Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk vijf van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk. Vandaag: hoofdstuk vijf.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk vijf van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Om negen uur, toen het goed licht was geworden, werd hij wakker. ‘De tweede dag van Christus is aangebroken,’ dacht hij. ‘Het is vrijwel zeker,’ zei hij hardop, toen hij de hemel boven de huizen bekeek, ‘dat het helder, droog weer wordt. Laat ik niet te lang blijven liggen.’ Om twintig minuten over negen stond hij op.

Luister hieronder het hele vijfde hoofdstuk

Terwijl hij zich stond te wassen, kwam zijn vader, geheel aangekleed, de keuken binnen en bleef de wacht houden bij de ketel, waarin het water reeds zong. ‘Goeden morgen, mijn jongen,’ antwoordde hij, toen Frits ‘morgen’ had gezegd. Hij deed drie eieren in een leeg pannetje, zette dit op een gasvlam en goot er het water uit de ketel, dat aan de kook was gekomen, in. ‘Wat doe je in godsnaam?’ vroeg Frits’ moeder, die in een roze nachtjapon binnenkwam, ‘kook je eieren? Eieren leg je in het water, als het hard kookt. Dit is geen eieren koken. Nu is het water van de kook en moet je een paar minuten wachten, voor het weer begint. Dan weet je nooit, wanneer ze goed zijn.’ ‘Doe je je witte wollen slipover aan, Frits?’ vroeg ze. Daarna begaf ze zich naar het closet.

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het vijfde hoofdstuk op locatie in:

Aan het begin van het ontbijt werd niet gesproken. ‘Het begint goed,’ dacht Frits. Zijn vader zuchtte telkens als hij een boterham nam. ‘Alsof het opheffen en inhalen van de arm een zware arbeid is,’ dacht Frits. Zijn moeder keek op haar bord en schonk thee in. ‘Hoe lijkt je het weer, vader?’ vroeg Frits. ‘Het lijkt niet zo slecht,’ antwoordde de man, een blik naar buiten werpend.

Toen Frits zag, hoe zijn vader langzaam het gepelde ei over zijn brood verdeelde, maar niet wist, waar hij de doppen in de handpalm moest laten en onhandige, hulpeloze gebaren maakte, dacht hij: ‘Ik moet iets doen.’ ‘Waar wacht je op?’ vroeg zijn moeder. Hij stak zijn eigen, nog ongepelde ei in de mond, sloot de lippen en maakte door de neus, steeds luider en sneller, kakelende geluiden. Met opengesperde ogen keek hij zijn ouders om beurten aan en liet daarna het ei op zijn bord vallen. Zijn moeder glimlachte, maar zijn vader keek verbaasd, het gezicht vertrekkend als iemand, die tegen de zon inkijkt.

Toen ze gereed waren, stond zijn vader op en liep de gang in. Frits hoorde hem zijn jas van de kapstok nemen, de zijkamer inlopen en op zijn buro met papier ritselen. Daarna hoorde hij hem weer de gang inkomen, de trapdeur voorzichtig openen en zacht sluiten. ‘Hij is weg,’ zei hij. ‘Laat hij in Utrecht maar zijn plezier hebben,’ zei zijn moeder, ‘het zal mij een zorg zijn.’ Bij de laatste twee woorden haperde haar stem. ‘Ik ben niet van plan alleen hier de hele dag te blijven zitten,’ zei ze, opeens huilend, ‘ik ga naar Den Haag.’ ‘Niemand let je,’ zei Frits, ‘God zal je leiden. Je hebt gelijk.’

Ze slikte, kuchte, zette haar bril af, veegde haar ogen uit en zette de bril weer op. Daarna ruimde ze de tafel af en trok haar jas aan. ‘Staat die jas gek bij die muts?’ vroeg ze. ‘God beware ons,’ dacht Frits, ‘wat een combinatie.’ ‘Een leuke, eenvoudige dracht,’ zei hij, ‘die bij je past. Stemmig en niet opzichtig.’ Ze nam haar leren hengseltas en liep de gang in. ‘Wanneer denk je terug te zijn?’ vroeg hij. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze hees, zonder om te kijken.

‘Wat gaan we nu doen?’ zei hij hardop, toen ze de deur had dichtgetrokken en om de hoek van de straat was verdwenen. ‘Laat ons de dag op welbestede wijze doorbrengen. We laten ons door niets ontmoedigen. Veeleer worden we door kleine en grote tegenslagen gelouterd.’ Hij ging tegen de muur staan en maakte met een potlood boven zijn hoofd op het behang een kras. ‘Eén meter zeventig op zijn minst,’ zei hij. ‘Wat wordt het hier toch koud.’ dacht hij en keek in de kachel. Er was geen vuur te zien en hij kon zijn hand op de mantel houden. ‘We zullen hem eens leeghalen,’ zei hij, haalde het stofblik uit de keuken en begon de inhoud met de handen er op te scheppen. Toen hij een eind was gevorderd, werden de as en de sintels zo heet, dat hij niet verder kon. ‘Toch moet alles er uit,’ zei hij, haalde een melkkan vol water en goot die langzaam, door een gaatje in de kop, in de kachel leeg. Hij wachtte even, als de stoomvorming te hevig werd en ging door, tot geen geluid meer te horen was. Een zure lucht steeg op. Hij groef de dampende, zwarte stukken uit en vond onderin, vlak boven het rooster, twee gekruiste sleutels; de baarden waren vervormd en de stelen op elkaar vastgesmolten. Het buitenste deel van het metaal liet zich als een droge korst afpellen. Hij legde de vondst in een kartonnen doosje en zette dit op tafel. Hierna legde hij een nieuw vuur aan en keek door de opengezette reetjes van de vulklep in de vlammen. Kleine plukjes rook werden wazig en verspreidden zich in de kamer. ‘Het lijkt wel,’ zei hij zacht, de radio inschakelend en aan het raam tredend, ‘of de zon door komt.’ ‘U hoort thans de kantate voor de tweede kerstdag van Johan Sebastiaan Bach,’ zei de omroeper. Frits stemde het toestel zuiver af, holde naar zijn slaapkamer, kwam met zijn shagdoos terug en rolde, op de divan gezeten, zo snel een sigaret, dat hij deze kon aansteken op het ogenblik, dat het onregelmatige geraas van het stemmen van muziekinstrumenten had opgehouden en hij het tikje van de dirigent hoorde. ‘Nu ben ik gelukkig,’ zei hij hardop en grinnikte.

