Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk zes van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk. Vandaag hoofdstuk zes.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk zes van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Vrijdagmiddag moest op het kantoor wegens de zware bewolking reeds om kwart over drie het licht worden opgestoken. Frits verzamelde proppen papier van zijn buro, blies sigarettenas weg en leunde daarna achterover in zijn stoel. ‘Wanneer het nu Zaterdag was,’ dacht hij, ‘dan zou ik bij dit weer de goede stemming hebben.’

Luister hieronder het hele zesde hoofdstuk

‘Op de lagere school,’ zei hij bij zichzelf, ‘daar werd soms op Zaterdagmorgen, een uur voor de bel, de lucht zo donker, dat die vier lampen, die ballons, aan moesten. Zaterdag, een uur voor het einde. Waarom was dat zo heerlijk?’ ‘Of de laatste schooldag voor de vakantie,’ dacht hij, ‘als er dan een stortbui kwam, of onweer, vlak voordat de bel ging. Groter geluk was er niet. Waarom? Wonderlijk.’

Hij beet een hoek uit een stuk briefpapier, kauwde er op en spuugde het als een kluitje tegen de vloer. ‘Let op,’ mompelde hij, ‘wat ga ik vanavond doen? Natuurlijk, we gaan naar de film, het vermaak van deze eeuw. In Lantaarn, twee plaatsen voor de laatste avondvoorstelling. We zullen Viktor meenemen. In werkelijkheid is het leven niet ingewikkeld,’ dacht hij. ‘De moderne wetenschap staat voor niets.’

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het zesde hoofdstuk op locatie in:

Om tien voor half vijf pakte hij zijn tas in, hing zijn jas over de stoelleuning en wachtte vijf minuten. Daarna legde hij op het buro alles in een nauwkeurige rangschikking, trok zijn jas aan en schoof voorzichtig het lokaal uit. In de gang liep hij sneller, maar zonder met zijn stappen geraas te maken, liet in de hal door een druk op de knop de lift voorkomen en daalde naar beneden. Bij het verlaten van het gebouw begon hij te neuriën. Er was vrijwel geen wind. Hij fietste langs de bioskoop om de kaarten af te halen, maakte toen op weg naar huis een oostelijke omweg en belde bij het huis met de twee torentjes, bij de brug, aan.

Lees hier de eerdere hoofdstukken uit De Avonden

‘Wie is daar?’ vroeg een mannestem in de spreekbuis. ‘Viktor Poort, jij grote oude hoer,’ riep Frits, ‘kom als de donder naar beneden. En gauw. Hier is Frits.’ ‘Ik zal kijken of hij er is, ik geloof van niet,’ antwoordde de stem. Even daarna riep een andere stem: ‘Kommandant Frits, ik open u de deur. Kom boven.’ ‘Nee, kom jij naar beneden,’ riep Frits in het roostertje, ‘voor het te laat is. Ik heb haast.’ De deur zwaaide open en Viktor kwam de trappen af.

‘Ik heb plaatsen voor kwart over negen in Lantaarn,’ zei Frits, ‘en duur, veel geld. Je gaat wel mee, niet?’ Viktor sloeg de kraag van zijn jasje op. ‘Nou,’ zei hij, ‘ik – ’ ‘Je staat daar net als een oude vrouw met een klein voetgebrek,’ zei Frits, ‘die het in verband met de kou bezwaarlijk vindt, voor het kopen van levensmiddelen aan de deur te komen.’

‘Ik moet vanavond laat nog zoveel doen,’ zei Viktor, ‘ik geloof niet, dat het gaat. Eerlijk gezegd, was ik wel van plan na het eten even bij je langs te komen, een halfuurtje.’ ‘Vooruit,’ zei Frits, ‘ik heb plaatsen gekocht, een hoog bedrag betaald; wat een verkwisting.’

‘Die plaats raak je wel weer kwijt,’ zei Viktor. ‘Ik vind het heel vriendelijk, maar ik kan niet. Ik moet thuisblijven voor allerlei dingen. Maar ik dacht wel, na het eten, even langs te komen, dat wel. Maar zeker weet ik het niet.’

Ze namen afscheid en Viktor ging naar binnen. ‘Het wordt een totaal bedorven avond,’ zei Frits, ‘dat staat vast, dat is geheel duidelijk. Men behoeft daaraan geen ogenblik te twijfelen.’ Hij reed met een flinke snelheid naar huis, zette zijn fiets in het berghok en liep, zonder zijn overjas uit te doen, naar binnen.

Zijn vader zat in kamerjas bij de kachel. Voor zich, over de zijleuningen van de stoel, had hij een groene kastplank gelegd, waarop papieren en boeken waren neergevlijd. Hij zat te schrijven. Om het middel had hij, over de jas heen, een leren riem aangehaald. Toen hij opkeek, zag Frits, dat zijn voorhoofd en wangen rode plekken hadden, die met vet waren ingesmeerd.

‘Wel wel,’ zei hij, ‘je hebt je hier aardig gevestigd. Als je weer aan het strand komt, moet je een handdoek over je gezicht doen. Die zon is verraderlijk.’ ‘Wat zeg je?’ vroeg zijn vader. ‘Ik vroeg, hoe je aan die verschroeide kop komt,’ zei Frits. ‘Hè?’ vroeg zijn vader. ‘Die zere plekken, hoe kom je daaraan?’ vroeg Frits en wees op zijn eigen gezicht. ‘O,’ zei de man, ‘ik heb vanmorgen een washand gebruikt en ik wist niet, dat die dingen zo hard waren.’ ‘Ik denk,’ zei Frits, ‘dat je de panspons hebt genomen, die reeds in honderdduizenden gezinnen in gebruik is.’

