Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk vier van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk. Vandaag: hoofdstuk vier.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk vier van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Toen hij smorgens om kwart voor acht wakker werd, dacht hij onmiddellijk: ‘Het is eerste kerstdag.’ Op de ramen zag hij geen bloemen. ‘Misschien is het begonnen te dooien,’ dacht hij, draaide zich om en sliep tot half negen door. ‘Niet langer dan nog een half uur blijven liggen,’ dacht hij, toen hij weer wakker was. Hij sliep echter weer in en ontwaakte pas om tien voor half tien, toen zijn moeder de deur opende en zei: ‘Zou je niet opstaan? Ik ga de eieren koken.’

Luister hieronder het hele vierde hoofdstuk

Hij kwam half overeind, maar ging weer liggen en trok de dekens over zijn gezicht. Hij snoof de slaaplucht van zijn lichaam op en dacht: ‘Zou iemand anders die lucht net zo ruiken als ik?’ Het werd half elf. ‘Nu moet ik eindelijk opstaan,’ dacht hij. Om vijf minuten over elf duwde hij de dekens langzaam af.

Na het wassen en scheren nam hij zijn kleren onder de arm en ging zich in de warme huiskamer aankleden. Op zijn bord lag een ei. ‘Je had het beter niet kunnen koken,’ zei hij tot zijn moeder, ‘dan had ik het zelf wel gedaan. Nu is het koud.’

Onze media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken over hoofdstuk vier:

‘Ik wist niet, dat je zo lang in bed zou blijven,’ zei ze. Zijn vader kwam binnen met zijn overjas aan; hij droeg een mantel over de arm. ‘We gaan een kopje koffie drinken bij de familie Geitenkooi,’ zei zijn moeder en trok de mantel aan. Frits sneed zich, toen ze vertrokken waren, het afgekoelde ei op het brood en at vier boterhammen. Na de tafel te hebben afgeruimd, liep hij lange tijd de kamer op en neer. De radio speelde zachte orgelmuziek. Na tien minuten zette hij het toestel af en liep naar de zijkamer.

‘Onachtzaamheid, verspilling, stompzinnigheid,’ zei hij bij het uitdraaien van de gaskachel, die op volle kracht brandde.

Buiten drupte uit een dakgoot aan de overkant water op het trottoir. ‘Hoe kan dat, het heeft nog niet gesneeuwd,’ dacht hij. ‘Het is lang geleden. Ik wilde hem de trui niet lenen. Dan komt er een Jooplucht aan, zei ik.’ Hij floot tussen de tanden en zei bij zichzelf: ‘Op het verjaardagsfeest, dat weet ik nog. Dat kleine eigenwijze meisje. Ik wou dat ik een steen was, zei ze, dan hoefde ik niet te leven. Iedereen schrok zich rot. Had ze natuurlijk ergens gelezen of gehoord.’

Er werd gebeld. ‘God beware ons,’ mompelde hij en ging opendoen. ‘Is Frits van Egters thuis?’ vroeg een stem, die bij de uitspraak één keer haperde. Er kwam een lange man boven met een grijze hoed op. Hij had een bleek, gezwollen gezicht en zijn hoofd leek niet op, maar voor zijn schouders te staan. ‘Als niet rug en schouders bij nadere beschouwing normaal bleken, zou hij een bultenaar zijn.’ dacht Frits.

‘Heb je even tijd?’ vroeg de bezoeker, zenuwachtig de handen bewegend, ‘kan ik je even spreken, Frits?’ ‘Natuurlijk, Lande,’ zei Frits, ‘ik ben alleen thuis trouwens, kom binnen.’

‘Ik kom voor iets ernstigs,’ zei de man, zijn hoed afnemend. Het hoofd was in het midden nog slechts dun behaard. ‘Kan ik hier rustig praten?’ vroeg hij, toen zij in de zijkamer tegenover elkaar zaten. ‘Ja zeker,’ zei Frits, ‘ik zit vol spanning. Kom ter zake. Ik heb alle tijd, maar ik moet eerst weten waarover het gaat.’

‘Wel,’ zei de bezoeker, ‘heb jij niet een keer gezegd: Maurits heeft een misdadige aanleg, pas daar voor op. Dat heb jij toch gezegd, niet?’ ‘Och,’ zei Frits, ‘misdadig. Misdadig, ja, dat heb ik misschien wel gezegd.’

‘Ik kom bij jou,’ zei Lande, een pijp te voorschijn halend, die hij met een potlood boven een asbak leegmaakte, ‘om zekerheid te hebben.’

los3fietshuisje

‘Kom in godsnaam tot de zaak,’ zei Frits, ‘zeg nu eerst in het kort wat er aan de hand is. Net als een krantenbericht. Eerst alles kort samengevat, dan het hele verhaal uitvoerig.’

‘Nou,’ zei Lande, ‘anderhalf uur geleden werd er bij me gebeld. Mijn vrouw deed open. Ze zei: het is Maurits. Ik dacht: wat komt die op Zondagmorgen doen? Hij had twee boeken bij zich, die ik hem had geleend en waar ik hem al een paar keer om gevraagd had. Ik vroeg: kom je alleen om die boeken terug te brengen? Hij zei: nee, ik moet nog ergens anders hier in de buurt zijn.
Ik had mijn haar gewassen en dan is het altijd zo schraal, dan doe ik er briljantine in. Ik had het doosje met briljantine – gebruik jij briljantine? – ’

‘Nee,’ zei Frits, ‘ga verder.’

‘Nou, ik had dat doosje op de kachel gezet om het zacht te laten worden en we bekeken het samen en we hadden het over briljantine. Ik deed wat door mijn haar en ik ging mijn handen wassen in de keuken, want die waren vet geworden.