Het concert zette in met een voorspel van violen en trompetten. ‘Als er nu maar niet gebeld wordt,’ dacht hij, ging voorover zitten en keek zijdelings, door de mika ruit, naar de vlammen en vonken.

Na de kantate volgden drie liederen voor sopraan, viool en orgel. Toen deze voorbij waren, zei de omroeper: ‘Tot kwart voor twaalf luistert u naar het Lunagezelschap.’ Er kwam zachte, trage walsmuziek. Hij draaide het toestel af, matigde de luchttoevoer onder aan de kachel en rekte zich uit. ‘Ik ga een eind lopen,’ zei hij.

Buiten was het zonlicht teruggedrongen tot een scherp, grijs schijnsel. Hij haalde diep adem, trok zijn buik in en liep de rivier langs in de richting van de binnenstad. Na enige tijd sloeg hij een brede straat in en liep langzaam voort, vluchtig elke etalage bekijkend. ‘Een tram neem ik niet,’ dacht hij, ‘dat is zuinig. Ik ga toch nergens heen.’ Hij sloeg rechts af en kwam op een breed plein. Hij maakte zich gereed over te steken, toen een man hem naderde, naast hem kwam staan en zei: ‘Van Egters.’ ‘Kijk,’ zei Frits glimlachend, ‘je bent er dus nog.’ Geen van beiden had een hand uit de zak gehaald.

De man was iets korter van gestalte dan Frits en had zijn linker oogholte bedekt met een zwart, ovaal lapje, dat door een donker koordje om het hoofd op zijn plaats werd gehouden. Zijn neus was klein, de mond had dunne, korte lippen en de huid van het hele gezicht had een onfrisse bleekheid. Op de schedel groeide dun, gekruld, geel haar. De grijze jas was te kort en sloot te ruim.

‘Je bent zeker op weg naar huis?’ vroeg Frits, ‘ik moet in de stad zijn.’ ‘Dat is een voorzichtige uitdrukking voor: ik neem het je niet kwalijk, dat ik je tegen kom,’ zei de ander. ‘Zo zou je het kunnen noemen. Maurits,’ zei Frits.

‘Je hebt me in ieder geval weer een gore zet geleverd, Egters,’ zei de man. ‘God beware! Wat dan?’ vroeg Frits. ‘Ja, verdomme, die Lande en dat wijf van hem aan de deur.’

Ze stonden grinnikend tegenover elkaar. ‘Laten we een kop koffie gaan drinken,’ zei Maurits, ‘je hebt toch wel even tijd?’ ‘Nou, als het niet te lang duurt,’ zei Frits, ‘ik moet vanmiddag nog ergens heen.’ ‘In de Zonsteeg kan je rustig zitten,’ zei Maurits. Ze volgden een propvolle straat, passeerden twee grachten en gingen in een smal straatje een café binnen. Een radio murmelde er zacht. Ze zochten een afgeschutte hoek op en gingen aan een tafel met een oranje schemerlamp zitten. Frits bestelde koffie.

‘Hoe zit het in elkaar?’ vroeg hij, ‘waarom heb je dat geld gepikt? Heeft hij het terug?’ ‘Ja jongen, verdomme, natuurlijk heeft hij het terug,’ zei Maurits, ‘maar jij hebt je bek weer voorbijgepraat.’ ‘Nou, laten we het daar straks over hebben,’ zei Frits, ‘waarom heb je dat geld gepikt? Omdat je het niet laten kon?’ ‘Ik zit aan de grond,’ zei Maurits grinnikend, ‘ik zit geweldig aan de grond.’ Hij leunde achterover. ‘Ik heb niks meer. Ik heb veel uitgegeven en ik moet nog zo veel betalen.’ ‘Hoe gaat het dan met de misdadigheid?’ vroeg Frits, ‘levert dat niets meer op?’

‘Welnee, ik leef geweldig fatsoenlijk, ik heb in geen weken iets tot me genomen,’ zei Maurits, ‘ik studeer trouwens hard, ik wou volgend jaar nog mijn kandidaats doen.’ ‘Hoe kom je er toch bij om zo stomweg dat geld in te pikken?’ vroeg Frits, ‘het is toch duidelijk, dat het gemerkt wordt.’ ‘Dat gezeur allemaal,’ zei de ander, ‘jij had niet zo moeten zwetsen. Dat wijf ook nog er bij om op de trap schandaal te maken, dat ontbrak er nog aan. Ze zei, dat jij had gezegd, dat ik een misdadige aanleg had, dat je nog veel meer wist en dat je me tot alles in staat achtte. Het is verdomd geen manier van doen.’ ‘Dat heb ik helemaal niet gezegd,’ zei Frits. ‘Ja, klets nou niet,’ zei Maurits.

‘Ik zal je precies zeggen, wat ik gezegd heb,’ zei Frits. ‘Ik heb gezegd, dat je iemand was, die zwakke ogenblikken had, en dat ze dat moesten begrijpen. En je weet best, dat ik niet iemand ben om te zeggen: ik weet nog veel meer. Ik ben niet zoon oude hoer, om zo iets te zeggen. Ik zeg: dit of dat weet ik, of ik zeg niks. Dat ik gezegd heb: ik weet nog veel meer, dat hebben ze uit hun duim gezogen. Dat is altijd raak, je moest dat beter doorzien. Ze gooien een balletje op, om te kijken of het effekt heeft.’

‘En niet dat ik tot alles in staat was? En dat ze moesten oppassen? En dat ik een misdadige aanleg had?’ Hij slurpte speeksel weg.

‘Wat een onzin,’ zei Frits, ‘wat een dom geklets. Ik heb gezegd, dat je zwak was en dat je niet zoon bizondere eerbied voor eigendom had. Maar misdadig, het woord is helemaal niet gebruikt. Die lui jagen je op stang. Tot alles in staat? Ik heb gezegd: God weet, wat een mens doet, je kan het nooit vooruit weten. Is dat niet zo? Alles is in zijn hand.’ Ze lachten.