Hij ging bij de radio zitten, stak zijn hand er naar uit, maar trok hem terug. Hij ging in de gang zijn jas ophangen. ‘Is moeder er niet?’ vroeg hij, toen hij weer binnenkwam. ‘Ze doet een paar boodschappen,’ antwoordde zijn vader. Het was op de klok tien over vijf. ‘Begrijp je iets van het weer?’ vroeg Frits, naar de hemel ziend. ‘Ik zou zeggen, dat het sneeuw wordt,’ zei zijn vader.

Frits ging naar de keuken en zette de pan met vlees op een gasvlam. Daarna deed hij de grendel op de trapdeur en doorzocht de keukenkast. ‘Niets,’ mompelde hij, ‘geen geschikte artikelen.’ Hij leunde op de vensterbank en keek in de tuinen. ‘Dat is die stomme hond van de Aals,’ zei hij, vulde een beker op het aanrecht met water en stortte het, na een voorzichtig openen van het raam, op een dikke, bruine hond uit, die voor de tuindeur van de benedenburen zat. Het dier sprong weg, schudde zich en begon te blaffen. Hij sloot het raam.

Plotseling hoorde hij gerammel en gebonk aan de trapdeur. Hij deed het gas uit, zette de pan achter het gasstel en ging opendoen. ‘Wanneer leer je die krankzinnigheid af, om die deur altijd dicht te doen?’ zei zijn moeder, binnentredend met een zware tas boodschappen, die ze in de keuken uitpakte.

Hij ging in de huiskamer op de divan zitten. Zijn moeder kwam een paar minuten na hem binnen, keek in de kachel en zei: ‘Ik heb vergeten naar de krant te kijken. Ga jij eens zien.’ ‘Hij is er nog niet,’ zei Frits. ‘Jawel,’ zei ze, ‘allang.’ ‘Het is onnodig,’ zei Frits, ‘er is geen sprake van.’ ‘Al goed,’ zei ze, ‘je bent te beroerd om je te bewegen.’ ‘Wat is er weer?’ vroeg zijn vader. ‘Niks,’ antwoordde ze.

Frits ging de trap af vond de krant in de bus en bracht hem boven. ‘Hij werd in de bus gestopt, toen ik er voor stond,’ zei hij; ‘de klok loopt niet meer voor, merk ik.’ Zijn vader stak een hand uit en zei: ‘Hierheen.’ ‘Hou jij je maar bij je werk,’ zei zijn moeder en nam de krant van Frits aan. Ze ging bij tafel zitten, stond op om haar bril van het buffet te nemen, ging langzaam weer zitten en vouwde de krant open.

Frits bekeek, tegen de tafel leunend, de rode vingers, die de paginaas vasthielden. ‘Je leest als een vrouw,’ zei hij, ‘je beweegt je ogen niet, je gaat alleen met je kop heen en weer. Het is heel erg, want het zijn maar smalle kolommen.’ ‘Wat zeg je?’ vroeg zijn vader. ‘Ik dacht, dat ik een naam las, die ik kende,’ zei Frits, in de krant ziend, ‘maar ik vergis me toch.’ Hij ging op de divan zitten, duwde de overgordijnen opzij, beet op zijn vingers en keek naar buiten.

‘Waarom hadden die duisternis en die regen een verblijdende betekenis?’ dacht hij. ‘Daar moet ik achter komen.’ ‘In de vierde klas, bij het begin van de grote vakantie,’ zei hij bij zichzelf, ‘we gingen naar huis en ik had een leeg krijtjeskistje gekregen. Ik stond in de gang, te wachten op het eind van de regen, want ik had geen jas bij me. En elke keer snoof ik in het kistje. Het was een lucht van hout, nieuw hout, van hars en krijt. Tot zover is het duidelijk, dat zijn de feiten. Maar de samenhang?’

‘Ik weet het,’ dacht hij plotseling, ‘het is eenvoudig. De laatste uren van de schooltijd moesten somber zijn, om de overgang naar de vrije dagen des te scherper te laten uitkomen.’

Zijn moeder had de tafel gedekt en bracht het eten binnen. Ze aten rauwe veldsla, aardappelen, gebakken uien met jus, bruine bonen en griesmeelpap na. Ze begonnen zonder te spreken. ‘Gauw, gauw,’ dacht Frits, ‘iets zeggen.’ ‘Vind je het geen gek weer?’ vroeg hij aan zijn moeder. ‘Het is verschrikkelijk, zo donker als het is,’ antwoordde ze. ‘Toch is het niet meer zo koud, het is niet meer zoon natte kou. Het is vast en zeker minder koud. In de keuken valt het mee. Anders is de jus al lang hard geworden, als ik hem om vier uur, half vijf afzet. Maar nu was hij nog lauw.’

