundum,’ zei hij tot Frits. Ze leegden elk onmiddellijk achter elkaar hun twee glaasjes. ‘Ik geloof niet, dat Viktor de goede stemming heeft,’ zei Frits, ‘en Joosje is wat stil.’ ‘Joosje,’ zei Jaap, ‘die kijkt het allemaal maar aan. Die heeft meer in de gaten dan jij denkt. Viktor, dat is een ernstige jongen. Erg ernstig. Maar ik mag hem graag.’

‘Ik moet pissen,’ zei Frits. ‘Dan samen,’ antwoordde Jaap. Ze gingen door het portaal en de danszaal naar de waterplaats. ‘Het bezoek begint al te komen,’ zei Frits, toen ze naar hun tafel terug liepen. Voor de garderobe stonden tientallen bezoekers. In de zaal werd al gedanst. ‘Het smaakt rot,’ zei hij, ‘maar als je het binnen hebt, is het verrekt lekker.’

‘Wel Viktor,’ vroeg hij, toen ze weer op hun plaatsen zaten, ‘heb je een ernstige stemming? Meneer Jaap zegt mij, dat je een ernstig type bent.’ ‘Ik amuseer me heel goed,’ antwoordde Viktor.

‘Je drinkt toch nog een borreltje mee, niet?’ vroeg Jaap. Viktor volgde hen beiden naar het buffet. Ze moesten door de drukte even wachten.

‘Jij studeert,’ zei Frits, toen ze weer waren gaan zitten, ‘maar wat is wetenschap? Het is volstrekt niets.’ Viktor glimlachte. ‘Denk je eens in,’ zei Frits, – ‘u neemt me niet kwalijk, dame, dat ik tot een onderwerp kom, dat u misschien weinig belang inboezemt?’ vroeg hij Joosje – ‘denk je eens in, dat ze met al hun wetenschap nog niet eens een doodgewone zandkorrel kunnen maken.’ Hij maakte het gebaar, of hij zand tussen de vingertoppen wreef. ‘Dat kunnen ze niet.’

‘Precies meneer,’ zei Jaap. ‘Deze tafel is bruin. Maar zie jij die ook bruin? Jij noemt de kleur, die ik bruin noem, ook bruin. Maar het is best mogelijk, dat jij bruin ziet, zoals ik blauw zie. Kom er maar eens achter.’ Hij begon te lachen, maakte spuuggeluiden in zijn handen en stompte Viktor op de borst. ‘Nietwaar?’ vroeg hij. ‘Ken je die van die man, die alleen met vakantie was?’

Het begon om hen heen voller te worden. ‘Die had het met een meisje aangelegd in het hotel, waar hij logeerde. Hij gaat savonds met haar naar bed. Er wordt geklopt. Een telegram wordt onder de deur door geschoven. Hij leest het: vrouw ernstig ziek, overkomst dringend gewenst. Hij vouwt het weer dicht, doet het telegramzegel weer met spuug netjes er op en legt het boven zijn bed op de plank. Hij stapt in bed en zegt: wat zal ik me morgen een ongeluk schrikken!’ Viktor schoot in een luide lach. Frits en Joosje glimlachten.

‘Er is een hoop ellende,’ zei Frits, ‘zoveel is zeker.’

‘Een borreltje, nietwaar?’ vroeg Jaap. Hij haalde voor Viktor en Joosje elk een sherry en ging toen met Frits terug naar het buffet. Ze dronken hun glaasjes uit en gingen samen naar de waterplaats. Toen ze, gearmd, terug kwamen, zei Joosje: ‘Jullie moeten niet meer zo ver weg lopen, want ik kan de stoelen haast niet meer vrij houden. Aldoor opnieuw vragen ze.’

Frits ging voorover op de tafel leunen, keek Viktor aan en vroeg: ‘Vergeet jij veel?’ ‘Dat ligt er aan, Frits,’ antwoordde deze. ‘We moeten praten,’ ging Frits door, ‘ik moet praten. Laten we ergens over spreken.’ ‘Daar is niets tegen,’ zei Viktor. ‘Ze mogen van je zeggen, wat ze willen,’ vervolgde Frits, ‘maar je bent een fatsoenlijk mens.’ ‘Niet overdrijven,’ zei Viktor.

Jaap had een arm om Joosje geslagen. Ze praatten zacht. ‘Overdrijven of niet overdrijven,’ zei Frits, ‘de waarheid moet gezegd. Weet je, Viktor, kun jij dingen vergeten? Weet jij nog dat gekke van mij, dat heel gekke van toen? Dat weet je toch nog wel, of niet?’ ‘Ja,’ zei Viktor, ‘ik weet het nog.’ ‘Goed,’ zei Frits, ‘maar je bent het toch helemaal vergeten. Je bent het vergeten, niet? Je weet het niet meer. Al zou je willen, dan zou je je het niet meer kunnen herinneren.’ ‘Zo is het,’ zei Viktor.