‘Trouwens,’ ging Frits voort, ‘als ik je kapot had willen maken, had ik dat makkelijk kunnen doen.’ Maurits kwam ver naar voren leunen en opende de lippen, zodat zijn tandvlees te zien was. ‘Ik heb toch nooit iemand iets gezegd, over wat op die gracht gebeurd is? Of over die telefoon? Daar praat ik niet over. Nooit, tegen niemand.’ ‘Verdomme,’ zei Maurits en legde de rechter hand op het tafeltje. ‘Korte vingers, opgegeten nagels,’ dacht Frits. ‘Je moet je mond houden,’ zei Maurits, ‘je kletst veel te veel.’ ‘Welnee,’ zei Frits, ‘ik weet wel wat ik zeg. Wees maar niet bang. Bovendien draag ik je een grote achting en genegenheid toe.’ Maurits grijnsde.

‘Weet je waar ik aan denken moet?’ zei Frits plotseling, ‘aan mijn grootvader, hij is nou dood, die oude hoer. Die vertelde heel langzaam, dat iemand hem eens iets had verteld en dat hij moest beloven, dat hij het aan niemand zou zeggen. De man was al dood, vertelde die oude. En toen vroeg ik: wat was dat dan, wat hij vertelde? Toen zei hij: dat mag ik niet zeggen, dat heb ik beloofd.’

Ze grinnikten. Maurits bestelde twee koffie. ‘Hoe denk je eigenlijk over mij?’ vroeg hij, toen de kellner de lege kopjes had weggenomen. ‘Je weet het,’ zei Frits. ‘Ik schat je hoog. Je bent van een verbijsterende, doordringende scherpzinnigheid, maar je gaat helaas de verkeerde kant op. Het wordt voornamelijk veroorzaakt door een gevoel van vernedering en miskenning, waarop de haat volgt. Precies als in de boeken.’

‘Hoe vind je mijn gezicht?’ vroeg Maurits. ‘Een scherp gezicht,’ zei Frits. ‘Als je een bril gaat dragen, met glazen waar geen rand om zit en van boven recht afgesneden, dan heb je een geweldige harde, doordringende kop. Je zit natuurlijk altijd met dat oog te prakkizeren.’ Maurits zweeg. ‘Ken je dat boek van die Amerikaan, met die kerel uit de garage met dat ene oog?’ ‘Nee,’ zei Maurits, met zijn hoofd op zijn hand steunend. ‘Die kerel had een lege holte,’ zei Frits, ‘en niks er op. Er liep vocht uit. En aldoor maar jammeren, dat hij geen vrouw kon krijgen. Maar het lag aan hemzelf. Een nette lap er op, zich goed wassen, dat was alles. Het ligt aan jezelf.’

‘Wat vind je van mijn haar?’ vroeg Maurits. ‘Je begint al een beetje kaal te worden aan de hoeken,’ zei Frits. ‘Juist niet,’ zei Maurits, zorgvuldig over het dun geplante, maar stugge haar strijkend, ‘ik laat het masseren de laatste tijd.

Het groeit geweldig bij. Ik merk het, dat het bijgroeit. Zie jij dat niet?’ ‘Maar je doet er een of ander goedje in, vet of zo iets,’ zei Frits, ‘dat is verdomd slecht. Je moet niets in je haar doen dan water. Dat is bewezen.’ ‘Zou dat zo zijn?’ vroeg Maurits. ‘Je mag nog zoveel werk van je haar maken,’ ging Frits verder, ‘als je er vette vuiligheid in doet, helpt het niets. Het verstopt de poriën, de huid wordt ontstoken.’

‘Ik denk aan wat je zegt van die bril,’ zei Maurits, ‘maar ik weet nooit, of je me zit te bedonderen. Daar krijg ik nooit hoogte van.’ ‘Ik bedonder de boel wel eens,’ zei Frits, ‘maar van die bril, dat meen ik.’ ‘Hoe was dat ook weer?’ vroeg Maurits. ‘Een bril zonder rand om de glazen,’ zei Frits, ‘ovale glazen. De poten in het glas vastgeklonken, en elk glas van boven recht afgeslepen; goed fonkelend, dan zul je eens wat zien.’ Maurits zweeg. ‘Laten we opstappen,’ zei Frits. Hij betaalde de rekening. Ze gingen dezelfde weg, die ze gekomen waren, terug.

‘Die kellners verdienen geld als poep,’ zei Frits, terwijl ze over het smalle trottoir voortliepen, ‘dat is een goede baan op het ogenblik.’ ‘Ik heb een tijd lang savonds geholpen in een bar,’ zei Maurits, ‘in De Clivia.’

‘Waarachtig?’ vroeg Frits, ‘dat is weer geheel nieuw. Wanneer?’ ‘Tot acht dagen geleden,’ zei Maurits. ‘Het wordt wel erg laat, hè?’ vroeg Frits, ‘maar het brengt wel wat op.’ ‘Ja, dat is wel zo,’ zei Maurits, ‘maar het is rot. Op een avond zit er weer zoon bezopen, vette kerel. Hij had het benauwd, dat zag ik. Ik vraag: wilt u ijs? Hij zegt: ja, op mijn hoofd. Allemaal lachen. En ik zet meteen een coupe vol, omgekeerd, op zijn kop. Ze lachten zich allemaal rot, maar ik kreeg de herrie. Je houdt het niet vol.’

‘En waar krijg je nu je geld vandaan?’ vroeg Frits; ‘de kleine misdaad?’ ‘Jij altijd met je misdadigheid,’ zei Maurits. ‘Maar wat je in het voorbijgaan mee kunt nemen, dat laat je toch niet staan?’ vroeg Frits.

‘Ik heb thuis een aardige jas te koop voor je,’ zei Maurits, ‘heb je tijd?’
‘Wacht eens,’ zei Frits, in zijn jaszak tastend, ‘ik heb die suiker nog bij me.’ Hij schudde uit het oranje papieren zakje enige klontjes op zijn hand en bood Maurits een deel ervan aan. Hierna zogen ze beiden even, zonder te spreken.

‘Ik heb op het ogenblik een goede overjas,’ zei Frits. ‘Bovendien lijkt het me riskant met een jas, die ik niet mijn wettig en overtuigend eigendom kan noemen, door de stad te lopen. Ik kan moeilijk zeggen: ik heb hem zelf gekocht en betaald, firma Maurits Duivenis, kleermakers. Wat is het er voor een? Waar is hij vandaan? Daar ben ik erg nieuwsgierig naar.’