Zijn vader mengde de sla door persen met de vork met de aardappelen en moeste alles met de uien samen. ‘God, almachtige, zie onze daden en beproevingen,’ zei Frits bij zichzelf, naar de hand kijkend, die de vork gestaag op en neer bewoog. Hij voelde zijn gezicht warm worden. ‘Het dooreen mengen van een zorgvuldig toebereide maaltijd geldt als een belediging van degene, die hem heeft gekookt, vader,’ zei hij, zijn moeder aankijkend. Ze sloeg de ogen neer. ‘Wat?’ vroeg zijn vader langzaam, glimlachend. ‘Ik verstond je niet.’ ‘Nee,’ zei Frits, terwijl zijn moeder hem aanzag, ‘het was wat anders.’ ‘Je weet,’ vroeg ze, ‘dat ik een nieuwe zoldersleutel heb?’ Ze stond op, liep naar het buffet en toonde hem een sleutel met vers ingevijlde baard, die ze van het theeblad nam. ‘Goed zo,’ zei Frits. ‘Ik moest de oude geven,’ zei ze, ‘dat ze niet verloren waren. Het kost een gulden.’ ‘Dat is niet duur,’ zei Frits.

Ze zette, toen ze aan de pap begonnen, de suikerpot op tafel en wachtte. Zijn vader nam met zijn dessertlepel suiker en schudde deze met een vermoeide beweging uit over zijn bord. Frits voelde jeuk aan zijn voeten, handen en achterhoofd ontstaan. ‘Waarom draagt die man geen overhemd?’ dacht hij. ‘Geen das, goed, als dat nodig is. Maar waarom geen overhemd? Laat iemand, die er verstand van heeft, me dat eens uitleggen.’ Hij boog zich voorover om goed te zien, hoe de aan de hals diep ingesneden borstrok van boven niet geheel door de blauwe slipover werd bedekt: het bovenste knoopje was goed te zien. De hals had onder de adamsappel een langwerpige kuil.

‘Ik ga vanavond naar Lantaarn, naar de tweede avondvoorstelling,’ zei hij, toen de maaltijd was afgelopen. ‘Wat draait daar?’ vroeg zijn moeder. ‘Het Tweede Gezicht,’ antwoordde hij, ‘ik heb er veel goeds van gehoord. Je hebt eten op je lip zitten.’ Ze veegde haar mond af en begon de tafel af te ruimen. ‘Het was nog vroeg genoeg geweest om de eerste voorstelling te halen,’ dacht hij. ‘Nu zit ik met die twee uur opgescheept. Maar daarom niet getreurd.’

Hij ging bij de kachel zitten. Zijn vader stond in de hoek bij het raam en keek voor zich uit naar buiten. Op de grond voor de kachel lagen aardappelkruimels. ‘Laat ik afwachten, of ze me roept om af te drogen,’ dacht Frits. Hij hoorde zijn moeder het gas onder de fluitende ketel uitdraaien, het water in de afwasbak gieten en het druiprek naast de gootsteen op het aanrecht zetten. Toen hij de eerste voorwerpen uit het sop hoorde tillen en in het rek zetten, bukte hij zich een weinig voorover. ‘Nog even,’ dacht hij, ‘denkelijk droogt ze zelf af.’ Zijn vader begon op en neer te lopen.

‘Frits, help je even afdrogen?’ riep zijn moeder. Hij stond op, zoog adem tussen de opeengeklemde tanden door en liep bij het verlaten van de kamer tegen zijn vader op, die naast de boekenkast, vlak bij de deur stond. ‘Wordt er gebeld?’ vroeg hij. ‘Nee,’ riep Frits. In de keuken droogde hij snelde borden, kopjes en schotels af. ‘Het is niet veel vandaag,’ zei zijn moeder.

Toen hij weer bij de kachel zat, berook hij zijn handen. ‘Wij zijn onvolkomen wezens,’ zei hij bij zichzelf. ‘Ik had ze moeten afspoelen.’ ‘De lucht van mijn vingers, van de theedoek, is nog niets,’ dacht hij. ‘De adem van een mens is erger. De geur van de afgewerkte, regelmatig door de longen uitgestoten dampkringslucht. Dat is goed gezegd. Er zijn er verschillende.’ Hij peuterde met zijn pink achter zijn kiezen. ‘Je hebt,’ dacht hij, ‘de adem als een lucht van beschimmelde oude jassen, die in azijn worden gekookt. Zeker. Dan de adem van iemand, die te veel harde eieren heeft gegeten. Maar het ergste is de lucht van iemand, die een dag heeft gevast. Dat is als bedorven melk of als boomschors, die in het water heeft liggen rotten. Jawel. Vijf over zeven.’

Hij liep de gang in, ontstak licht en keek in de spiegel. ‘Moge ik behoed blijven voor kaalhoofdigheid,’ zei hij, het haar achterover drukkend en de grens van de inplanting scherp beziend. ‘Het is een gruwelijke straf.’ Hij luisterde. Het hoofd ziet er dan oud, glimmend en onsmakelijk uit,’ dacht hij, ‘dat is de waarheid. Maar het ergste is wel, als de ontblote huid gesprongen is of met knobbeltjes bedekt.’ ‘Ik weet wel,’ zei hij hardop, de bewegingen van zijn mond in de spiegel volgend, ‘dat wratten erger zijn. Wratten, wat is een wrat? Laat ons een goede, scherpe omschrijving geven. Waarvoor ben ik anders op school geweest, als ik dat niet zou kunnen?’

Hij ging de zijkamer binnen en stak de gaskachel aan. ‘Een wrat,’ zei hij, heen en weer lopend, ‘is een vlezige, volkomen ongegronde uitgroeiing, die zich bij voorkeur op hals, wang of kin voordoet en een sterke ontsiering teweeg brengt. Goed, heel goed.’