Ik was bezig en ineens dacht ik: nou moet ik de kraan door laten lopen en plotseling de kamer ingaan. Maar dat deed ik niet. Mijn vrouw was op zolder. Maar ik droogde mijn handen af en ik liep, meteen toen de kraan dicht was, vlug naar binnen. En toen stond Maurits een beetje onhandig in de kamer en ik dacht dat hij met zijn hand nog een beetje frommelde op de zak van zijn jasje, op zijn rechter zak. En meteen zei hij: Lande, ik moet weer weg, ik heb haast. Toen hij nog geen minuut weg was, keek ik in de trommel, waar ik wel eens geld, dat ik apart houd, inleg, op het buffet. Onder een notitieboekje lagen al een paar dagen twee biljetten van honderd.’

‘En toen lagen ze er niet meer,’ zei Frits. ‘En wat heb je toen gedaan?’

‘Ik heb eerst mijn vrouw het gevraagd en die wist ook zeker, dat het er in gelegen had. In mijn portefeuille had ik het niet gedaan, ik heb nog gekeken. Toen ben ik naar zijn huis gegaan. Hij was er niet. Maar zijn vader, die was thuis.’

‘En wat zei die?’

‘Ik zei: Duivenis, ik moet je onmiddellijk alleen spreken. Het is ernstig. Het gaat over Maurits. Toen ik binnen de zaak had verteld, zei hij: ik zal het hem vragen en als hij het gedaan heeft, dan zegt hij het wel.’

‘Ik vind het heel verdienstelijk, dat je me van de feiten op de hoogte houdt,’ zei Frits. ‘Je wacht nu zeker af, niet?’ ‘Als hij nu zegt, dat het niet zo is,’ zei Lande, ‘wat moet ik dan doen? Kan ik dan zeker zijn? Denk jij, dat hij ertoe in staat is?’

‘Ja,’ zei Frits, ‘ik acht hem daartoe heel goed in staat. Ik acht hem tot veel meer in staat. En ik weet ook veel meer.’ ‘Wat, wat dan?’ vroeg Lande.
‘Dat vertel ik je niet. Maar ik raad je aan voet bij stuk te houden. Hij heeft die tweehonderd gulden en hij moet ze teruggeven. Ik zou beslist niet aarzelen er een politiezaak van te maken, als hij het verdomt.’

Lande stopte zijn pijp uit een puntzakje, dat hij uit zijn jaszak haalde en stak hem aan. ‘We zullen zien,’ zei hij en begon staande zijn jas dicht te knopen. ‘Overal is wat,’ zei Frits glimlachend, ‘zo komen je zenuwen er wel bovenop. Hoe gaat het met de klem in je kaak?’

‘Ik was er net een paar dagen beter aan toe. Merk je nu iets aan mijn spreken, Frits?’ ‘Het is wat gejaagd,’ zei Frits, ‘maar de uitspraak is normaal.’

De ander stond op en vertrok. ‘Ik word graag op de hoogte gehouden,’ zei Frits, toen hij hem uitliet.

los4luchtsneeuw

Hij draaide de gaskachel, die hij voor het onderhoud had ontstoken, weer uit en zette in de huiskamer de radio aan. Een spreker hield een lezing over het in huis kweken van bloembollen. Ook op andere golflengten vond hij niets dat hem aanstond. Hij liet het toestel op een Engels station, zacht afgestemd, staan. Zeurderige vioolmuziek was flauw hoorbaar. Hij spuugde in de kachel en zag, hoe iedere klodder enkele sekonden een bruin blaasje op de kolen vormde, alvorens te verdampen. Toen hij geen speeksel meer bijeen kon zuigen, waterde hij, op zijn tenen staand, in het vuur, maar schrok van de wolk van fijne as, die met een plof uit de vulopening stoof. Hij ging op de divan zitten en keek naar zijn schoenen. Zo bleef hij tien minuten zitten. ‘Die damp in de kamer heeft een gemene stank,’ dacht hij.

Heel in de verte hoorde hij het puffen van een trein. ‘Zo vergaat onze tijd,’ dacht hij. Hij zette zijn tanden in de rug van zijn rechterhand en trok het vel omhoog. Daarna ging hij naar de achterkamer, waar naast de ladenkast, in de hoek, een spiegel hing.

‘Dit is een goedige spiegel,’ zei hij hardop. Hij kamde zijn haar eerst naar voren, toen omhoog en daarna in twee helften. Met een inktpotlood tekende hij een dunne snor op zijn bovenlip. Hij floot het Franse volkslied, stempelde met de rechterhand vette vingerafdrukken op de spiegel en ging weer naar de radio; een Nederlands station gaf nieuwsberichten. ‘U hoort de mars Koning Voetbal,’ zei daarop de omroeper.

‘Nu moet ik,’ dacht hij, toen hij de knop had afgeschakeld, ‘de deur op de knip doen, me eerst op de grond wentelen, een tijd lang heel hard o! o! roepen en dan met een ijzeren staaf alle ramen stukslaan. En als ze van beneden en boven komen, in zwijm vallen als ze de deur hebben ingetrapt. En dan fijn naar een inrichting.’ ‘Tiretjoeptjoepfalderi,’ zong hij zacht, ‘tiretjoeptjoepfaldera.’

Op het behang liep een pissebed. Hij nam een lucifer en streek deze zo dicht bij het insekt af, dat hij de kop nog tijdens de ontbranding op het beest kon houden. Het schrompelde in elkaar en viel op de vloer.