‘Goed,’ ging Frits verder, terwijl hij op de tafel keek. ‘Houd ik je op?’ ‘Allerminst,’ zei Viktor. ‘Misschien heb ik het je al eens verteld,’ zei Frits, de vingertoppen tegen elkaar zettend. ‘In Maart vijf en veertig, of in Februari. Ik denk, dat het in Februari was. Toen hadden we thuis één keer in de week een oude man te eten. Elke Zaterdag, geloof ik. Hij was een paar keer geweest. En toen bleef hij weg. Woensdag hoorden we, dat hij dood was. Er was een kennis bij hem gekomen. Hij had opengedaan en ze waren binnen op zijn kamer. Toen kreeg hij pijn in zijn borst en ineens was hij dood.’ ‘Ja, dat heb ik gehoord,’ zei Viktor. ‘Mevrouw Schaapskooi,’ ging Frits door, ‘die vroeg mijn moeder of ze niet een alleenwonende dame te eten wou nemen. Ja, dat was goed. Drie maal in de week. Nou, het was een heel mager mensje. Ze had een wandelstokje bij zich. We aten tarwe. Een paar dagen weken en dan goed koken, dat smaakt heel goed. Ze at er flink van en toen moest ze op de divan liggen. Ze zei: ik heb het een beetje benauwd. Toen ging ze weg. Thuis is ze op de trap flauw gevallen. Ze kreeg meteen koorts. De buren hebben nog met een theelepeltje water in haar mond geschept. Tussen de tanden. Smorgens was ze helemaal bewusteloos en een paar uur later dood. Ze vonden kasten vol linnengoed, dat nog nooit gebruikt was. En geld, en effecten.’

‘Zo,’ zei Jaap, die was gaan meeluisteren. ‘Dat waren die eters bij jullie, niet?’

‘Toen vroegen ze ons om een jongen van zestien jaar te eten te nemen. Ja, zegt mijn moeder, maar dan elke dag. Het was een donkere, lange jongen. Heel mager. Hij dorst niets te zeggen. Hij zit de eerste dag aan tafel. Mijn vader zegt: Wim – hij heette Wim – we hebben voor jou twee mensen te eten gehad, een oude man en een oude dame. Ja meneer, zegt die jongen. Die zijn allebei dood gegaan, zegt mijn vader, en nou was de bedoeling, dat jij niet doodging. Die jongen kreeg helemaal een rood hoofd en zei: ja, ja, nee. Hij wist niet hoe hij zich houden moest. Na het eten bleef hij bij het raam zitten. Mijn moeder vroeg me in de keuken: waarom blijft die jongen daar zo zitten? Ik zei: die jongen is goed opgevoed. Die heeft geleerd, dat je, als je bij iemand eet, niet meteen na het eten mag weglopen. Toen zei ze tegen hem: Wim, je mag best weggaan, hoor. Dag mevrouw, dag meneer, zegt hij, en hij was weg. De volgende dag kwam een jongere broer van hem. Die zei: Wim is ziek. Dat is nummer drie, zei mijn vader. Die broer bleef eten: zo hoefden ze geen maaltijd verloren te laten gaan. Maar de volgende dag was Wim weer beter. Hij heeft toen tot het eind bij ons gegeten. Toen de pakketten uit de lucht kwamen, kregen ze een extra pakket, omdat ze een gezin van zeven personen waren. Later, in de zomer, bracht Wim ons sla uit hun tuin, want ze hadden een volkstuin. En toen mijn broer zijn kachel gebarsten was, heeft Wims vader – die is smid – er een band omheen gelegd. Heel dik, heel sterk. Voor niets, hij wou er niets voor hebben. Belangeloze medewerking. Verveel ik je?’

‘Nee,’ zei Viktor, ‘beslist niet. Ga verder. Ik luister.’

‘Zie je,’ zei Frits, ‘als het aan mij had gelegen, zouden ze niet bij ons gegeten hebben. Ik zei altijd tegen mijn moeder: je bent gek. Straks is er niks meer. Je moet het niet doen. Zo was ik. Zo ben ik. Is dat niet verachtelijk?’ Viktor tuitte de lippen en schudde langzaam het hoofd. Jaap was opgestaan en stond enige passen van het tafeltje met een lange, magere man te praten.

‘Toen het afgelopen was,’ ging Frits voort, ‘hadden we nog tientallen ponden tarwe, kiloos bonen en erwten. Maar het is de angst. Dat is het ergste.’

‘Je bent niet bepaald opgewekt vanavond,’ zei Viktor. Frits keek op zijn horloge. ‘De juiste tijd is half tien,’ zei hij. ‘Er volgt een korte pauze van een halve minuut, waarna ons programma wordt voortgezet.’

Jaap kwam terug. ‘We nemen nog een borreltje,’ zei hij. ‘En dan pissen,’ zei Frits. Ze dronken, gingen wateren en bleven even in de danszaal staan. Ook hier waren alle tafeltjes bezet. De pick-up speelde een foxtrot. Op de dansvloer stonden veel bezoekers te praten, zodat de dansenden moeite hadden, zonder botsen hun weg te vinden.

‘Weet je wel,’ zei Frits, toen ze verder liepen, ‘dat alles helemaal anders kan zijn?’ ‘Daar heb ik nog geen studie van gemaakt,’ zei Jaap. Ze stonden neuriënd voor de porseleinen waterbakken. Toen ze terug kwamen en op hun stoelen waren gaan zitten, zei Frits: ‘In China is bij het zagen niet het duwen de hoofdbeweging, zoals bij ons, maar het trekken. En schroeven draaien ze naar links in.’