Hij ging zitten en peuterde met een potlood in zijn oor. ‘Nu de soorten,’ zei hij. ‘Er zijn er twee. De eerste verschijnt, geachte aanwezigen, als een lage, platte heuvel, behaard, grijs of bruin afstekend op de huid. De andere soort echter, en ik raad u aan hiervan, dames en heren, een aantekening op te schrijven, is als een vrucht, een kleine pompoen of komkommer, die door het dunne steeltje, waaraan hij hangt, uit het lichaam wordt gevoed.’ Hij stond op achter de schrijftafel en vroeg: ‘Heeft iedereen dit begrepen?’

‘Wat is erger?’ dacht hij. ‘Het boeren? Het spreken met een volle mond bij het brood eten, waarbij vochtige kruimels worden rondgeschoten?’ ‘Dit college is geëindigd,’ zei hij hardop, ‘dames en heren, ik groet u.’

Hij sloot de gastoevoer van de kachel af, schakelde het licht uit en liep langzaam door de gang.Toen hij de huiskamer binnenkwam, stond de radio aan. ‘Verdomme,’ zei hij, ‘als je hem aanzet, stem hem dan goed af. Hij staat er naast. Horen jullie dat gekras en geschuur niet?’ ‘Kak in hun oren,’ mompelde hij zacht en verbeterde de afstemming. Een cowboylied eindigde. ‘In Laren woont een Jan en in Deventer,’ zei de omroeper, ‘die vandaag beiden jarig zijn. De Jan in Laren wordt gelukgewenst van Pollie en de familie Buning. De Jan in Deventer van alle familieleden. De Sneeuwweg hoort u niet, maar ik denk, dat u de tango Waarom Niet wel graag zult horen, nietwaar Jan in Deventer? U bent immers pas weer thuis en helemaal beter.’

‘Tegen achten is het al,’ dacht Frits. ‘Viktor zal nog wel even langs komen.’ ‘Heb je de advertentie gelezen, Frits,’ vroeg zijn moeder, ‘dat het kindje van Evert dood is?’ ‘Nee,’ zei Frits, ‘dat was naar het ziekenhuis gebracht, niet? Hoe oud was het?’ ‘Vier maanden,’ zei ze, ‘naar hè?’ ‘Och,’ zei Frits, ‘dat weet ik niet. Misschien was het zwak in het hoofd geworden, of het had de vetschurft kunnen krijgen. Daar hebben we niets aan. Wat niet deugt, kan beter opgeruimd.’ ‘Je bent gek,’ zei ze. ‘Ik heb de schijn tegen me,’ zei Frits, ‘maar je hebt ongelijk.’ ‘Wat is er weer aan de hand?’ vroeg zijn vader. ‘Ach, hij zegt, dat het goed en best is, dat het kind van Evert dood is,’ zei zijn moeder. ‘Nee,’ zei Frits, ‘dat zeg ik helemaal niet.’ ‘Luister er toch niet naar, hij zwetst maar wat,’ zei zijn vader.

‘Als laatste plaat van dit verzoekprogramma hoort u Grootvaders Klok in de bewerking van Tulleman,’ zei de radio; ‘voor het personeel van de radiocentrale in Rotterdam en de heer en mevrouw Blijding in Hilversum.’ Frits kneep zich op de maat van de melodie in de linker wang. ‘Ik moet goed alles overdenken,’ dacht hij, ‘ik moet eens goed kunnen nadenken.’

Hij ging de gang in, bleef voor de trapdeur staan en trok opeens zijn jas aan. ‘Ik zal zien, dat ik Louis meeneem,’ dacht hij, ‘een beetje tijdig weg.’ Hij verliet zonder gerucht het huis.

Aan de rivier zag hij op Louis’ kamer licht branden. Hij belde aan. ‘Als je vlug bent,’ riep hij naar boven, toen de deur geopend was, ‘kan je mee naar Lantaarn.’ Er werd boven aan de trap licht aangestoken en hij zag Louis in een blauw overhemd staan. ‘Dat zal niet gaan,’ riep hij, ‘ik heb bezoek. Viktor is hier.’ ‘Natuurlijk,’ zei Frits bij zichzelf, ‘ik had alles vooruit kunnen weten.’ ‘Ik zal ze zien te verkopen,’ riep hij terug en trok de deur achter zich dicht. ‘De dag is hol en deze avond geheel leeg,’ mompelde hij. ‘Er blijft nog een kans. Laat ik langs Jaap gaan.’

Hij liep in een sukkeldraf voort en zwenkte de gracht met de pakhuizen op. Op nummer een en zeventig zag hij Jaap samen met Joosje een kinderwagen de stoep afdragen.

‘Ik heb een plaats over voor kwart over negen in Lantaarn,’ zei hij na de begroeting, ‘maar ik geloof, dat je andere plannen hebt.’ ‘Inderdaad,’ zei Jaap, ‘we zijn op weg naar mijn ouders. Dat is een eind dezelfde kant op. Loop je mee?’
De kinderwagen hobbelde op de granieten keien. ‘Eén plaats?’ vroeg Jaap. ‘Wie was de ander?’ ‘Die ken je niet,’ antwoordde Frits, ‘die is ziek geworden.’ ‘Je raakt hem toch wel kwijt?’ vroeg Jaap.

‘Dat wel,’ zei Frits, ‘maar je weet nooit, wie je naast je krijgt. Het kan wel een tekstlezer zijn.’