‘Een pijnlijke, doch snelle terechtstelling,’ zei hij hardop. ‘Medelijden is uit den boze. Toch is het een zonde,’ ging hij voort, de wijsvinger opstekend, ‘ik heb een levend wezen gedood.’

Hij hoorde iemand de gang binnenlopen. ‘Is dit de partikuliere folterkamer?’ vroeg Louis Spanjaard, die binnentrad. ‘Is dit de afdeling eenvoudige schroeiingen? Of is het je eigen stank?’

‘Ik zou wel kunnen zeggen: je ruikt je bovenlip,’ zei Frits, ‘maar ik zal het je vertellen. Ik heb water in de kachel gemorst.’

‘Wel ja,’ zei Louis. Hij droeg geen overjas, maar een leren vest. ‘Wat doe je?’ ‘Ik was juist bezig mijn zonden te overdenken,’ zei Frits. ‘Heel goed,’ zei Louis, ‘daar is het wel de geschikte dag voor.’ ‘Dooit het?’ vroeg Frits. ‘Bijna niet,’ zei Louis.

‘Heb jij,’ vroeg Frits, ‘toen je klein was, ook zo gemeen insekten doodgemaakt?’ Louis gaf geen antwoord. ‘Weet je wat ik deed? Als ik van die grote spinnen zag, ik bedoel met een klein lijf en die ongelooflijk lange poten – hooiwagens heten die – dan knipte ik ze die poten af om te zien, wat ze dan zouden doen. Ik heb buiten wel kikkers levend in de grond gestopt. Deed jij dat ook?’ ‘Ik kan me niet herinneren,’ zei Louis.

‘Als er een wesp in huis was,’ ging Frits voort, ‘dan nam ik een tafelmes en ik ging hem net zo lang achterna, tot hij tegen een raam zat. Dan sneed ik het achterlijf van de romp af, dat is sekuur werk. In het stuk, dat je afgesneden hebt, blijft de angel op en neer wippen, een gek gezicht. En de voorste helft vliegt nog een beetje.’ Louis zweeg.

‘Weet je,’ zei hij zachter, ‘ik ving ook wel kleine visjes, die hield ik in een akwarium. Ik had een groene lepel en daarmee schepte ik ze eruit. Ik legde ze dan op het droge en ik keek er met aandacht naar om te zien, hoe zoon vis doodging, alleen omdat ik dat wilde. Ik heb ook veel spinnen verbrand.’

‘Juist, juist, meneer Egters,’ zei Louis. ‘Wat moet ik nu zeggen?’ dacht Frits. ‘Zouden we niet naar de bioskoop gaan, Louis?’ vroeg hij en nam een krant met de bioskoopadvertenties uit het rekje. ‘In Princeps draait een goede. Hoe laat is het nu? Vijf over half twee. Het begint om kwart voor twee en om kwart voor vier. Kwart voor twee halen we niet meer. We kunnen nu even samen kaartjes gaan halen voor kwart voor vier. De Zevende Sluier, die moet niet slecht zijn.’

‘Met de tram toch?’ vroeg Louis, de titel van de film hardop lezend. ‘Laten we heen lopen en terug met de tram gaan,’ zei Frits. ‘En dan opnieuw net zo heen en terug, dat is zuinig.’

‘Bestaat er gelegenheid om bij jullie vanavond te eten?’ vroeg Louis, toen ze zich op weg naar de binnenstad begaven. ‘Ja zeker,’ zei Frits.

Bij de bioskoop was het druk. Frits kocht twee plaatsen vooraan, de enige rang die nog niet was uitverkocht. ‘Dat is in ieder geval goedkoop,’ zei hij, de biljetten in zijn portmonnee stoppend. Onmiddellijk daarop zagen zij de tram aankomen, wisten de halte nog tijdig te bereiken en reden snel naar huis terug.

Tegelijk met Frits’ ouders stonden ze aan de buitendeur. Toen ze binnen waren, vroeg Frits’ moeder na enkele minuten tussen keuken en huiskamer heen en weer gelopen te hebben: ‘Frits, waar heb je de zoldersleutels gelaten?’ ‘Die heb ik helemaal niet gehad,’ antwoordde hij. ‘Heb je geen kolen gehaald, terwijl we weg waren?’ ‘Nee,’ zei hij.

Ze zocht, terwijl Frits haar volgde, in de keuken de vensterbank, de tafel, het aanrecht en de schouw af en keek in de huiskamer op de schoorsteenmantel en in de boekenkast. Daarna ging ze op een stoel bij de kachel zitten, met de hand onder de kin. ‘Niemand de deur uit,’ zei Frits. Louis, die naast hem op de divan zat, gaf hem een zachte stomp. Zijn vader stond bij het raam een boek in te zien.

‘Ik geloof dat ik het weet,’ zei ze opeens, ‘ik geloof vast, dat ik ze in de kit bovenop de kolen heb gelegd. Ik geloof het vast. Dan liggen ze in de kachel. Kijk eens of ze soms nog onder in de kit gerold zijn.’

Louis lachte met heftig snuiven. Frits keek in de reeds half geleegde kit. ‘Rechtvaardigheid is zijn naam,’ zei hij in zichzelf, ‘machtig is zijn arm.’ ‘Nee,’ zei hij, ‘ze zitten er niet in.’ ‘Wat nu?’ vroeg ze. ‘Roggebrood met stroop er in,’ antwoordde hij, ‘dan komen ze vanzelf er weer uit.’