‘Geruild zonder toestemming van de eigenaar,’ zei Maurits. ‘Ik had een regenjas, die erg rot en oud was, vol met vlekken. Ik heb hem geruild in een café in de Weststraat. Het is een mooie, zware gabardine. Het is natuurlijk pech geweest voor die man, toen hij dat oude vel van mij aan de kapstok zag hangen.’ Hij schoot in een giechelende lach.

‘Maar nu wat de fietsen betreft,’ zei Frits, ‘dat wou ik je toch opnieuw ontraden. Daaraan zijn werkelijk te veel gevaren verbonden. Je krijgt zo een jaar.’

‘In ernst,’ vroeg Maurits, ‘hoe denk je over mij?’ ‘Ik zal altijd je daden met belangstelling blijven volgen,’ zei Frits. ‘Ik hoop altijd nog, dat je het ver zult brengen. Maar de zaak is, dat je niets voor je kunt houden. Toen we smorgens met zijn tweeën naar school liepen, toen vertelde je al alles. Van die kast, daar heb ik mijn mond over gehouden. En van dat vuur in de fietsenkelder ook. En van die handkar. Tegen mij hindert het niet, maar je weet niet wat anderen doen.’ ‘Maar die vertel ik ook niet zo veel,’ zei Maurits. Dicht bij Frits’ huis namen ze afscheid met het opheffen van de hand. Frits sloot boven de gangdeur achter zich op de grendel, vulde de kachel bij en ging bij het raam zitten. Hij liep telkens naar de keuken om water te drinken, ging dan weer zitten, keek naar buiten en stond daarna weer op om te gaan drinken. ‘Het zonlicht heeft al niet veel kracht
meer,’ dacht hij. Het was twee uur.

Hij draaide een sigaret, stak hem, toen hij zijn aansteker niet kon vinden, met een lucifer aan en begon een vuurtje in de dikke, glazen asbak te stoken. Hij voegde lucifers, propjes papier en afgevallen blaadjes van tulpen toe, tot zich veel rook ging vormen en de vlam een handlengte hoog was geworden. Met een snelle beweging zette hij de heet geworden bak op de kachel, wachtte tot alle brandstof op was en maakte aan het roken een eind door op de asbak een boek te leggen. ‘Tot zo ver,’ zei hij en zette een raam open. De rook trok langs de muur snel naar boven; hij keek de dampslierten en stofdeeltjes na. Toen hij het raam had dichtgedaan, ging hij zijn slaapkamer binnen en bleef voor zijn boekenkast staan. ‘Ik zou vandaag uitstekend hier alles kunnen opruimen,’ dacht hij. Tot kwart voor vier bleef hij, huiverend, op het bed zitten en bladerde boek na boek door.

Hij kreeg honger, maakte zich in de keuken brood klaar en onderzocht de voorraad blikjes. Hij opende een zalmblik, at de inhoud met een eetlepel op en duwde het onder het afval in de vuilnisbak. Vervolgens at hij de helft van een hoeveelheid bruine bonen uit een schaal, nam drie plakken kaas uit de papieren winkelverpakking en kauwde ze langzaam op. Daarna zette hij een fles melk aan de mond en dronk zes diepe teugen. ‘Toch is dit geen maaltijd,’ dacht hij, nam een stuk vet uit een trommel, smolt het in de koekepan en doopte er brood in, dat hij, wegens de hitte lucht inzuigend tussen de tanden, met grote happen opat.

Daarna ging hij bij de kachel zitten en dacht na. ‘Ik wil een kerstboom zien,’ dacht hij, ‘bij Viktor is er een, dat weet ik zeker.’ Hij bleef enige uren zitten en schakelde de radio in. Op de middengolf vond hij geen muziek, die hem beviel en de lange kraakte, maar op de korte golf vond hij een Pools station, dat marsliederen uitzond. Hij zat achterover op de divan, terwijl de schemering inviel. ‘Dat heb ik vergeten,’ dacht hij, ging in de keuken een ei koken, hing het steelpannetje, goed schoongemaakt, weer op zijn plaats en wierp na het opeten de schaal in de kachel. ‘Bij Viktor kan ik niet eerder dan om zeven uur op zijn vroegst komen,’ zei hij hardop.

Hij ging de gang in, stak het licht aan, bekeek zijn gezicht van nabij in de spiegel en drukte zwarte vetputjes en een klein etterkopje naast de neus uit. ‘De poriën zijn wijd en grof,’ dacht hij, ‘de haren zijn wel hard, maar groeien te wijd uit elkaar. Dat is de reden, waarom ik geen snor kan laten groeien.’

Toen hij in de kamer terugkwam, sprak een vrouw voor de radio. Hij zocht de zenders af, schakelde tenslotte alleen maar van korte op lange golf heen en weer, gaf een klap op het toestel en zette het af. Hij kamde zijn haar, poetste zijn tanden en vertrok. Het was kwart voor zeven.

Hij liep langs de rivier Louis Spanjaards deur voorbij, ging de brug over en belde aan bij een hoog huis, dat aan de oprit van de brug lag en twee torenvormige uitbouwsels had. Een vrouw stond hem door een spreekbuis te woord, waarna de deur met een electrisch mechaniek openging. Hij liep drie brede trappen op, langs ramen met gekleurd glas en werd boven ontvangen door een jongeman met een blozend gezicht, zwart, gekruld haar en een bril. Hij droeg een manchester jasje en wreef zich in de handen. ‘Hoe maakt u het, kommandant Frits?’ vroeg hij. ‘Kom verder. Hier is het verdomd koud.’
Ze traden een kamer vol boekenkasten binnen. Op de vloer lag een zwaar kleed. Er brandde een Brabants potkacheltje. ‘Wou je meer licht hebben?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei Frits, ‘dat is zonde van de stroom.’ Op de schoorsteenmantel brandde een leeslamp met witte kap.

‘Hoe gaat het?’ vroeg de jongeman, ‘hoe is het thuis?’

‘Heel slecht,’ zei Frits op een opgewekte toon, ‘heel slecht, Viktor. Laten we de dingen bij hun naam noemen. Laat ons, als het slecht is, zeggen: slecht.’