‘Er zijn veel vreemde dingen, hoor,’ zei Jaap. ‘Kom hier zitten,’ riep hij naar de lange man, met wie hij even tevoren had staan praten. Deze zocht een stoel, nam er een, die een ogenblik onbeheerd was, van een naburig tafeltje weg en kwam bij hen zitten.

‘Herbert Witlijn,’ zei Jaap. ‘Laten we maar geen handjes schudden. Vertel eens, hoe gaat het?’ De man, die enkele jaren boven de dertig leek, droeg een bruin, geruiten pak met een grijs overhemd. Zijn gezicht was geel, met donkere ogen, die in de hoeken de indruk gaven door vocht of vermoeienis ontstoken te zijn. Het zwarte haar was gepommadeerd en in het midden gescheiden. Hij trommelde met twee vingers op het tafelblad, zonder op Jaaps vraag te antwoorden.

‘Geloven jullie,’ vroeg Frits, ‘dat het goed is om matig te leven?’ ‘Je stelt van die gewetensvragen,’ zei Jaap, ‘dat moet je niet doen.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Frits. ‘Ik zou niet graag iemand van dit gezelschap onaangenaam zijn.’ Hij reikte Jaap de hand en legde daarna zijn hoofd voorover op de tafel. ‘Die kop van jou neemt veel te veel ruimte in,’ zei Viktor.

‘Meneer Lijnman,’ zei Frits tegen de magere man, ‘gelooft u niet, dat vlees eten, zo het geen zonde is, dan toch als ongezond moet worden ontraden?’ ‘Ik betwijfel het,’ antwoordde deze, ‘maar ik zal er over denken.’ Frits tuurde scherp naar de opening in zijn mond, waar een tand ontbrak.

‘Er over denken,’ zei hij, zacht op de tafel kloppend, ‘er over denken. Dat zeggen ze allemaal. Maar daarmee komen we er niet.’

‘Waar heeft hij het over?’ vroeg Joosje. ‘Dood ga je er niet van,’ zei Viktor. ‘Ik ken uw standpunt,’ vervolgde Frits, Viktor de hand schuddend. ‘Het is een opvatting, die achting verdient, maar desondanks – verwerpelijk. Want wat zeg jij? Jij zegt: willen ze geen vlees eten? Goed. Voor de vegetariërs wordt gestoomde makreel ter beschikking gesteld.’ Hij ademde met bolle wangen uit.

‘Ja zeker,’ zei Jaap, ‘aan de voeding mankeert nog veel. Heel veel. Er wordt weinig op gelet. Maar of onze geachte dokter Van Egters gelijk heeft, dat is nu de vraag.’

‘Ik wil de mening van onze geachte gast horen.’ zei Frits. ‘Meneer Lijnman’ – hij legde zijn hand op de pols van de toegesprokene – ‘wat denkt u van de voeding?’ ‘Zeg in ieder geval wat,’ zei Joosje zacht. ‘Kijk,’ zei de man, ‘flink wat jaren geleden hadden we op de krant een wedstrijd voor jongelui van zo tot zo oud. Er waren veel prijzen. Zaterdagavond over een kwart pagina aangekondigd. De opgave was een vrij opstel. Wie het beste opstel maakte, zou opgeleid worden tot journalist.’

‘U komt langs een omweg tot uw onderwerp,’ zei Frits, ‘maar dat hindert niet. Wat u te vertellen heeft, dat is het belangrijkste.’

‘Er was een jongen uit Groningen, of uit Drente,’ ging de man voort, ‘die won en kwam in Amsterdam op de krant werken. Hij woonde op een kamer en at in de stad, in cafeteriaas. Hij werkte zo driekwart jaar bij ons, toen werd hij ziek. Een paar keer kort achter elkaar was hij ziek. Toen was hij weer een paar weken beter. Toen werd hij weer ziek. En in een dag of zes was hij dood. De dokter heeft toen gezegd, dat hij kapot gegaan was van het eten in cafeteriaas, van altijd datzelfde, slecht klaargemaakte eten.’

‘Dat is niet mis, wat u daar vertelt,’ zei Frits nadenkend. ‘Ik ben een leek, maar ik kan u wel vertellen, dat het zout de doodsoorzaak is geweest. Zout is de ondergang van de nieren. Er gebeuren dingen om ons heen. Maar we merken ze nauwelijks. We zijn doof en blind.’ Hij krabde zich op het hoofd. ‘Is het geen tijd om naar huis te gaan?’ vroeg Joosje zacht aan Viktor. ‘Straks,’ antwoordde deze.