‘De kachel gaat straks uit,’ zei ze. ‘Ga eens naar Tinteler en vraag of we de doos met sleutels mogen lenen om te proberen.’ Samen met Louis vertrok hij om even later met een blauwe ronde metalen trommel terug te komen. ‘Zoek maar uit,’ zei hij, hem op tafel zettend. ‘Wij moeten weg.’ Ze vertrokken. ‘Het is aan het opvriezen,’ zei Louis, toen ze een eind gelopen hadden. ‘Wat je zegt,’ zei Frits. De verdere weg naar de bioskoop zwegen ze.

‘In de verste verte niet wat ik me er van had voorgesteld,’ zei Frits, toen ze na afloop naar buiten schuifelden, ‘je ziet weer, hoe weinig je op de smaak van anderen af moet gaan.’ ‘Het gaat wel,’ zei Louis.

In de tram zat een in het zwart geklede man met grote, grijze laarzen. Hij droeg een bolhoed en had van alles op zijn borst vastgemaakt: medaljes, penningen, loden worstzegels, Belgische doorboorde muntstukken en allerlei kettingen. ‘Het dooit mensen, mensen wat dooit het!’ riep hij eentonig. ‘Het dooit geweldig, wat een dooi! Het regent heet water, mensen, opgepast!’ Hij liet hierop een slobberende lach horen. Iedereen in de wagen zweeg en keek naar hem. ‘Ja mensen, ik kan het jullie vertellen,’ riep hij glimlachend, toen Frits en Louis uitstapten.

Toen ze bij Frits thuis kwamen, zei zijn moeder: ‘Geen een sleutel past; ik heb kolen bij Hennie geleend. Het wordt Vrijdag voor ik bij de woningbouw om een andere kan vragen. Ik zal de kachel vannacht laten uitgaan.’ ‘Die sleutels zijn toch helemaal vervormd, als ze er uitkomen,’ zei Frits.
‘Wat ga je vanavond doen?’ vroeg Louis, toen ze aan tafel zaten. ‘Ik denk, dat ik naar Walter Graafse ga,’ zei Frits. ‘Bedoel je die jongen met dat aardappelgezicht? Die fantast, die ziekelijke leugenaar?’ ‘Ja, inderdaad.’

‘Over wie gaat het?’ vroeg Frits’ vader. ‘Over iemand anders,’ antwoordde Frits.

‘Ik heb goed gegeten,’ zei Louis, toen ze samen een eind opliepen, ‘ik heb bij jullie over het menu nooit te klagen.’ Bij een klok, op een kruispunt, namen ze afscheid.

Frits wandelde tien minuten door een druk stadsdeel. Daarna liep hij in zuidelijke richting door nauwe straten, tot hij op een gracht met dikke bomen kwam. Hij klom een steile, hoge stoep op, die aan beide zijden een ijzeren leuning had en belde aan. Er blafte een hond, hij hoorde gestommel en eindelijk deed een in het bruin geklede jongeman open. Hij veegde het haar uit zijn gezicht en zei: ‘Heer Frits, kom binnen. Kom binnen.’ Frits volgde de korte, dikke gestalte.

Ze liepen, na een lange gang gepasseerd te zijn, een trap op en kwamen in een kamer, die verwarmd werd door een gashaard. Hij was vol kasten, tafels en stellingen, waarop electrisch materiaal lag opgetast, zoals lampen, snoeren, magneten, transformators, meetinstrumenten en spoelen. Het licht kwam van een onafgeschutte peer aan het plafond.

Bij de gashaard zaten twee personen: een jongeman met een smalle snor, gekleed in een grijze battledress, die van boven, evenals zijn overhemd, openstond en een dik, zwartharig meisje. ‘Dit is Albert,’ zei Walter. ‘Mijn lieve zuster hoef ik niet aan je voor te stellen.’ Hij presenteerde sigaretten. Een hond sprong te voorschijn, toen hij een deur opende. ‘Komt dat beest uit een kast?’ dacht Frits. Het was een zwart met wit gevlekte hond van middelbare grootte. Het dier wilde onmiddellijk Walter in het gezicht likken, maar toen deze ‘Af! Pas op!’ riep, ging hij haastig onder een tafel liggen. ‘Het is een lastig beest,’ zei Walter, ‘hij heeft laatst zeven ons spekulaas, die in de vensterbank stond om koud te worden, opgevreten. Toen heb ik hem met zijn voorpoten tegen de kachel gehouden, een geschreeuw! Maar hij is er goed van geschrokken.’ ‘Hè Foks?’ zei hij en pakte de hond bij de voorpoten beet, maar het dier begon luid te janken, worstelde zich los en sprong weg.

‘Je moet eens zien, wat ik gekocht heb,’ zei Walter en nam Frits mee naar een voorkamer. De jongeman in battledress volgde hen. Toen Walter het licht aan had gedaan, zag Frits midden in de kamer een piano van bizondere bouw, een kleine vleugel met smalle toetsen, minder in getal dan die op een gewone piano. Hij sloeg enkele aan. De tonen waren scherp en doordringend als van gitaarsnaren. ‘Dat lijkt wel een klavikord, of hoe heet zoon ding,’ zei hij. ‘Is het dat?’ ‘Nee,’ zei Walter, ‘dat is het niet. Zo heette het wel op de veiling, maar het komt het dichtst bij een spinet. Ik denk, dat dit de tussenvorm is tussen het spinet en onze moderne piano.’ ‘Het geluid is bizonder lieflijk,’ zei Frits, ‘wat heb je er voor betaald?’ ‘Honderd vijf en twintig gulden.’ ‘Niet duur,’ zei Frits.