‘Juist,’ zei Viktor, ‘slecht dus. En met je ouders?’ ‘Een heel schrandere vraag,’ antwoordde Frits, ‘dat is zoiets als te vragen, als het onweert: hoe is het weer op het ogenblik? Ach nee, dat is weer een flauwe vergelijking. In elk geval rot.’

Ze zaten vlak bij het kacheltje, waarin Viktor met een dik stuk ijzerdraad pookte. ‘Ja, ik luister,’ zei hij. ‘Ik krijg de zenuwen,’ zei Frits. ‘Ik wacht, tot ze zich opknopen of elkaar doodslaan. Of het huis in brand. In godsnaam dat maar. En waarom nog steeds niet? Maar laten we niet wanhopen. Uitstel is geen afstel.’

‘Ja, ja,’ zei Viktor, naar de grond kijkend.

‘Alle ellende komt,’ zei Frits op plechtige toon. ‘Alles komt, geleidelijk aan, lekker langzaam, maar het komt. Elke avond is er pap na. Dan zet mijn moeder de suikerpot op tafel. Met een klein lepeltje er in. Je moet in een plat bord pap, laten we zeggen, drie schepjes nemen. Maar luister. Luister je?’ ‘Ja natuurlijk,’ zei Viktor, ‘ik doe niet anders.’

‘Let op,’ zei Frits, opstaand, ‘ieder schept met dat lepeltje uit de pot. Wat doet mijn vader? Hij schept de suiker er met zijn eigen dessertlepel uit. Die is dan nog ongebruikt en schoon, toegegeven, maar ik word dol, als ik het zie, ik word gek! Ik wil hup boem, tegen het plafond. Heer lieve heiland, begrijp jij het? Of niet?’ Hij ging weer zitten. ‘Zeg het maar eerlijk.’

‘Ik begrijp het helemaal,’ zei Viktor, ‘het is moeilijk. Trouwens, ik ken dat wel. Ik vind je ouders erg aardig. Ze steken boven heel veel anderen uit, die ik ken, door hun goedheid. Het leek mij – ’

‘Maar alles komt,’ zei Frits, ‘een groots, demonisch schouwspel. Ik wou, dat ik het kon aanwakkeren, aanblazen. Les in het messteken. Als het zo ver komen moet, dan gauw. Heb je het druk?’

‘Welnee,’ zei Viktor, hem een doosje tabak aanreikend. ‘Draai van mij een sigaret. Ik moet niet.’ ‘Toch hoop ik nog,’ zei Frits, zijn stoel dichterbij schuivend en zich voorover buigend, ‘dat ik eens thuis kom en dat hij keurig, als een nette bonk vlees, in de deuropening hangt. Tussen de suitekamers. Daar kun je ook gemakkelijk haken indraaien voor gymnastiekringen. God geve het. Wat een wereld.’

‘Wat doet hij met zijn das? Hoe zit zijn das?’ vroeg Viktor. ‘Zijn das, zijn stropdas?’ ‘Ja, hoe doet hij die aan?’ ‘Als hij de hele dag thuis is,’ zei Frits, ‘doet hij er geen een aan, nee, de hele dag zonder. Wat wil dat zeggen?’ Viktor keek in de vlammen. ‘Ja, soms, dan doet hij er wel eens een aan, maar dan staat hij een half uur voor de spiegel te trekken en te schuiven. Wat betekent dat?’

‘Als iemand geen das aandoet,’ zei Viktor, ‘of heel lang zijn keus moet zoeken en heel lang staat te strikken en te trekken, dan is hij er lang niet best aan toe.’

‘Die diagnose is nieuw,’ zei Frits, ‘kranig. Maar dat er iemand niet zo best aan toe was, dat was mij reeds bekend.

Geen nieuw gezichtspunt. Hoe gaat het met je studie?’ ‘Ik doe deze maand een tentamen,’ zei Viktor. ‘Ik begrijp niet,’ zei Frits, ‘hoe je zoon krankzinnig vak hebt kunnen kiezen: oude talen. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Waarom niet rechten of medicijnen? Hoe houd je dit vol?’

‘Daar zul je, geloof ik, je nooit mee verzoenen,’ zei Viktor glimlachend. ‘Mijn dag zal goed zijn,’ zei Frits, ‘als jij advokaat bent en je eerste pleidooi houdt. Je gaat vast en zeker nog in de rechten, let op wat ik zeg. Vroeg of laat komt het er van.’

‘Viktor, kom je theedrinken?’ riep een vrouwestem. Ze gingen het portaal over en traden een grote kamer met licht behang binnen. De stoelen waren van blank hout en met grijze wol bekleed. In de hoek bij de deur stond een zwarte piano, in de hoek er tegenover een babybox met een kind er in, dat zich zittend heen en weer wiegde. ‘Lidia, Herman, in goede welstand, hoop ik,’ zei Frits en schudde een jonge vrouw met grote ogen en een lange, magere jongeman de hand.

Ze zaten om een laag tafeltje en dronken thee uit blauwe kommetjes. De vrouw nam het kind uit de box. ‘Hier is Joost,’ zei ze, ‘ja, hier ben je!’ Ze ging zitten en zette het jongetje op haar schoot. ‘Het hoofd is te groot,’ dacht Frits. Het dunne, in een krans om de schedel afhangende haar gaf de indruk van een kale plek midden op het hoofdje, terwijl de huid van de hals gerimpeld was. Het gezichtje stond scheef en ouwelijk. Met slingerende bewegingen bleef het kind zich heen en weer wiegen.

‘Dag Joost!’ riep Frits enige malen. ‘Twintig maanden,’ dacht hij. ‘Het luistert nog niet naar zijn naam.’ Lidia zette hem op zijn voetjes op de grond, maar hij plofte voorover en begon langzaam te kruipen. Dicht bij het raam probeerde hij zich aan het kleed van de divan op te trekken. ‘Wou je er graag op?’ vroeg ze en zette hem er op. Hij bleef, zonder enig geluid te maken zitten en hield, al schommelend, zijn blik gericht op een bloeiende begonia in een pot op de vensterbank. ‘Ja, daar zit je nou!’ riep Lidia. Hij liet zich voorover vallen, kroop naar het glas en greep de rode bloesem, die terstond afbrak.