‘We nemen nog een borreltje,’ zei Jaap. Gearmd ging hij met Frits naar het buffet. ‘Het is weer erg druk,’ zei deze, toen ze hun glaasje hadden uitgedronken. Hij nam voor de lange man een borrel mee en zette hem behoedzaam op de tafel. Hij had de gewaarwording, of alle bezoekers luid tegen elkaar schreeuwden. ‘Ze schreeuwen hier wel wat hard,’ zei hij. ‘Ik geloof, dat de vrouwen hier het hardste schreeuwen. Kunnen ze werkelijk niet wat minder lawaai maken?’ Hij wilde enige passen doen, maar ging geheel uit de richting en bleef dicht bij de deur, naast een blinkende gokautomaat, tegen de muur leunen. Hij probeerde door de rook, die op zijn ogen prikte, de aanwezigen te onderscheiden. Iemand legde een hand op zijn schouder en zei zacht: ‘Trek je er maar niets van aan, jongen, zo voelen ze zich hier in werkelijkheid allemaal.’ Hij draaide zich een kwart slag om en zag een man met een geplooid gezicht voor zich staan. ‘Heel hartelijk,’ zei hij en schudde de onbekende de hand. Daarna begaf hij zich terug naar zijn tafeltje.

‘We moeten altijd vrienden blijven,’ zei hij, zich voorover buigend en zijn hoofd steunend op zijn linker hand, ‘niet Jaap? En Viktor? Jullie gaan me beiden in dezelfde mate aan het hart.’ ‘U, meneer,’ ging hij tot de lange man verder, ‘u ken ik niet, dus u kunt geen enkele toezegging verlangen. Maar niets zou mij onaangenamer zijn, dan dat u zou denken, dat ik op een verwijdering aanstuur. Verre van dat.’ Hij reikte hem de hand.

‘Meneer is denker, Herbert,’ zei Jaap, ‘dat ben ik ook. Maar meneer Van Egters is het van beroep.’ Hij leunde met zijn hoofd tegen Joosjes borst. Viktor bekeek het plafond.

‘Ik weet wel,’ zei Frits, ‘jij Viktor, jij zit je hier geweldig te ergeren. Maar je bent iemand van manieren. Ik weet dat te waarderen. Ik heb wel de goede stemming.’ ‘Nu in ernst,’ zei hij tot Joosje en Jaap, ‘is het niet zo, dat de meeste mensen te weinig aan allen denken, die dood zijn, die niet meer in dit leven zijn? God ziet alle dingen.’

De lange man scheen tussen de aanwezigen een bekende te zien. Hij stond op en verdween.

‘Hoe laat heb je het, Fritsje?’ vroeg Jaap. ‘Kwart over tien is het,’ antwoordde Frits. ‘Toch moeten we er steeds aan denken, dat God begin en einde van alle dingen is. Vlees eten is zondig.’

‘Dat schijnt je dwars te zitten,’ zei Viktor. Hij was bezig, met een afgebrande lucifer zijn nagels schoon te maken.

‘Dat is het niet alleen,’ zei Frits. ‘Als dat alles was. Maar ze eten overvloedig. God is mijn getuige. Ze eten savonds laat nog vers witbrood.’ ‘Wie?’ vroeg Joosje. ‘De mensen. Onze medeburgers,’ antwoordde Frits, achterover leunend. ‘Ze drinken savonds laat nog koffie. Iedereen begrijpt, dat dat de ondergang van het lichaam is. En de ziel wordt geschaad.’

‘De ziel wordt geschaad,’ zei Jaap; hij richtte zich op. ‘Begrijp goed,’ ging Frits door. ‘Dit is niet als een verwijt bedoeld. Maar ik zie het. Iedereen, die zijn ogen open heeft en om zich heen kijkt, moet het zien.’

‘Niet iedereen is even scherp,’ zei Jaap. ‘Wat voor ons te eenvoudig is om te bespreken, is voor een ander een ontoegankelijke tempel van wijsheid. Neem nou die ene neef van mij, Uuk. Die ken je toch?’ ‘Jawel,’ zei Frits, ‘een keurige jongen. Niets op aan te merken. Zo zijn al jouw kennissen. Eenvoudige, arbeidzame mensen. Ik zeg dat zonder enige bedoeling, begrijp goed.’ ‘Natuurlijk,’ zei Jaap, veegde as van de tafel en ging door: ‘Die Uuk is werkelijk geen stomme jongen. Maar laatst heeft hij zich toch voor vijftien gulden een koperen ring in zijn poten laten duwen.’ ‘Is het werkelijk?’ vroeg Frits. ‘Vertel op,’ zei Viktor. ‘Van iemand, die zei, dat hij zeeman was en dat zijn schip binnen anderhalf uur vertrok,’ zei Jaap. ‘Dat hij geen goud mocht meenemen.’

‘Eerst lach je,’ zei Frits, ‘maar het is iets verschrikkelijks. De ene mens, die de andere bedriegt. Voor het aangezicht van de schepper.’

‘Het is een heel vreemde jongen. Helemaal niet dom,’ ging Jaap door, ‘maar sommige dingen heeft hij niet door. Er wordt aan het raam getikt. Hij loopt meteen naar binnen. Het was natuurlijk een hoer, maar hij dacht, dat ze hem riepen om een muis weg te jagen of een kast te verzetten. Er is wat te beleven.’

‘We hebben gemorst,’ zei Frits, op het tafelblad wijzend. ‘Wij zijn bizonder lomp.’ ‘Laten we eens naar het dansen gaan kijken,’ zei Jaap, ‘daar kunnen we van leren.’