‘Wat zei je?’ vroeg Joosje, ‘een wat?’ ‘Een eenvoudige tekstlezer,’ antwoordde Frits. ‘Ik geloof, dat ik weet, wat je bedoelt,’ zei Jaap. ‘Je hebt twee soorten,’ zei Frits, ‘zoals bij zoveel dingen. Je hebt de uitbundigen, die lachen en uitleg geven aan wie bij hen zitten. Die zijn heel erg.’ ‘Ja,’ zei Jaap grinnikend. ‘Maar de tweede groep, die is veel erger,’ ging Frits voort. ‘Dat zijn de lui, die de tekst onder het beeld hardop lezen. Oei oei. Jezus Christus, dat is iets ontzettends. Als je zoiets naast je hebt, tref je het. En denk niet, dat er iets aan te doen is. Zeg maar niets: het is geen onwil, maar ze begrijpen eenvoudig niet, wat je bedoelt. Je kan hard tegen de mensen voor en achter je zeggen: hij moet het lezen bijhouden, anders verleert hij het; maar dat helpt niets. Ze zijn hard als albast. Je kan gaan gillen, tot het licht opgaat, maar dan krijg je de hele zaal tegen je. Begin er niet aan.’

‘Zo,’ zei Joosje, ‘kun jij daar zo slecht tegen? Mij kan het nooit schelen.’ ‘Maar mij wel,’ zei Frits. Jaap en Joosje sloegen rechts af. ‘Tot morgen,’ zei Frits, volgde een lange, smalle straat en bereikte in looppas de bioskoop. De portier zette juist een groot bord met ‘uitverkocht’ buiten. Frits ging de hal binnen, waar het vol was van wachtenden. Hij haalde zijn biljetten te voorschijn en keek om zich heen, toen hij op de schouder werd geklopt. ‘Onbegrijpelijk zijn zijn wegen,’ dacht hij, ‘het is Maurits.’ ‘Ik kom je op de minst gelegen ogenblikken tegen,’ zei hij. ‘Ik moet een plaats hebben,’ zei Maurits, ‘weet jij er nog ergens een te krijgen?’ ‘Ik heb er één,’ zei Frits, ‘ik had liever iets anders naast me, maar het kon erger. Eén vijf en vijftig.’ ‘God zal me bewaren,’ zei Maurits, ‘je houdt te veel geld over, geloof ik.’ Hij betaalde en nam de kaart met het bespreekbiljet in ontvangst. ‘Je krijgt je geld terug en eerste klas gezelschap naast je,’ zei hij, ‘beter kan je het niet treffen.’

‘Wou je meisje niet mee, Frits?’ vroeg hij, toen ze naar hun plaatsen waren gebracht. ‘Ze kan niet tegen dit soort films,’ zei Frits. ‘Verrek,’ vroeg Maurits, ‘heb jij er dan een?’ ‘Je kan er beter een hebben, die niet mee wil naar de bioskoop, dan helemaal geen,’ antwoordde Frits. ‘Jij zit zonder; ik geloof ook niet, dat jij ooit iets krijgt. Je bent wel erg afstotend. Verschrikkelijk moet dat zijn. Wat een lot.’

‘Godverdomme,’ zei Maurits, ‘hoe zie ik er uit? Hoe vind je mijn uiterlijk?’ ‘Bepaald uitnodigend tot geslachtelijk verkeer kan het niet genoemd worden,’ zei Frits, ‘maar ik ken lui, die er slechter aan toe zijn.’ Op het doek verschenen gekleurde reklames. ‘Ik heb die vrouw van jou nog nooit gezien,’ zei Maurits.

‘De hele kwestie is, dat je niet met het andere geslacht kunt omgaan,’ zei Frits. ‘Het lijkt mij niet verstandig om het meisje na de gemeenschap zo krachtig uit het bed te trappen, dat ze er twee dagen mank, althans gebrekkig van loopt.’ Maurits lachte.

‘Je praat net zo als die dokter,’ zei hij, ‘uit een Franse film, uit – – , ik weet niet meer, hoe die heet. Maar je onthoudt veel te goed, wat ik je vertel. Klets je dat aan iedereen uit?’ ‘Dat ligt er aan,’ zei Frits.

Het journaal begon. Toen het licht weer opging, zei Maurits: ‘Hoe vind je nou eerlijk, dat ik er uitzie?’ ‘Ach,’ zei Frits, ‘je ziet er gewoon uit, net zo plat als ieder ander. Bovendien, vrouwen letten helemaal niet op het uiterlijk.’

Langzaam doofde het licht uit en de hoofdfilm begon. ‘Deze is van het goede soort,’ dacht Frits, toen hij vijf minuten had geduurd.

Na afloop liepen ze langzaam de straat uit. ‘Nog net één plaats vrij, meneer,’ zei Frits in het Engels, de vinger opstekend. ‘Dat was ongelooflijk goed.’ ‘Jij moet ook links af, niet?’ vroeg Maurits, ‘we kunnen samen.’ ‘Van kwijt raken is geen sprake,’ zei Frits, ‘dat zie ik wel.’ Maurits zweeg. ‘Weet je waar ik aan dacht?’ ging Frits door, ‘dat jij nooit iets aan de stereoskopische film zult hebben, dan zie je alleen allerlei door elkaar gegooide stukken kleur.’ ‘Laat ik kijken, hoe ver ik gaan kan,’ dacht hij. ‘Het is beroerd,’ zei hij, ‘als je maar één oog hebt.’