‘Hola!’ riep Frits. ‘Hee!’ schreeuwde Lidia luid en liep op hem toe.
Het kind liet de bloem vallen en begon te huilen. Ook toen Lidia hem had opgenomen, bleef hij doorschreien. Frits raapte de bloesem op en zette hem in een vaas tulpen zo diep tussen de stengels, dat het korte eindje steel het water bereikte. ‘Je gaat naar bed, Joost.’ zei Lidia en verliet met het kind op de arm de kamer.

‘Laten we ons nog even terugtrekken,’ zei Viktor. ‘Herman is stil vandaag,’ zei Frits, toen ze in Viktors kamer terug waren. ‘Je hebt het licht laten branden.’

‘Ja, dat doe ik altijd, als ik hiernaast ben,’ zei Viktor, ‘want het is zoon gepruts om in het donker de stekker en het stopkontakt te vinden.’

‘Ik vind die schudziekte van Hermans kind geweldig interessant worden,’ zei Frits, ‘het schudt aldoor prachtig regelmatig door. Zou hij snachts, als hij slaapt, ook doorschudden? Een tante – ja, het is helemaal geen tante, maar zo noemen we haar – die heeft een witte hond, die dat ook heeft. Die is in het water gevallen, toen hij nog niet helemaal beter was van de hondenziekte en dat is er van overgebleven. Hij schudt aldoor op zijn voorpoten, hij veert door zijn voorpoten heen.’ Hij zette zijn handen op de grond en deed het voor. ‘Alleen als hij inslaapt, dan wordt het schudden minder en op het laatst houdt het op.’

‘Ik denk, dat het de groei is,’ zei Viktor, ‘het zal te zijner tijd wel terechtkomen.’

‘Laat ons dat hopen,’ zei Frits, opnieuw een sigaret uit Viktors doos draaiend, ‘maar het kan heel best gek zijn. Een kleine fout in de constructie, een schroefje los en het hele raderwerk stagneert. Gods werken zijn groot.’ ‘Laten we hopen van niet,’ zei Viktor, ‘want het is iets ontzettends.’

‘Heb jij er wel eens een gezien?’ vroeg Frits. ‘Ik bedoel niet een achterlijke, met zoon dubbel hoofd en die idiote ogen, maar een gezellige gek, dat is prachtig. Ken je niet die man met een hoge hoed, die door de binnenstad loopt?’ ‘Nee,’ zei Viktor.

‘Die zingt op zijn manier,’ ging Frits door. ‘Nou, om je de waarheid te zeggen, geluid komt er niet veel uit. De mensen geven geld, maar daar is het hem helemaal niet om te doen. Hij laat het op straat liggen, als ze het naar beneden gooien. Dat is wel een groots schouwspel. Ik wist er niets van, dat die man gek was. De kinderen pesten hem vaak. Ik kwam eens een keer door de Alkmaarsestraat en daar gooiden ze hem met aardappelen. Ik kwam langs hem en hij zei: meneer, ik ben een beroemd zanger, maar ze waarderen je pas, als je tussen zes planken ligt. Dat klonk heel goed, maar misschien had hij het uit een boek uit zijn hoofd geleerd of hebben anderen het hem gezegd. Dat zou jammer zijn.’

‘Of die gek op Tessel,’ ging hij door, ‘help me onthouden, dat vertel ik straks. In onze buurt had je een jaar of zes, zeven geleden een grote, brede man, die liep aldoor boe! te roepen. De kinderen schreeuwden hem wel na, maar ze bleven een heel eind achter hem, want het was wel griezelig. Je moet je voorstellen: ik zie hem langs de gracht lopen en hij komt bij een open raam.

Een dienstmeisje wil haar arm naar buiten steken om een stofdoek uit te slaan en op hetzelfde ogenblik komt die kop voor de opening en hij roept: Boe! Heel diep, loeiend, net een heel grote, gevaarlijke koe. Ik heb nog nooit iemand zich zo de beroerte zien schrikken als dat meisje.’ Hij lachte en kuchte. ‘Weet je, hoe dat gekomen is? Die man was violist en begon al een beetje raar te worden, een beetje apart. Hij was een goed violist. Maar hij dacht, dat hij wereldberoemd was. Dat was niet zo. En op een dag dacht hij, dat hij uit Amerika een uitnodiging voor een toernee had gekregen. Met zijn vrouw ging hij per schip weg. En onderweg is die vrouw van narigheid over boord gesprongen en verdronken. Hij is weer teruggekomen, toen was hij helemaal, volledig gek.’

‘Je weet,’ zei Viktor, in de kachel ziend, ‘dat ik voor deze tijd eigenlijk altijd in Haarlem heb gewoond. Daar hebben kennissen een zoon, die nog niet helemaal achterlijk is. Maar hij is traag en eigenaardig; hij is twee meter zes lang. Maar zo gek als hij is, het is een rekenwonder. Hij is al verscheidene keren voor de radio geweest. Hij berekent alles: vermenigvuldigen, delen, de onmogelijkste getallen. Op zijn kantoor zit hij op de boekhouding. Daar vervelen ze zich soms wel eens en op een dag zijn ze voor de aardigheid gaan proberen of ze elkaar konden optillen. En toen tilde die jongen zijn chef – dat is een klein, kaal mannetje – als een kindje op zijn ene arm.’ Hij pookte in het vuur. ‘Wat zei jij van Tessel?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei Frits, ‘ik kampeerde op Tessel, jaren geleden. In Oude Schild, geloof ik, was een man, die papier vrat.’ Viktor schoot in een korte lach. ‘Die vrat papier. Hij had altijd een natte bal papier in zijn mond. Als hij een nieuw stuk op de weg vond, dan nam hij de bal uit zijn bek, drukte er met zijn vinger een gat in, stopte het nieuwe stuk daarin en stak de hele kluit weer achter zijn kiezen. Hij verkocht weerboompjes. Nee, dat was geloof ik een ander. Of misschien was hij het toch.’