Ze stonden op en baanden zich een weg. Viktor liep voorop; op een rij volgden Jaap, Joosje en Frits. Ze drongen zich naar een hoek van de zaal en gingen op een lange bank aan de muur zitten.

‘We zijn te oud om hieraan mee te doen,’ zei Frits. ‘De ondergang van het avondland. Toch is het heerlijk, jong te zijn.’

‘Zullen we er nog een nemen?’ vroeg Jaap. ‘Nee, liever niet,’ zei Frits, ‘even wachten.’ ‘Dan een sigaret,’ zei Jaap en presenteerde.

Een dame ging aan een vleugel zitten, die dicht bij hen stond. De pick-up hield op en de dansparen wachtten. ‘Vooruit,’ werd er geroepen. ‘Dit is het oude cowboylied Sluit Me Niet Op,’ zei Jaap, toen de pianiste begon. Hij maakte met hoofd en hals de bewegingen van een drinkende vogel. ‘Toen ik klein was,’ zei Frits, ‘kon ik nooit tegen pianomuziek. Een mens is een gevoelig wezen.’ Jaap was tegen Joosje aan gaan leunen en bewoog zich niet meer.

‘Luister,’ zei Frits tot Viktor en sloeg een arm om zijn schouder. ‘Ben ik te ernstig?’ ‘Ernst op zijn tijd kan geen kwaad,’ antwoordde Viktor. ‘Geloof je, dat wetenschap wezenlijke betekenis heeft?’ vroeg Frits. Viktor zweeg.

De pianiste begon een andere melodie. ‘Die ken ik,’ zei Frits, ‘dat is Geef Mij Nog Vijf Minuten. Een verrukkelijke wijs.’ Hij boog zich voorover en klopte met zijn vuisten in de maat op zijn knieën. ‘Iedereen heeft zijn geschiedenis,’ zei hij, ‘maar het is zelden een belangrijke.’

‘Ken jij Boomgaard?’ vroeg Viktor. ‘Hij weet veel van filosofie.’ ‘Boomgaard, nee,’ zei Frits, ‘geen bekende naam. Ik kan het niet helpen.’ ‘Nee?’ vroeg Viktor. ‘Hij is lector, maar ook leraar. In de oude talen. Aan het Berendsgymnasium. Al een jaar of zes. Daar ben jij toch op geweest?’

‘Dat was voor mijn tijd,’ zei Frits. ‘Hoe oud ben je dan precies?’ vroeg Viktor. ‘Je moet hem toch haast kennen.’

‘Drie en twintig jaar ben ik nu,’ zei Frits. Hij stak een wijsvinger op. ‘Let wel,’ zei hij.

‘Ik verliet de school in de vierde klas. Maar niet omdat ik te dom was.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Viktor. ‘Verre van dat,’ ging Frits voort. ‘Maar er is niets erger dan het ontwijken van de waarheid. Luister goed. Jij zult het begrijpen. Als je iets onduidelijk is, mag je het me vragen. Debat toegestaan. Kaarten aan de bekende adressen en aan de zaal.’ Hij vatte Viktor om het middel, leunde achterover tegen de muur en gebaarde met zijn rechter arm.

‘Misschien stel je er geen belang in,’ zei hij, ‘misschien zeg je: wat gaat dat mij aan. Misschien is mijn lot je onverschillig. Maar bedenk, dat God ons allen ziet. Hij houdt de sterren in het holle van zijn hand.’ ‘Ja, ga je gang maar,’ zei Viktor.

‘Het kan me niets schelen, als je niet luistert,’ zei Frits, ‘hoewel het me diep verdriet zou doen. Ik kwam in de eerste klas van het Berendsgymnasium. Dat hele jaar, op alle rapporten, kreeg ik een tien voor Latijn. Dat is een feit. Men kan de bronnen nagaan.’ Hij blies in de lucht. ‘Vervolgens, dokter Poort,’ zei hij, ‘kwam ik in de tweede klas. Het ging goed. Lang niet slecht. Een paar dagen voor de overgang lag ik ziek in bed. Van angst, dat ik misschien niet over zou gaan. Iedereen vond, dat ik gek was. Misschien ook wel waar. Ik ging over, met maar één onvoldoende, voor algebra. Als het je verveelt, moet je het zeggen, ik zou je niet graag overlast aandoen.’ Hij drukte Viktor de hand. ‘Welnee,’ zei deze, ‘ga door, ik vind het heel belangwekkend om te horen.’ ‘Het interesseert je?’ vroeg Frits. ‘Dat is heerlijk. Belangstelling is wel een van de beste eigenschappen van de mens, deze wonderlijke aardbewoner.’ Hij schudde nadenkend het hoofd.

Jaap zat, tegen Joosje geleund, met half open ogen naar het dansen te kijken. ‘Toen zat ik dus in de derde,’ zei Frits. ‘Net als in het kinderrijmpje. Eenvoudig en toch, of misschien juist daardoor, ontroerend. Ik houd je toch niet op, wel?’ ‘Beslist niet, vertel toch verder,’ zei Viktor.

