VVD’ers op de sofa bij sociaal-psycholoog Roos Vonk

Het beeld van de luchthartige VVD’er die het wereldleed niet op z’n schouders torst klopt, ontdekte Roos Vonk. Macht maakt de liberalen nóg nonchalanter.

9 juni 2010, Mark Rutte en Stef Blok. De VVD werd toen de grootste partij met 31 zetels. Foto Peter Hilz

De kenmerken van VVD’ers waardoor ze afgelopen jaar vaak in moeilijkheden kwamen (VVD’ers snakken naar einde ‘klote jaar’, 19 december) zijn in één psychologisch begrip samen te vatten: een hoge promotie-focus.

Op de vraag wat mensen beweegt zijn grofweg twee soorten antwoorden mogelijk, volgens de regulatory focus theory: mensen kunnen gemotiveerd worden doordat ze ergens naartoe willen of juist ergens vandaan willen blijven. In het laatste geval heeft men een hoge preventie-focus en de overheersende drijfveer is het vermijden van fouten; belangrijke waarden zijn verantwoordelijkheid, veiligheid, bescherming, normen en regels. Bij een hoge promotie-focus is men gericht op het bereiken van doelen en idealen; op uitdaging, winst, risico, avontuur, ambitie en succes.

Mensen met een hoge promotie-focus zijn vaak optimistischer en hun denken is losser en globaler: ze kijken naar de grote lijn, terwijl een sterke preventie-focus juist gepaard gaat met een meer gedetailleerde en analytische blik – meer beren op de weg zien en, in de ogen van een promotie-denker, meer spijkers op laag water. Wanneer mensen meer macht krijgen, en meer zelfvertrouwen, wordt hun denken abstracter en hun promotie-focus hoger. Ze bekommeren zich minder om details en zijn gericht op hun einddoel, niet op wat er fout kan gaan.

Aangenomen dat de doorsnee VVD’er een hoge promotie-focus heeft en een lage preventie-focus, zou dit het beeld verklaren dat opstijgt uit de analyse van NRC-redacteur Thijs Niemantsverdriet: positief en opgewekt, maar ook nonchalant, niet scherp, teveel gericht op ambitie en te weinig op normen en verantwoordelijkheid. De ‘explosie van eigenwaarde’ als gevolg van het electorale succes kan deze houding alleen maar hebben versterkt: zelfvertrouwen maakt het denken ‘machtiger’, dus losser en globaler. Terwijl de integriteitskwesties waarmee VVD-politici in moeilijkheden zijn gekomen nu juist meer voorzichtigheid en zorgvuldigheid vragen – kwaliteiten die meer bij een preventie-focus passen.

In een groot onderzoek in 2003 heb ik onder meer de promotie- en preventie-focus gemeten van ruim 2700 deelnemers, en ook gevraagd waar ze op hadden gestemd bij de Tweede Kamer-verkiezingen dat jaar. Hoewel de deelnemers gewone burgers waren en geen politici, was ik na het lezen van het NRC-artikel toch benieuwd of mijn vermoeden klopt: of VVD-stemmers hoger scoren op promotie-focus dan de andere partijen. Ik heb daarom mijn data opnieuw geanalyseerd en inderdaad bleken de VVD-stemmers eruit te springen op deze variabele: zij scoorden hoger dan stemmers van alle andere grote partijen (CDA, D66, PvdA, GroenLinks, SP) terwijl die onderling niet van elkaar verschilden.

De preventie-focus van VVD’ers was juist lager dan van de rest, met uitzondering van PvdA’ers die hier vergelijkbaar laag scoorden als VVD’ers. Dat laatste vond ik verrassend en ik heb er geen verklaring voor. Hoewel deze resultaten uiteraard niet direct vertaalbaar zijn naar politici anno 2015, zou het kunnen betekenen dat PvdA’ers op dit punt in elk geval geen adequaat tegengas kunnen bieden aan de luchthartigheid van VVD’ers.

Gelukkig is iemands overheersende regulatory focus wel gevoelig voor situationele invloeden en dus in elk geval tijdelijk veranderbaar. Een manier om het denken minder globaal en meer preventie-gericht te maken is inzoomen en het tijdsperspectief verkleinen: niet denken aan waar je over een paar maanden of jaren wilt zijn, maar aan de komende dagen, aan hoe je dingen precies gaat aanpakken en wat de mogelijke bezwaren zijn. En een lesje nederigheid kan ook helpen.

De tijd zal leren of de VVD’ers dat lesje nu hebben gehad onlangs in de Kamer, of dat er toch nog een paar nodig zijn.