‘Wat zijn dat, weerboompjes?’ vroeg Viktor. ‘Zoiets als weerhuisjes met een weermannetje en een weervrouwtje, maar dan een boompje. Weet ik veel, ik heb nooit zoon ding gekocht. Je merkt wel, wat voor weer het wordt. Maar ik weet wel, dat we hem altijd vroegen – het kan ook een andere gek zijn geweest – wat voor weer het zou worden. Dan vroegen we: Wat voor weer wordt het, Leen? Dan zei hij: als het warm weer wordt, zal je het niet koud krijgen. Dan kankerden we en dan zei hij: Waarom kopen jullie geen weerboompje? Dan weet je altijd, wat voor weer het wordt. Met zoon heel gekke, schorre stem.’ Hij zweeg even en tikte met zijn nagels tegen zijn tanden. ‘Vooruit maar, weet je nog meer?’ vroeg Viktor.

‘Ze zeggen zulke idiote dingen,’ ging Frits voort. ‘Ik hoorde van een dokter, dat ze een gek in een gekkenhuis eens vroegen: Wat gaat u doen, als u hier weggaat? Hij zegt: Misschien ga ik bij het toneel, want daar heb ik altijd aanleg voor gehad. Maar misschien ga ik aan een krant werken, dat heb ik jaren lang gedaan. Maar het is ook mogelijk, dat ik mijn oude beroep weer kies, want eigenlijk ben ik een theepot.’

‘Nou,’ zei Viktor, buiten adem van het lachen, ‘je bent weer goed bezig.’ ‘Houd ik je op?’ vroeg Frits. Het was op een klein klokje op de schrijftafel kwart voor negen. ‘Je bent achter, weet je dat?’ vroeg Frits. ‘Het is negen uur.’ ‘Ja, dat weet ik,’ zei Viktor. ‘Waarom is hier in huis nergens een kerstboom?’ vroeg Frits. ‘Ja, eerst wilde ik er een nemen,’ antwoordde Viktor, ‘maar dan moet je kaarsen en al die rommel hebben. Thuis, in Haarlem is er een, ik ben gisteren en eergisteren thuis geweest. Herman en Lidia dachten er ook over, maar het kind is nog te klein om er iets aan te hebben en alles is moeilijk te krijgen. Toen hebben ze het maar niet gedaan.’

‘Bij ons thuis was er nooit een,’ zei Frits, ‘alleen toen we nog heel klein waren, maar naderhand nooit meer. Ze vonden het flauwe kul. Maar dat is het niet. Het is een boom, die boom is in het huis. Dat is al iets bizonders, iets aparts. Dan heb je kaarsen. Een kaars zie je zowat nooit, alleen eentje in de kelder, of voor als het licht stukgaat, maar nu zitten ze te branden in die boom. Denk je eens in. Ze branden – ’

‘Frits, Frits,’ zei Viktor, bekeek Frits’ gezicht en vervolgde snel: ‘Ja, nee, ga maar door. Je hebt waarachtig gelijk. Ik begrijp heel goed, wat je bedoelt.’

‘Verdomme,’ zei Frits, ‘ik zwets, vind jij. Nou, goed. Het is misschien ook wel zo.’ Hij zuchtte. ‘Hee?’ zei hij, ‘is dat boven?’ Er klonk een regelmatig, zwaar geklop. ‘Dat is Joost,’ zei Viktor, ‘die is wakker. Die slaapt altijd even en dan is hij verder de hele nacht wakker. Hij slaat met zijn kop tegen het schot van zijn ledikant. Een paar honderd keer, en dan wacht hij even, en dan begint hij weer.’

‘Het lijkt wel, of de timmerlui nog laat bezig zijn,’ zei Frits. ‘Ja hoor, dat kind is gek. Volledig gek, daar mankeert niets meer aan. De Sint Vitus huppeldans, de nachtklopperij, de algemene zwakzinnigheid.’

‘Zullen we een boterham maken?’ vroeg Viktor. Het geklop ging voort. ‘Goed,’ zei Frits, ‘ik dacht, dat je even geleden iets wou gaan zeggen. Je zei iets van Rageman, of zoiets.’ ‘Hagelman,’ zei Viktor. ‘Hagelman dan,’ zei Frits, ‘wie is dat?’ ‘Die ken je niet,’ zei Viktor. ‘Dat is ook in Haarlem. Die man werd gek. Hij kwam bij de dokter. Daar moest hij alles uitleggen. Hij vertelde, dat een beest bij hem was binnengekomen, een gek beest.’ ‘Een kollega dus, zullen we zeggen,’ zei Frits.

‘Hij ging het achterna,’ ging Viktor door. ‘Langs allerlei straten en wegen. En opeens, vertelde hij aan de dokter, zag hij midden in het bos een klein duiveltje zitten. Hij pakte het op en aaide het en hij zei: jij bent een lief, klein duiveltje. En toen, dokter, zei hij, toen wist ik, dat ik het gevonden had. Ja, zei die dokter, maar ik heb meer mensen gesproken, die het gevonden hadden en die moesten een hele tijd rusten. U moet ook rusten. Komt u Donderdag – ja, ik geloof, dat het een Donderdag werd – weer eens om half twee terug.’ ‘Aardig,’ zei Frits. ‘Wat een geklop boven onze kop.’

‘Nee, nee,’ ging Viktor voort, ‘we zijn er nog niet. Hij kwam die Donderdag om twaalf uur. De assistente zei: de dokter is er niet. Wat, zegt meneer Hagelman, op het heilige uur is de dokter er niet? Het is het heilige uur! Jawel, zegt de zuster, maar u bent om half twee besteld. In elk geval, met al dat gezanik beweerde meneer Hagelman, dat half twee te laat was. Nou, zegt de zuster, komt u dan om één uur. Ach, natuurlijk, zegt Hagelman, natuurlijk! Eén uur is het middelpunt. Ik zal bij u komen op het middelpunt. Toen heeft die dokter weer geweldig gepraat, maar er was geen kop of staart aan te maken. Een paar dagen later belt de vrouw op: dokter, mijn man is zo erg, zo dadelijk gebeurt er wat. De dokter komt en ziet die man – het was midden in de nacht – de kinderen in de slaapkamer met water uit een emmer gooien. Ze moesten gedoopt, zei hij. Die kinderen, drie waren het, die vonden het wel lollig. Het was trouwens warm weer.’

Het geklop boven hun hoofden hield op.