‘In de derde, zoals ik meedeelde,’ ging Frits voort. ‘Toen kreeg ik onvoldoenden voor Frans en wiskunde, beide takken. En ik ging niet over.’ Hij keek Viktor aan. Deze zei niets. ‘Ik kreeg een herexamen. In de vakantie hielp een kennis me. Maar het examen ging niet door. Merkwaardig, grillig is het lot. Geloof jij in God?’ ‘Nee,’ zei Viktor, ‘ik heb je dat al eens eerder gezegd.’ ‘Nou ja,’ zei Frits, een afwijzend handgebaar makend, ‘dat hoeft een wederzijds begrip niet in de weg te staan.’ Een danser trapte hem op de tenen. ‘Lompheid, maar misschien toch geen moedwil,’ zei hij. ‘Geen herexamen?’ vroeg Viktor.

‘Geen herexamen,’ zei Frits. ‘Een paar dagen ervoor maakte de directeur bekend, dat de ernstige omstandigheden, met de dreiging van een oorlog, een sfeer van rustig werken hadden onmogelijk gemaakt. Niet slecht geformuleerd. Tot zover kun je alles toch volgen, niet?’ ‘Voortreffelijk,’ zei Viktor, ‘je kan het zo kort en duidelijk vertellen.’

‘Dit wilde zeggen,’ vervolgde Frits, ‘dat allen, die een herexamen hadden opgekregen, zonder het af te hoeven leggen, tot de hogere klas waren toegelaten. Ik dus ook. Ik kwam dus in de vierde.’ ‘We schieten op,’ zei Viktor, ‘Jaap slaapt zowat.’ ‘Laat slapen,’ zei Frits. ‘In de vierde dus. Aan het eind had ik onvoldoenden voor Engels, wiskunde en scheikunde.’ Hij telde op zijn vingers. ‘De scheikunde was een vijf, dat viel mee.’

‘Luister broeder,’ zei hij nadrukkelijk, ‘nu komt het. Ik kreeg een herexamen voor wiskunde en een voor Engels. En ze gingen beide door. Je weet, Viktor, dat ik je hoogacht; dat ik een bizondere genegenheid voor je koester. Daarom vertel ik je dit, omdat ik weet dat jij het begrijpt. In die vakantie heb ik niets gedaan.’ ‘Niets?’ vroeg Viktor, ‘hoe bedoel je?’ ‘Niets, volstrekt niets,’ zei Frits. ‘Let op, het is niet moeilijk te vertellen, wat slecht of verachtelijk is, maar wel wat belachelijk is. Dat heb ik ergens gelezen.’ Hij boerde, boog zich iets voorover en ging voort: ‘Ik ging wel naar het herexamen. Begrijp je dat? Kan je het begrijpen?’ ‘Het is niet zo makkelijk,’ zei Viktor.

‘Denk eens na,’ sprak Frits nadrukkelijk, ‘hoe moet het een mens te moede zijn, die naar een examen gaat met de eenvoudige, zakelijke zekerheid van zakken?’ Hij opende de mond, zette langzaam zijn tanden op de onderlip en sloot de ogen. ‘Wat vertel ik allemaal?’ zei hij. ‘Ik houd je op. Ik verveel je. Ik val je lastig. Dat is de werkelijkheid. Maar je hebt geluisterd. Dat waardeer ik.’ Hij nam Viktors hand. ‘Wat een avond,’ zei hij. ‘Een gedenkwaardige avond.’

‘Er hoort nog iets bij,’ ging hij door. ‘Toen de nieuwe kursus begonnen was, kregen we een briefje thuis van de rector, of het waar was, dat Frits van Egters – uw zoon Frits van Egters – of het waar was, dat die van school ging. Of hij daarvan een schriftelijke bevestiging kon krijgen. Ik was al van school, maar er was geen formeel bericht van naar de school gegaan. Dat was het. Ik dank u voor uw aandacht.’ Hij haalde diep adem en perste de lippen op elkaar. ‘Een mooie dans, de Engelse wals, niet?’ vroeg hij, naar de dansenden kijkend. ‘Rustig, beschaafd, statig.’

‘Vooruit Jaap, je ligt hier niet in bed,’ zei Viktor en stootte, achter Frits langs, Jaap aan. Deze ging rechtop zitten, knipte met de vingers en zei: ‘De laatste ronde. We nemen er nog een.’ Met zijn vieren begaven ze zich naar het buffet en dronken allen een borrel. De muziek van de pick-up kwam Frits luider voor dan hij ooit op de avond geweest was. Voor het buffet stonden enkelen dansende bewegingen te maken.

‘Weet je, wat het is?’ zei Frits, die niet op dezelfde plaats kon blijven staan, ‘als ik een borrel op heb, klapwiek ik wel, maar ik kom niet van de grond. Van de grond kom ik niet.’