De jongeman in battledress ging op een stoel voor het instrument zitten en opende een muziekboek, dat gereed lag. Hij telde met de wijsvinger de toetsen, neuriede enkele tonen en begon te spelen. ‘Ongelooflijk, wat schitterend,’ fluisterde Frits. ‘Wat was dat?’ vroeg hij, toen het uit was. Op het muziekblad zag hij geen titel staan. ‘Een partita van Bach,’ antwoordde Albert. ‘Ik speel het ook wel op gitaar, want er bestaat een luitzetting van.’

‘Denk toch in godsnaam na,’ zei opeens Walters zuster, die binnenkwam. Zij nam het muziekboek weg en sloot het instrument. ‘Mooi, lichtbruin hout is het,’ dacht Frits. ‘Denk toch alsjeblieft na,’ zei ze, ‘wat er boven gebeurt.’ ‘Die gaat wel kapot zonder onze medewerking, Klara,’ zei Walter.
Ze keerden naar de haard terug. ‘Wat is er boven aan de hand?’ vroeg Frits. ‘Klara loopt mank,’ dacht hij. ‘De vrouw van onze bovenbuurman ligt te sterven,’ zei ze. ‘Ik ga even vragen, hoe het er mee is, dan kan ik meteen zeggen, dat die muziek een vergissing van de visite is geweest. Anders is het wel schandelijk.’ Ze hinkte weg en Frits hoorde haar, tamelijk snel, de trappen opklimmen. ‘Wat scheelt die vrouw boven?’ vroeg hij. ‘Helemaal op, longontsteking en tering,’ zei Walter. ‘Maar ze maakt geen haast. Moet je nog een sigaret?’ ‘Nee dank je,’ zei Frits, zijn peukje uitdovend. ‘Heb je nog nieuwe, grootse uitvindingen gedaan?’ Walter zweeg. ‘Weet je nog wel, dat je bij Vos, in de zesde klas, tegen me zei, dat je een magneet in je kamer kon maken, zo sterk, dat de portieren van de autoos die langs kwamen zouden openspringen? Weet je, dat ik dat heb geloofd, toen?’ ‘Dat was ook zo,’ zei Walter.

‘Hoe heette toch die jongen, waar we thuis die schaakmiddag hebben gehouden, in de Cementwijk?’ vroeg Frits. ‘Hans Houting?’ ‘Ja waarachtig, die bedoel ik,’ zei Frits. ‘Weet je nog, dat die een eind binnenband van een fiets had gevuld met zand, als een soort worst? Die had hij snachts bij zich als hij alleen de trap af moest naar de plee, zei hij, als een soort knuppel.’ ‘Dat weet ik niet meer,’ zei Walter.

‘Ik herinner me nog heel veel,’ zei Frits. ‘Jij had altijd een asbakje of een schotel vol vliegen, die je beschadigd had, maar die niet dood waren en met hun poten spartelden.’ ‘Dat was niet alleen toen,’ zei opeens Albert. Hij zweeg echter onmiddellijk weer. ‘Heb je ooit nog bericht gehad over je ouders?’ vroeg Frits. ‘Verdomme,’ dacht hij, ‘wat een vraag.’ ‘Nee,’ zei Walter kort, met een enkele ruk van het hoofd.

Hierna was het stil. Ze luisterden naar de zwakke voetstappen op de verdieping boven hen en hoorden Klara voorzichtig naar beneden komen. ‘Ze hadden de muziek gelukkig niet gehoord,’ zei ze, haar stoel dicht bij de haard schuivend, ‘ze zaten achter.’ ‘Hoe oud is die vrouw?’ vroeg Frits. ‘Zes en vijftig,’ zei Klara. ‘Ze is nog heel goed bij bewustzijn. Ze praat heel zachtjes. Ik kreeg thee en ineens zei haar dochter: ze zegt iets. Ze gingen naar het bed en luisterden vlak bij haar mond. Ze zei: er wordt gebeld. Het was zo. En niemand had het gehoord.’

‘Ja,’ zei Frits, ‘stervenden hebben tot het laatste ogenblik een heel scherp gehoor. Tijdens de doodsstrijd moet men heel voorzichtig zijn met woorden, want ze horen alles. Dat heb ik ergens gelezen. Men moet de agonie – zo heet dat, het wordt net als een ziekte op zich zelf beschreven – voor de patiënt zo licht mogelijk maken. Ramen openzetten voor frisse lucht en dicht bij de zieke blijven. Wat heb je eigenlijk aan je voet, Klara?’ ‘Ik ben van de stoep gevallen,’ zei ze, de linker enkel betastend, ‘hij is nog wel dik, maar pijn heb ik er haast niet aan, als ik voorzichtig loop.’

‘Veel haast zit er boven in geen geval achter.’ zei Walter. ‘Het is al drie dagen zo, ik geloof niet meer, dat het er van komt.’ ‘Het lijkt wel, of je er op zit te wachten,’ zei Albert.

‘Ik wil die woning hebben,’ zei Walter, ‘die is veel lichter dan hier. De huisbaas vindt het wel goed.’ ‘Waarom ben ik vanavond niet thuis gebleven?’ dacht Frits. Hij ging rechtop zitten: ‘Het is echt de goede tijd om dood te gaan.’ zei hij. ‘Ik zou in haar geval zorgen dat ik voor de dooi onder de aarde was, anders is het op het kerkhof zo drassig. De dag komt voor ons allen.’ ‘Maar toch niet voor het je tijd is,’ zei Albert. ‘Ik geloof, dat daar iets van waar is,’ zei Klara, die haar haren begon te kammen.