‘Toen zag de dokter wel,’ vervolgde hij, ‘dat het helemaal mis was, maar het was niet zo makkelijk hem naar een inrichting te krijgen. Die kerel had zelf nog een hoop in de gaten. Maar hij had een vriend, waar hij alles van aannam. De dokter zei: het is werkelijk het beste, ik zal meneer Perel – dat was die vriend – opbellen, dan zult u zien, dat die het ook het beste voor uw gezondheid vindt. Wat? zegt Hagelman, met Perel spreken over de draad? Dat kan niet, dat mag niet. In ieder geval, ze hebben het klaargespeeld. Hij is nou weer thuis, die man, het ging al weer wat beter.’

‘Viktor en Frits, willen jullie een kopje koffie meedrinken?’ hoorden ze Lidia roepen. ‘Vooruit,’ zei Frits. Bij Lidia en Herman in de kamer speelde een grammofoon. ‘Dit is een verduiveld aardige tango,’ zei Viktor, ‘je moet goed luisteren. Straks zegt hij: mooi weer vandaag.’ Met zijn vieren luisterden ze, tot de muziek even inhield en de zangstem enkele snelle woorden in het Spaans sprak. ‘Waarachtig, ik hoor het,’ zei Frits lachend. Er werd gebeld.

‘Wie kan dat zijn?’ vroeg Herman. Hij ging de gang in. Ze hoorden hem door de spreekbuis roepen en de deur openen. Even daarna kwam vóór hem een meisje met zwart haar in een donkerrode mantel binnen, gevolgd door een kleine, schrale jongeman in een dikke, blauwe winterjas. ‘Goeden avond,’ zei deze hijgend. Ze legden sjaals, een tasje en handschoenen op de tafel. ‘Ik zal maar meteen zeggen, waarvoor ik kom,’ zei de jongeman, zonder iemand van het gezelschap aan te zien, ‘kunnen we hier blijven slapen?’ Er viel een stilte. Allen keken naar de grond. ‘Helaas gaat het niet,’ zei Herman. ‘Ik heb logees, die zijn al naar bed. En Frits van Egters, die ken je toch’ – ‘aangenaam,’ zei Frits; ‘aangenaam,’ zei de bezoeker – ‘die blijft hier nu ook al slapen, dus het zal werkelijk niet gaan.’ Lidia drukte Frits met haar hiel op zijn voet.

‘Je kan het alkoof wel een kwartiertje krijgen, Piet,’ zei Viktor, ‘niet, Herman? Dan zetten wij hier wel zo lang de grammofoon aan.’

‘Zo,’ zei de jongeman, ‘dat is jammer. Kom maar mee, Irene.’ Hij pakte de kleine kledingstukken snel met bevende handen bijeen. Daarop vertrokken ze zonder te groeten. ‘Afgekitst,’ zei Herman, nadat een minuut lang niemand iets had gezegd. ‘Dat is over.’

‘Het wordt mijn tijd,’ zei Frits. ‘We hebben intussen nog geen boterham gegeten,’ zei Viktor zacht. ‘Laat maar,’ zei Frits, ‘dat maakt niet uit. Het is tien over tien.’ ‘Nee,’ zei Viktor, toen ze in het portaal waren, ‘we eten nog even wat.’ Hij maakte in zijn kamer boterhammen met kaas klaar. Frits at er twee, terwijl hij, met zijn overjas aan, heen en weer liep. ‘Wat lees je?’ vroeg hij, een klein boek met grijze linnen band van de schrijftafel nemend. ‘Dat moet je beslist lezen,’ antwoordde Viktor, ‘daar zul je beslist veel plezier aan hebben.’

‘De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven,’ las Frits. ‘Je mag het nu wel lenen,’ zei Viktor. Frits sloeg het dicht en stak het in zijn jaszak, haalde diep adem en nam afscheid.

Toen hij buiten stond, bekeek hij de trottoirtegels, waarop fijne ijskristalletjes zaten. De lucht voelde vochtig aan, de wind kwam uit het noorden en was zwak.

‘Dit is misschien nul graden,’ dacht hij, ‘dat zou kunnen.’
Hij ging thuis zonder gerucht naar binnen. Aan de kapstok hingen de overjassen en hoofdbedekkingen van zijn ouders. In de huiskamer brandde geen licht. ‘De duifjes zijn weer binnengevlogen,’ fluisterde hij. In de keuken vond hij sporen van een warme maaltijd: een koekepan met nog wat opgebakken aardappelen en een pan met pap. De jus in de vleespan was nog lauw. Hij doopte er een snee brood in en at hem in vier happen op. Daarna ging hij naar bed.

Hij sliep snel in en werd om zes uur in de ochtend wakker. ‘Gedroomd heb ik niet,’ dacht hij. ‘Het wordt een werkdag.’ Na het wateren viel hij spoedig weer in slaap. Hij was opnieuw in de grote kamer bij Lidia en Herman. Lidia had haar linker been over een stoelleuning gelegd, waardoor haar dij was ontbloot. Terwijl hij er naar keek, werd de huid tanig en schraal, terwijl er overal blauwe aderen op ontstonden.

Lidia werd zijn blik gewaar, maar bleef zitten. ‘Kijk eens naar de overkant,’ zei ze.

Hij trad aan het raam. ‘Ik zie niets,’ zei hij. ‘Waar is Herman?’ vroeg hij, toen hij zich had omgedraaid. Deze was verdwenen. ‘Kijk goed naar de overkant,’ zei Lidia. Hij spande zijn ogen in en opeens was het buiten middag geworden. Hij zag, dat de rivier slechts enkele meters breed was. Aan de overkant stond op de eerste verdieping van een groot huis een jongen, gekleed in blauwe bloese en grijze sportbroek, op zijn handen in het raamkozijn. Het schuifraam was uit zijn sponningen weggenomen.

De jongen liet zich met een zwaai telkens naar buiten vallen, maar greep iedere keer op het laatste ogenblik het kozijn, hees zich er op en begon weer opnieuw. Beneden op de straat stond een meisje te kijken, dat hem telkens iets toe riep, dat Frits niet kon verstaan.

‘Dat doet hij nou iedere dag,’ zei Lidia, die naast Frits was komen staan, ‘begrijp je, dat we er de zenuwen van krijgen?’ ‘Ja, dat begrijp ik,’ zei Frits, ‘het is een ellendig gezicht.’

Hij werd wakker, zag dat het vijf voor zeven was en sliep weer in.