‘Ik ben beroerd,’ zei Jaap, ‘ik moet zitten.’ Ze gingen terug naar de danszaal, waar op de bank hun plaatsen nog open waren. Jaap ging half liggen. ‘Dat is niets,’ zei Frits tot Viktor, op Jaap wijzend. ‘Die jongen is onwel. Maar hij heeft het aan zichzelf te wijten. Men gebruikt te veel en ondervindt er de gevolgen van. Maar denk eens aan al het leed zonder schuld. God alleen ziet het.’ Hij greep Viktor bij de arm en zei: ‘Als je maar één oog hebt, dan is het nacht, als je knipoogt. Heb je daar wel eens aan gedacht?’ Jaap stond op en liep naar de waterplaats. ‘We gaan samen,’ riep Frits. Hij volgde hem en ging wateren. Jaap kokhalsde enige malen voor de waterbak en braakte. ‘Wat weg is, ben je kwijt,’ zei Frits. ‘Ga maar,’ zei Jaap. ‘Het is tijd om te vertrekken,’ zei Viktor, toen Frits terugkwam. ‘Jaap spuugt,’ zei deze.

‘Wie heeft het geld?’ vroeg Joosje. ‘Dat heeft Jaap bij zich,’ zei Frits. ‘Wacht maar.’ Hij zag, toen hij in de waterplaats kwam, Jaap bij een klein, stoffig raampje, dat op een kier stond, frisse lucht van buiten opsnuiven. ‘We gaan weg,’ zei, hij, ‘betaal jij?’ ‘Hier is geld,’ zei Jaap met een schorre stem en haalde een bundeltje papiergeld uit zijn broekzak. Frits ging naar de kassa en zei: ‘Ik kom afrekenen voor meneer Elderer.’ ‘Acht en twintig gulden,’ riep de man van de tapkast tegen de kellner, die het blad van een notitieblok bestudeerde. Het papiergeld bedroeg slechts vijf en twintig en een halve gulden. ‘Houdt u dit even hier,’ zei Frits en legde het bedrag neer. ‘Acht en twintig gulden dus.’ ‘Dat wil zeggen, zonder fooi,’ zei de kellner. ‘Ja, dat begrijp ik,’ zei Frits, ‘ik zal het even halen. Houdt u dit even hier.’

Hij liep terug naar de danszaal. Viktor stond met de jassen over zijn arm. ‘We moeten hem slepen,’ zei hij, op Jaap wijzend, die door Joosje gesteund, uit de waterplaats kwam. Ze hielpen hem in zijn jas. Toen ze aangekleed waren, namen Viktor en Joosje hem tussen zich in. Zo gingen ze de trap af. Frits bleef vlak achter hen.

‘Naar de tram,’ zei Viktor, toen ze buiten stonden. ‘We kunnen nog makkelijk een halen.’ ‘Wil jij me op de hoogte houden van de nummers?’ vroeg Frits. Ze staken het plein over en bleven op een hoek wachten.

‘Een mooie avond,’ zei Frits. ‘Zoek jij ook graag de ellende van deze wereld? Wandel je Zondags ook graag op kerkhoven? De meeste mensen denken nergens aan.’

‘Daar is de acht,’ zei Viktor. ‘Die is voor jou.’ ‘Het zij u allen vergund een goede reis naar huis te hebben. Mijn goede wensen vergezellen je,’ riep Frits en stapte in de tram. Hij liep glimlachend, met wiegende stappen naar voren. Onder het rijden had hij bij iedere schok een gewaarwording, of hij een eind van de grond opveerde en langzaam weer neerdaalde. Hij betrad het voorbalkon.

‘Kalm aan, mensen,’ zei hij, ‘dringen is volkomen onnodig.’ Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn, bekeek langzaam de inhoud, haalde er een biljet van een gulden uit en hield het de trambestuurder voor. ‘Wat is dit?’ vroeg hij. ‘Een gulden,’ zei de man. ‘Ik kon het niet zien,’ zei Frits, ‘het is voor u.’ De man pakte het biljet aan en stak het bij zich. ‘Dat is alweer in orde,’ zei Frits, tegen de wagondeur opbotsend. ‘Ik heb een dringend verzoek. Men doet er goed aan mij te waarschuwen, wanneer ons voertuig het Danisplein heeft bereikt.’ Hij probeerde te fluiten, maar kon geen geluid maken.

‘Hier bent u er,’ zei een dame met een groene hoed. ‘Hartelijk dank,’ zei Frits, ‘u is heel vriendelijk.’ Een man reikte hem bij het uitstappen de hand.

Hij stak de trambaan over en liep op een groepje van drie agenten toe. ‘Goeden avond, heren,’ zei hij, ‘het ga u goed. De kwestie is, dat ik wel iets gebruikt heb, maar net niet te veel, zodat u me niets kunt maken. Wel iets gebruikt, maar net niet te veel. Alleraardigst.’ ‘Ga je gang maar,’ zei een der agenten, ‘ga maar gauw naar bed.’ ‘Een verstandige raad,’ zei Frits, ‘ik dank u hartelijk.’ Hij liep op een telefooncel toe en maakte aanstalten er tegen te wateren. ‘Dat gaat niet,’ zei dezelfde agent, ‘ginds is een waterplaats.’ Hij duwde hem weg. ‘Uiteraard,’ zei Frits. ‘U hebt gelijk. Het is zeer onjuist wat ik doe. Ik verzoek u, mijn uitdrukkelijke verontschuldigingen te aanvaarden.’ Daarop liep hij een brede straat in, leunde even tegen een etalageruit en sprak een voorbijganger aan, die gearmd met een dame passeerde en een fiets bij het stuur meevoerde.