‘Ik liep gisteren op de Riembaan,’ zei Albert. ‘Een man wou op de tram springen, op het achterbalkon van de motorwagen. Dat is dom. Hij sprong mis en lag er onder. Je begrijpt, gillen van vrouwen, een kluwen mensen er omheen. Maar het viel mee. De tram had vlug gestopt, hij had nog niet veel vaart. Ze haalden hem nog voor de wielen weg; zijn kleren waren gescheurd en vuil en zijn bril was kapot. Hij had een verfrommeld montuur op, leeg. Heel gek om te zien, want zijn gezicht was niet geraakt, alleen een paar bulten.

Hij was helemaal heel, die man. Hij stond doodstil, wit als meel, en zei niks. Toen zag ik de conducteur op hem afstappen. En die gaat voor hem staan en zegt: nou, wat wou je nou, hè? En hij geeft die man twee klappen in zijn gezicht, aan elke kant een. En toen begint die kerel ineens te huilen en die roept met een heel gekke stem: ik wou nog met de tram mee!’ Hij deed het met een hoge, huilende stem na. Alle vier lachten ze. ‘Ik wou nog met de tram mee!’ riep Albert nogmaals.

‘Ik spring ook altijd van en op de tram,’ zei Walter. ‘Het is een kwestie van geluk. Wie niets tegen zich heeft, die overkomt niets. Ken je Wim Barneveld? Die jongen met die geweldige bos haar?’ ‘Nee,’ zei Frits. ‘Niet? O, ik dacht van wel. Die is nu helemaal kaal, wist je dat?’ ‘Hoe kan ik dat weten?’ vroeg Frits. ‘O ja, dat is ook zo. Ik kwam hem een maand of vier geleden tegen, hij is vliegenier. Ik had hem in zes jaar niet gezien. We gingen ergens een glas bier drinken en aldoor dacht ik al: er is iets met zijn gezicht. Toen zette hij zijn vliegenierspet af en zijn hele hoofd was kaal, zo erg, dat je niet eens zo gauw zag dat er geen haar op zat. Hij had geen wenkbrauwen en ook geen wimpers. Een haarziekte. Ik had al iets bizonders gemerkt, toen hij die pet nog op zijn hoofd had, maar ik wist niet wat het was.’

‘Waar heeft dat iets mee te maken?’ vroeg Klara. ‘We hadden het toch over roekeloosheid, niet?’ vroeg Walter. ‘Die Barneveld is een tijd op Soesterberg geweest. Op de Veluwe gingen ze dan heuveltje vliegen, vertelde hij me. Heel laag in de dalen en dan op het laatste ogenblik optrekken voor elke heuvel. Hij zei, dat ze dan wel eens terug kwamen met dennetakken aan de vleugels. Ze vlogen ook onder de brug bij Nijmegen door.’

‘In ieder geval is het vijf minuten over negen,’ dacht Frits. Boven viel iets op de vloer. ‘Er valt nog al eens wat daar,’ zei Walter, ‘het zijn slome mensen.’ ‘Ze zijn heel behoorlijk,’ zei Klara.

‘De benedenburen hebben ons verteld,’ ging Walter voort, ‘hoe ze boven ons de winter van vier en veertig ingingen. Ze hadden twaalf mud kolen. Dat vonden ze zoveel, dat ze twee kachels gingen stoken.’ Frits schoot in de lach. ‘En in Januari was alles op en moesten ze in bed gaan liggen en één keer in de week een paar uur er uit, als er een bon was voor suikerbieten of zoiets. Maar dood gingen ze niet.’ ‘Dan begin je nu aardig je zin te krijgen,’ zei Albert.

‘Ik moet helaas vertrekken,’ zei Frits, ‘ik moet nog ergens heen, voordat ik naar huis ga.’ ‘Neem nog een sigaret, voor onderweg,’ zei Walter en stak hem een tussen de lippen. De hond liep met hen beiden mee naar beneden, maar Walter greep het dier halverwege de trap bij de nek, zette zijn voet op het eind van de staart en drukte de schoen met grote kracht neer. Het beest gaf een schreeuw, die in een geloei overging. Walter tilde zijn voet weer op en zij vervolgden hun weg naar beneden, terwijl de hond, nog najankend, naar boven terug rende.

‘Kom vooral eens aan als je kunt,’ zei Walter, toen ze bij de straatdeur gekomen waren.

Frits liep langzaam de stoep af. De lantaarns spiegelden zich in het ijs van de gracht. Hij stampvoette, trok zijn kraag goed dicht en liep met gebogen hoofd voort. De uithangende klok van een bankkantoor wees achttien minuten over negen.

Toen hij thuiskwam, lag zijn vader op de divan, terwijl zijn moeder bij tafel de kranten zat door te lezen. ‘Je bent vroeg terug,’ zei ze. ‘Ja,’ zei hij, ‘ik wou op de terugweg nog bij iemand anders aan en die was niet thuis. Laten we eens zien, wat de radio geeft.’ ‘Er was daarnet een aardig hoorspel,’ zei ze. ‘Zo,’ vroeg hij, ‘waar ging het over?’ ‘Nou,’ zei ze, ‘over vroeger in Engeland, nee, in Ierland, van de graven en grondbezitters.’

De radio was warm geworden. ‘De Zwervers gaan verder met Sensatie Nummer Een,’ zei de omroeper. ‘Tuut tuut te tuut tuut,’ zei zijn moeder, toen het nummer begon, ‘verschrikkelijk.’

‘Je moet jazzmuziek proberen te volgen,’ zei Frits. Hij zat op een stoel dicht bij het toestel. ‘Kan dat gemier niet af?’ vroeg zijn vader en richtte zich op. ‘Nee,’ zei Frits, ‘je moet eens luisteren, dan zul je horen, dat het geen onsamenhangend lawaai is. Het orkest geeft het rhythme aan, de saxofoon speelt de melodie en de improvisaties.’