‘De nieuwe soort stereoskopische film, die komt, is zonder bril te zien,’ zei Maurits. ‘Jawel,’ zei Frits, ‘maar de diepte zie je alleen met twee ogen. Ik vind, dat je de dingen zo moet zeggen, als ze zijn. Of ben je op dat punt gevoelig? Je mag je hart uitstorten, ik ben bereid je ziel als een rot ei tegen het licht te schouwen. Zeg het dokter maar eens. De diepste gevoelens der ziel.’ Ze gingen de brug over. ‘Als je maar één oog hebt, ben je natuurlijk sadist. Vertel daar eens iets van.’

‘Ik weet nooit, of je me belazert,’ zei Maurits, ‘je maakt een hoop drukte, maar je wilt graag iets weten. En ik ben altijd zo stom om te praten.’

‘We staan hier met de mikrofoon, geachte luisteraars,’ zei Frits met een kraaiende stem, ‘in de werkkamer van de heer Maurits Duivenis, de beroemde oude hoer. Meneer Duivenis, misschien mogen we u enkele vragen stellen.’ ‘Word je hier kwaad om?’ vroeg hij met een gewone stem. Ze volgden langs het water het wandelpad van gemalen baksteen. Waar op het ijs zwarte plassen water stonden, waren eenden bijeen gekropen. ‘Wie zou je graag als slachtoffer uitkiezen?’ vroeg Frits. ‘Leeftijd, geslacht en aard van de mishandeling; vooruit maar.’

‘Ik zou graag jongetjes in het bos wurgen,’ zei Maurits langzaam, ‘heel eenvoudig.’ ‘Dat is flauw,’ zei Frits, ‘weinig oorspronkelijk. Bovendien pervers.’ Hij schoot in een lach. ‘Ken je die van die man bij de psychiater? Die kwam op spreekuur en zegt: dokter, ik ben verliefd op een paard. Is het een merrie of een hengst? vraagt de dokter. Hij zegt: dokter, u denkt toch niet, dat ik abnormaal ben?’ Maurits lachte niet.

‘Kom, kom,’ zei Frits, ‘je bent wat zwijgzaam. Hoe sta je tegenover het schroeien van het lichaam met een gloeiende sigaret? Lijkt je dat niets?’ ‘Hoe kom je daarbij?’ vroeg Maurits. ‘Ik breng je op weg, dat is alles,’ zei Frits, ‘wie zou je wel in aanmerking willen laten komen?’

‘Je bent zo dadelijk thuis,’ zei Maurits, ‘kunnen we niet in een café gaan zitten?’ ‘Ik vind het te laat,’ zei Frits. Ze zwegen enkele sekonden. ‘Of voel je meer voor het mes?’ vroeg Frits. ‘Ja,’ zei Maurits op gedempte toon, ‘ik moet op elke wond een klein beetje bloed zien. Loop zo ver mee.’ Ze sloegen twee straten voor de gracht, waar Frits woonde, rechts af, liepen daarna eenmaal links en daarop weer rechts af en klommen een stoep boven een slagerij op. ‘De oude lui slapen,’ zei Maurits, ‘maak geen lawaai.’ Hij opende de buitendeur en ging Frits op de onverlichte trap voor. Op de omloop van de derde verdieping zei hij: ‘Pas op de teil met kolen. Houd rechts aan.’ Hij morrelde in een slot, tot hij opeens voorover struikelde. ‘Verdomme,’ fluisterde hij, ‘ik sta te peuteren, terwijl hij open is.’ Hij leidde Frits in volkomen duisternis een kamer binnen, sloot de deur en stak licht aan. ‘Nou moet je niet zeggen: mensenlucht,’ zei hij. ‘Dat is afgezaagd.’

Ze stonden in een klein, vierkant kamertje met donker behang. Er stonden een opklapbed, twee stoelen en schuin in de hoek een schrijftafel. Aan de muur hingen gedrukte teksten van gedichten en een masker van papier maché. ‘Ga zitten,’ zei Maurits. Ze zwegen even. ‘Wat is de zin van deze samenkomst eigenlijk?’ dacht Frits. Maurits verbond electrische snoeren met elkaar, stak een leeslamp met roze linnen kap aan en deed het plafondlicht uit. ‘Heb je die jas nog in voorraad?’ vroeg Frits. ‘Die is in geldswaarden omgezet,’ antwoordde Maurits. ‘Helaas kan ik je geen sigaret aanbieden.’ ‘Kan ik ergens pissen?’ vroeg Frits. ‘Niet zo hard,’ zei Maurits, ‘nee, je kan de gang niet uit. Dat maakt te veel lawaai.’

Hij schoof zijn stoel van achter de schrijftafel voorzichtig midden in de kamer, tegenover die van Frits. Ze spraken met gedempte stemmen. ‘Laten we de zitting niet te lang laten duren,’ zei Frits. ‘Het loopt tegen twaalven.’

‘Ken je die jongen van Knip?’ vroeg Maurits. Frits knikte. ‘Met die lange nagels en dat haar, dat te lang is. Die zou ik graag eens te pakken nemen.’

‘Wat heb je voor bezwaren tegen zijn persoon?’ vroeg Frits. ‘Ik vond het op school altijd een gewone, ongevaarlijke nul. Zie je hem vaak?’ ‘Hij leent wel eens een diktaat van me,’ zei Maurits, ‘hij woont hier vlak bij, in de Boomstraat.’ ‘Dat weet ik. Maar wat heeft hij je voor nadeel berokkend?’ vroeg Frits. ‘Niets, jongen, helemaal niets,’ antwoordde Maurits, ‘is dat een bezwaar?’ Hij grinnikte. ‘Hij ergert me.’