‘Staat u mij toe u lastig te vallen,’ zei hij, ‘maar weet u ook de Schilderskade? Als ik maar op weg ben. Het is een kwestie van de weg. Als ik het weet, gaat het vanzelf. Ik heb iets te veel gebruikt. Het is verkeerd, maar er is niets meer aan te doen.’

‘Loopt u maar mee,’ zei de man. Ze namen hem tussen zich in en liepen voort. Frits bekeek de beide gezichten. ‘Is hier sprake van een misverstand?’ vroeg hij, ‘of bent u onze geachte buren?’ ‘Ja zeker,’ zei de man. ‘Dan bent u de gordijntjes op halve hoogte,’ zei Frits.

‘Ja,’ zei de dame. ‘Hoe is toch de naam?’ vroeg Frits. ‘Visser,’ zei de man. ‘Een eenvoudige naam,’ zei Frits met nadruk, ‘een eerlijke naam. Je ziet elkaar dagelijks, maar je gaat langs elkaar heen, terwijl we eigenlijk broeders zouden moeten zijn. U bent een beetje christelijk, nietwaar? Ik heb te veel gebruikt, dat is zondig. Het is slecht. Ik ben een slecht mens. Maar God ziet het.’

‘Dan moet u het niet doen,’ zei de buurman. Ze kwamen aan Frits’ huis. De man maakte met een loper de deur open. ‘Ik dank u hartelijk. U bent goede, deugdzame mensen,’ zei Frits. ‘Ga maar gauw naar bed,’ riep de vrouw hem na.

Hij klom langzaam de trap op, bleef voor de gangdeur even staan uitrusten en waggelde daarna naar binnen. Toen hem de warmte tegemoet kwam, werd hij duizelig. Hij wilde de kamerdeur langzaam openen, maar gaf er, zonder het te willen, met de vlakke hand een klap op.

‘Goedenavond, goedenavond,’ zei hij. Zijn ouders zaten aan tafel te lezen. Hij liep naar binnen, gooide zijn jas op de divan en hield zich daarna aan de tafelrand in evenwicht. ‘Goedenavond, lieve vader,’ zei hij. ‘Goedenavond, lieve moeder. Goedenavond, lieve ouders.’ Hij liet de tafel los en plofte achterover op een stoel. ‘Dus – ’ zei hij, een wijsvinger tegen zijn voorhoofd drukkend.

Zijn vader keek met een verbaasde glimlach toe. ‘Hoeveel heb je in godsnaam gedronken?’ vroeg zijn moeder, ‘waar ben je geweest?’ Ze stond op. ‘Kijk eens of hij zijn geld kwijt is,’ zei ze.

‘Ik weet het,’ zei Frits. ‘Ik heb te veel gebruikt. God ziet alles. Hij ziet niet alleen op mij, hij ziet op ons allen. Het einde der dagen nadert. Meer dan zeven of acht heb ik zeker niet gebruikt.’ Zijn vader kwam op hem toe, nam zijn portefeuille uit de binnenzak en keek er in. ‘Nee,’ zei hij, ‘er zitten nog twee en dertig gulden in.’ Hij legde hem op de boekenkast.

‘Moet je nog brood met kaas?’ vroeg zijn moeder. ‘Nee,’ zei hij, ‘niets meer gebruiken. Het lichaam reinigen. Christus, zie uw soldaten. Aldus is geschied. Het is slecht. Ik doe u, mijn ouders, veel onrecht. Veel verdriet en onrecht. Het is walgelijk. Maar God ziet ons allen. Ik ga naar bed. Slapen.’ Hij bleef echter zitten. Zijn stem ging tot een gemurmel over en zijn hoofd zakte voorover.

Zijn moeder begon zijn schoenen uit te trekken. Samen met zijn vader kleedde ze hem uit en leidde hem naar bed. Hij bleef rechtop zitten en zei: ‘Weinigen waarderen jullie goedheid. Ik zie het. Mocht ik doen, alsof ik het niet zie, dan is het maar schijn. Maar mocht je denken, moeder – ’ ‘Ja, muis,’ zei ze. ‘Mocht je denken, dat ik het niet zie,’ ging hij door, ‘bedenk dan, dat God jullie ziet. Hij ziet jullie. Hij ziet jullie rechtvaardigheid.’ ‘Steek je armen eens naar achteren,’ zei ze. ‘Waar is dat goed voor?’ vroeg hij. ‘Je moet een piamajas aan,’ antwoordde ze. ‘Natuurlijk, jij weet het beste, wat goed is,’ zei hij en stak zijn armen in de mouwsgaten.

‘Ik moet kotsen,’ zei hij plotseling. Zijn vader, die in de deuropening had toegekeken, holde weg en kwam terug met een emmer. ‘Ga weg,’ zei Frits. ‘Het is walgelijk.’ Hij braakte vier maal, spuugde slijm na en liet zich hijgend achterover zakken. De gezichten van zijn ouders schoven heen en weer en gingen af en toe omhoog tot het plafond. Hij hoestte, trok het dek over zijn hoofd heen en voelde zich ronddraaien in een donkere ruimte met wanden, die, waar hij ook tastte, nat waren. De bewegingen namen af en hij kon zich uitstrekken. Daarna zakte hij in een diepte weg.