‘Maar het kan wel zachter,’ zei de man en draaide de knop terug. Hierna ging hij weer liggen. Frits nam de knop vast en draaide die langzaam, bij beetjes weer naar rechts op de ogenblikken, dat alleen een zwakke drum te horen was.
‘Ik ga naar bed,’ zei zijn moeder plotseling, ‘ik ben niet van plan langer op te blijven.’ Ze verdween in de achterkamer en deed de schuifdeuren met een harde slag dicht. ‘Het is niet zeker, of die slag per ongeluk of met opzet zo hard was,’ dacht Frits. Zijn vader kwam overeind en liep voor de boekenkast op en neer, kuchte, nam zijn kin in de hand, opende de mond, maar zweeg.

Frits zette de radio, die met een wals begon, af, ging voorzichtig de kamer uit, liep naar de zijkamer, ontstak de gaskachel en ging aan de schrijftafel zitten. Hij hoorde zijn vader in de huiskamer op en neer lopen. Het was tien uur. Hij maakte zijn overhemd van voren los, ging met zijn hand onder zijn slipover en tastte over zijn borst. Daarna trok hij overhemd en ondergoed omhoog, bekeek zijn buik, waarin door de zittende houding een plooi was en stak zijn rechter pink in de navelholte. Hij rook aan de vinger en veegde hem aan zijn zakdoek af.

Kort daarop hoorde hij uit de huiskamer de geluiden van het openen der schuifdeuren en het uitschakelen van de lamp. Hij liep naar de keuken en stond op het punt zijn tanden te gaan poetsen, toen hij uit de slaapkamer stemmen hoorde. Hij trad aan de deur op de gang. Zijn moeder sprak met een snelle, huilende opeenvolging der woorden. Wanneer ze uitgesproken was, hoorde Frits telkens het gebrom van zijn vaders stem. Dan was het weer stil, maar even daarna ging het voort. Opeens leek het hem, of zijn moeder rechtop in bed was gaan zitten en het huilen inhield, want hij verstond duidelijk haar stem, die luider klonk dan tevoren. ‘Jij hebt nooit,’ zei ze, ‘nooit in je leven heb je aan iemand anders gedacht dan aan jezelf en nooit heb je eens nagedacht of – ’ Frits ging weer snel de keuken binnen. ‘Ik hoor niets,’ zei hij, de ogen sluitend, ‘ik hoor niets. Niets hoor ik.’ Hij sloot de deur en poetste snel zijn tanden. Als de stemmen luider werden, neuriede hij in zichzelf. ‘Wom wom wom, wom!’ zong hij dan, met zware bromtrillingen in het hoofd.

Hij deed het keukenlicht uit en betrad zonder geluid zijn kamer. ‘Nu heb ik weer vergeten mijn schoenen en kousen achter de kachel te leggen,’ dacht hij, ‘morgen weer die klamme dingen om aan te trekken. Wacht eens, morgen is het weer kerstmis.’

‘Hoort de kerstboodschap,’ zei hij hardop, ‘de heiland werd geboren. Hij stierf op Golgotha, wiedewiedewiet sjieng boem.’ Toen hij in bed kroop en het dek over zich heen trok, dacht hij: ‘Om middernacht moesten eigenlijk de klokken luiden, dat zou schitterend zijn.’ Hij voelde zijn ogen vochtig worden, beet in het laken en sliep in.

Hij werd om drie uur wakker met een zwaar gevoel over het lichaam en een sterke aandrang om te wateren. Na zijn behoefte te hebben verricht, sliep hij bij het op elkaar wrijven van zijn voeten in.

Hij droomde, dat hij zich op de eerste verdieping van een groot warenhuis bevond. Terwijl hij er ronddwaalde, kreeg hij een steeds sterker wordende behoefte om te wateren. Hij begaf zich naar het toilet, maar daar waren werklieden bezig met metselwerk. Op de benedenverdieping was de waterplaats versperd door een betimmering van planken met het opschrift: ‘defekt.’ Hij nam de lift naar de tweede etage.

Hier werd hij voor de retirade tegengehouden door een in het wit geklede winkeljuffrouw, die zei: ‘U kunt hiervan geen gebruik maken, u moet ingeschreven staan.’

Op de derde verdieping kon hij in het geheel geen toilet vinden. Hij draafde de trap op naar de vierde, de hoogste etage en holde naar een hoek van de zaal, maar hier hing op een grijze deur een groen, vierkant bord met de woorden: ‘Nooduitgang. Mag alleen bij alarm geopend worden. Onnodige verbreking van het zegel wordt gestraft.’ Onder het bord was het woord ‘heren’ met een diagonale baan verf doorgehaald.

los1fietsgevel

Toen hij zich weer snel naar beneden begaf riepen de luidsprekers opeens: ‘De zaak is gesloten. Publiek, dat nog binnen is, moet zich bij de directie melden en boete betalen.’ De verdieping was verlaten en alleen leden van het personeel liepen nog rond. Hij stond in de afdeling woninginrichting bij een tafel met vazen. Hij nam er een op, trad er mee achter een afschutting, waterde hem vol en zette hem op zijn plaats terug. De aandrang was niet verminderd. Voorzichtig vulde hij vaas na vaas, kleine en grote, tot alle vol waren. Toen er niets meer gevuld kon worden, kon hij nog niet ophouden en moest zijn water op de grond laten lopen. Zo sloop hij, al waterend, van afdeling tot afdeling behoedzaam naar beneden.