‘Nu moeten we in bizonderheden treden,’ zei Frits, ‘en de gewenste handelingen met eenvoud en verstand beschrijven. Gesteld: hij is gevangen. Wat doe je dan? Ik ben dokter.’

‘Naakt op een tafel binden,’ zei Maurits, beide lippen tussen de tanden brengend. ‘Ruggelings of op de buik?’ vroeg Frits, ‘u moet het zeggen, het is voor uw eigen bestwil.’ ‘Natuurlijk op de – op de – op de rug natuurlijk,’ zei Maurits langzaam, Frits scherp aanziend. ‘Is dat goed?’

‘Uitstekend,’ zei Frits, zich in de handen wrijvend. ‘Het is hier aardig koud. Ga door. Je werkt met het mes. Wat wil je, een prop in de mond of niet? Ik bedoel: gesteld, dat het in een kelder is, waar niemand anders iets kan horen.’ ‘Laat maar schreeuwen,’ zei Maurits, ‘ja, laten schreeuwen.’ Hij verzonk in een nadenkende houding.

‘Best,’ zei Frits, ‘en verder?’

‘Het moet een kort mesje zijn, als van een houtsnijder,’ zei Maurits; ‘een lang heft en een heel kort, maar heel scherp, dun, – eh – ’ ‘Lemmet,’ zei Frits. ‘Ja, een halve centimeter is lang genoeg. Dan eerst de punt op de huid zetten, zacht duwen en dan, niet te diep, kerven.’

‘Zeer belangwekkend,’ zei Frits. ‘Waar snij je, en hoe? Wil je vellen er bij laten hangen, echt vernielen, of alleen maar mooie, gewone sneden maken, niet te diep en niet te lang?’ ‘Gewoon,’ antwoordde Maurits, naar de grond kijkend. ‘Waar snij je?’ ‘In de armen, benen en in het gezicht.’ ‘Goed,’ zei Frits, ‘geen verminkingen van een bepaald lichaamsdeel?’ Maurits schoof zijn stoel naar voren. ‘Wat bedoel je?’ vroeg hij, zijn gezicht vlak bij dat van Frits brengend. Hij hijgde. ‘Ik ben te ver gegaan,’ dacht Frits. Hij keek gespannen naar Maurits’ voorover gebogen gestalte. ‘Je adem is bijna niet bedorven,’ zei hij. ‘Stink ik?’ vroeg Maurits. ‘Je moet sinaasappelschillen eten,’ zei Frits, ‘dat is het middel.’

Ergens in het huis sloeg een klok één slag. ‘We zijn nog niet klaar,’ zei Frits. ‘Gesteld, dat je nergens last mee zou krijgen. Hoe zou je hem dan doodmaken. Wurgen? Of dood ranselen? Je maakt hem toch dood, niet?’ ‘Allicht,’ zei Maurits, de vingers van zijn rechter hand bijna geheel in de mond stekend. ‘Eerst ranselen. Een paar uur achter elkaar. Met bijkomen. En dan wurgen. Met de handen.’

Hij sprong op, kwam vlak voor Frits staan en boog zich een ogenblik over hem heen. ‘Inderdaad,’ dacht deze, ‘ik ben te ver gegaan.’ Hij verroerde zich niet. ‘Toen ik een jaar of drie was,’ zei hij bij zichzelf, ‘toen deed ik mijn handen voor mijn gezicht, als ik bang was en dan riep ik: ik ben er niet. Dat vertelt mijn moeder tenminste altijd. Ik moet blijven zitten. Me niet vreesachtig tonen.’

‘Wat denk je?’ vroeg Maurits, die weer ging zitten. ‘Ben ik normaal?’

‘Het is altijd gevaarlijk zieken hun toestand mee te delen,’ zei Frits, ‘het is niet juist om tegen iemand te zeggen: je hebt de vliegende tering. Dag!’ Maurits vertrok zijn gezicht in een glimlach. ‘Je ziel is in nood,’ ging Frits voort, ‘maar gek ben je niet. Het is een onschuldig, gezond sadisme. Het is heel wat anders, dan die kerel op de Marktweg. Stok met een lap.’

‘Wie is dat?’ vroeg Maurits. ‘Die kerel heeft een zuurkraam,’ zei Frits. ‘Hij heeft de vallende ziekte. Als het zo ver is, dan bijt hij altijd zijn tong kapot. Hij heeft een houten stokje, met lappen er om heen. Als hij een aanval voelt aankomen, dan zegt hij: uh! a! gr! En dan stopt hij die stok tussen zijn tanden en valt achterover.’ Hij sprak hees van het lachen. Maurits grinnikte mee. ‘Wacht even!’ riep Frits, ‘geef me even dat stokje aan. Ik zal u straks helpen, dame.’

‘Ik moet weg,’ zei hij. Maurits deed hem uitgeleide en liet kamerdeur en trapdeur open staan, tot Frits beneden was.

‘De hemel is helder en hoog geworden,’ dacht deze, toen hij buiten stond. De sterren gaven een doordringend, blauw licht. Hij stampte met de voeten en liep, na tegen een boom te hebben gewaterd, snel naar huis.

Toen hij zijn jas aan de kapstok had gehangen en de sjaal in de zak wilde stoppen, voelde hij iets groots en hards. ‘Dat is Viktors boekje,’ mompelde hij en trok het er uit. Hij ging zijn slaapkamer binnen, liet zich achterover op zijn bed vallen en bladerde.