Toen hij de laatste trap afklom, versperde opeens een rij winkeljuffrouwen, die hand in hand, van leuning tot leuning geschaard stonden, hem de weg. ‘Alles is ontdekt, ik moet me verbergen,’ dacht hij, rende de trap weer op en bleef de schreeuwende groep, die hem achterna had gezet, voor. Op de derde verdieping kroop hij onder een stapel matten, maar hoorde roepen: ‘Kijk goed in de afdeling vloerbedekking.’ Hij wierp zijn schuilplaats omver en stormde naar de bovenste etage. Het wateren had opgehouden. Hij vond de nooddeur terug, opende die en kwam op een balkon. Er was geen brandladder. ‘Kijk ook achter de branddeur,’ hoorde hij, nu dichterbij, roepen. Beneden, recht onder hem, reed een trein. ‘We springen,’ zei hij, berekende afstand en hoogte, wierp zich naar beneden en plofte op het dak van een wagon.

Hij wist naar binnen te klimmen en ging in een lege coupé zitten. De trein ging in een cirkel rijden en kreeg een angstwekkende vaart. Hij voelde zich misselijk worden als in een te snel draaiende attractie van een lunapark. Opeens zat iemand tegenover hem, die hem doordringend aankeek en een zwarte hoed droeg, waarvan de rand zeker een halve meter breed was. ‘Het is een hond,’ dacht hij. Toen het wezen zijn jas opende, zag hij dat het inderdaad zo was. Op de huid van de buik zat een rij gele knopen, als op een vest. Toen hij naar het gezicht keek, veranderde de hondekop in die van een varken. ‘Ik weet ervan,’ zei het monster, ‘ik ben op de hoogte. Probeer mij niets wijs te maken.’ Bij het spreken kreeg de kop een snavel. Langzaam boog de gestalte zich naar hem toe. Hij werd wakker.

Het was half zeven. Hij voelde opnieuw sterke neiging om te wateren, maar ging het bed niet uit. ‘Niet weer inslapen,’ dacht hij, ‘dat in geen geval.’ Hij nam het kussen onder zijn hoofd weg. ‘Ik moet mijn houding ongemakkelijk genoeg maken om wakker te blijven,’ zei hij bij zichzelf.
‘Laat ik aan allerlei dingen denken,’ dacht hij. Er schoot hem een geschiedenis te binnen, die een schoolvriend hem had verteld. Een jongen van tien jaar had zijn vader, die op een bank in de tuin lag te dutten, met een bijl het hoofd afgeslagen. In een opvoedkundig boek, dat zijn vriend bezat, stond het beschreven.

De reden voor de daad was nieuwsgierigheid. Het was geen haat of moordzucht geweest, schreef het boek, dat Frits zich herinnerde te hebben ingezien, maar nieuwsgierigheid van het kind om te zien, hoe het zou zijn, als het hoofd er af was.

Daarna herinnerde hij zich een krantenbericht van enkele weken terug, waarin vermeld stond, hoe in een zuivelfabriek een jongetje in een roomcentrifuge was geklommen en hoe een vriendje de machine in werking had gesteld, met onmiddellijk dodelijk gevolg. ‘Het is de middelpuntvliedende kracht,’ dacht hij, ‘het bloed wordt geschift.’ Hij bestudeerde de figuren, die het licht van de straatlantaren voor het huis op het plafond maakte.

Van een bericht, dat hij de vorige zomer had gelezen, wist hij nog bijna letterlijk de tekst. Een boer had zijn knecht gevraagd hem over de wagen de hooivork toe te werpen. Toen de knecht dit niet snel genoeg deed, keek de boer, op de rand van de kar staand, over de lading heen op het ogenblik, dat de vork kwam aanvliegen. De tanden drongen hem in de ogen en hij viel dood van de wagen.

Het horloge aan de muur tikte luid. ‘In het zuiden gebeuren gekke ongelukken,’ dacht hij. Zijn moeder was geschrokken, toen hij haar uit de krant het ongeval had voorgelezen, dat op het erf van een boerderij was gebeurd. Twee kinderen speelden met een hakblok en een bijl. ‘Leg je hand eens op het blok,’ had de een gezegd en de ander deed het. ‘Hij trekt wel terug,’ dacht de jongen, die de bijl vasthield. ‘Hij hakt niet,’ dacht de ander. Ze vergisten zich beiden. De hand was bijna losgekapt, zodat hij moest worden afgezet.

Hij viel bijna in slaap, maar schudde het hoofd enige malen krachtig heen en weer. ‘Als we maar niet inslapen,’ dacht hij, ‘dat beest komt terug.’
Hij herinnerde zich, hoe zijn broer, toen hij negen jaar oud was, drie nachten achtereen schreeuwend wakker werd na telkens dezelfde droom. Een aap zat hem dan achterna en poogde hem met een handkar tegen de trottoirrand te vermorzelen. Het werd een achtervolging om een huizenblok heen. Had hij enige voorsprong gekregen, dan kwam iedere nacht van de andere kant een wolf. Dan eindigde de droom. Na de derde nacht had zijn moeder de dokter raad gevraagd, die voorschreef, Joop dadelijk na het ontwaken met het hoofd in koud water te houden. Toen hij de volgende nacht weer schreeuwend wakker werd, duwde zijn vader zijn hoofd in een emmer water. Daarna was de droom niet meer teruggekeerd.

Toen hij dit had overdacht, was het tien over zeven geworden. Telkens, als hij bijna was ingesluimerd, werd hij met een schok weer klaar wakker. Zo ging het voort tot acht minuten voor half acht. ‘Nu kan er niet veel meer gebeuren,’ dacht hij, ‘als ik ergens last van krijg, is het licht als ik wakker word.’ Hij viel in slaap en droomde niet meer.