‘Onze innerlijke dierenwereld.’ luidde het hoofdje van een alinea op bladzijde honderddertien. ‘Ik ken een vrouw, zegt dokter Janet,’ las hij, ‘bij wie de woorden, die ze, buiten zich, hoort uitspreken, van binnen worden herhaald. Geëchood. Nagebauwd. Alsof er een aapje zat, van binnen. Ik ken een ander, in wie de stem van binnen, ongevraagd en tot vervelens toe, de namen noemt van de dingen, die de ogen zien. Dat is een steen. Dat is een boom. Dat is een paardekeutel. Net als een klein jongetje, dat met zijn vader wandelt en al maar door zijn waarnemingen meedeelt. Steen, papa. Boom, papa.’

Hij bladerde verder. ‘Janet: de heren zullen zich,’ las hij, ‘gewis het geval herinneren van de dame Oem, van wie een poes gestorven was. Ik kan hun, tot mijn groot genoegen, melden, dat zij geheel is hersteld. Dank zij een bizondere geneeswijze, die ik, in dit geval, heb toegepast. Ik heb juffrouw Oem een nieuwe poes gegeven.’

Hij zuchtte, wierp het boekje op de schrijftafel en liep zachtjes op en neer. Daarna nam hij de spiegel van de muur, ging op het bed zitten en bekeek het beeld. ‘Frits van Egters,’ zei hij, ‘je kon er voordeliger uitzien.’ Hij ging aan zijn schrijftafel zijn gebit bekijken, betastte twee stalen kronen in de bovenkaak en zei: ‘Wit goud.’ Daarop opende hij het boek van Viktor op bladzijde twee honderd twee en zestig en las: ‘Er is een verhaal van een man, die snachts in een lange, donkere gang liep, met een kandelaar, een brandende kaars. Hij dacht er vol schrik aan, hoe ijselijk het zou wezen, als zijn lichtje uitging en in die schrik, dat hij werkelijk zijn lichtje zou kunnen zien verdwijnen en dat het pikdonker zou worden, begon hij te blazen en blies het kaarsje uit.’

Hij sloot het boek en bleef er geruime tijd mee in de hand zitten. Eindelijk legde hij het op het boekenkastje, kleedde zich uit, legde de spiegel op de grond en bekeek er zich naakt in, als in een wateroppervlak. ‘Ik ben een kegel, of een trechter, al naar je wilt,’ zei hij. Daarop stapte hij in bed.

Het duurde ruim een half uur, voor hij zijn gedachten tot rust had gebracht. Het bed begon te bewegen. ‘Dat is vervelend,’ dacht hij. ‘Schei uit met die nare aardigheid,’ zei hij, ‘of ik geef je een rotklap, ja waarachtig, dat doe ik.’ Spoedig echter merkte hij, dat hij in een auto zat, die met grote snelheid over een modderige straatweg vol plassen reed. ‘Ik moet niet op klaarlichte dag suffen,’ dacht hij. Opeens merkte hij, dat hij zelf de bestuurder was en dat er verder niemand in zat. ‘Hoe ver heb ik al slapende gereden?’ dacht hij, krampachtig het stuur hanterend. De auto slingerde gevaarlijk. Hij probeerde vaart te minderen, maar kon alleen pedalen vinden, die de snelheid opvoerden.

‘Nu gaat het nog goed,’ dacht hij, ‘maar de weg eindigt.’ Toen hij een bocht doorgesuisd was, stortte de wagen onverwachts in een kuil en sloeg over de kop, maar hij kroop er ongedeerd uit. Voor hem lagen op de weg twee grote autobussen op hun zij. Overal hoorde hij gewonden schreeuwen. Toen hij dichterbij kwam, zag hij, dat onder een van de bussen mensen bekneld lagen: hun darmen waren op verschillende plaatsen uit hun lichaam geperst. Hun ogen puilden zo ver uit, dat ze over hun gezicht hingen. Hij werd misselijk.

‘Hoeveel doden zijn er?’ vroeg hij aan een chauffeur in een blauw pak. ‘Doden zijn er niet,’ antwoordde deze, ‘alleen twee zwaar gewonden; die moeten we eens goed schoonmaken, dan kunnen we zien wat ze scheelt.’ ‘En die dan?’ vroeg Frits, op de beknelde lichamen wijzend, ‘waarom wordt daar niets aan gedaan?’ ‘Vindt u dat werkelijk nodig?’ vroeg de man glimlachend. Opeens was hij verdwenen.

Er werden twee gewonden in de sloot aan de kant afgespoeld. Toen alle vuil van hen afwas, bleken ze ongedeerd te zijn. ‘Nu die lui ginds er onder weg halen,’ zei Frits, maar niemand luisterde. Hij redeneerde urenlang met de verschillende omstanders om ze van de noodzakelijkheid van hulp te overtuigen. Het begon schemerig te worden. Eindelijk had hij vijftien man bijeen, die wilden helpen.

‘Nu heb ik geen kracht meer,’ dacht hij. Hij kon zich nauwelijks bukken. Terwijl een groep de auto optilde, trokken anderen de slachtoffers er onder uit. Darmen en ogen trokken langzaam weer volledig in het lichaam. ‘Het is nu ook geen weer om op reis te gaan,’ zei de chauffeur in het blauwe pak.

Hij werd wakker; het was vier uur. ‘Laat ik alle gedachten los laten,’ dacht hij, ontspande in enige diepe ademhalingen het lichaam en sliep weer in.