‘Ik was dat vrijzinnige gedonder zat’

Hans Schouten, ooit de protestantse dominee die Jannetje Koelewijn doopte, werd op zijn tachtigste tot priester gewijd. Ze zocht hem op, ook met haar vader, in een poging de omslag te begrijpen.
Priester Hans Schouten draagt de mis op in de H.H. Cosmas en Damianuskerk in Abcoude. Foto Merlijn Doomernik

Hans Schouten, priester Schouten, heeft mij nog gedoopt. Toen was hij dominee Schouten en hij droeg een zwarte toga met wijde mouwen die zich als vleermuisvleugels ontvouwden als hij zijn armen spreidde. Niet dat ik me daar iets van herinner, want het was februari 1959 en ik was net geboren. Maar ik heb foto’s van hem uit die tijd gezien. Gouden bril, strenge blik. Vrolijke blonde krullen, dat wel.

Hij was predikant van de gereformeerde kerk in Tuindorp Oostzaan, een buurt met van die rood bakstenen huisjes in Amsterdam-Noord. Een jaar later liep de boel onder water – de dijk van de Noorder IJ-polder was doorgebroken – en mijn ouders verhuisden met hun kinderen naar een flat in Osdorp. Sindsdien had ik hem nooit meer gezien.

Maar een jaar of wat geleden belde hij me op, ’s avonds tegen elven, ik wilde bijna gaan slapen. Hij noemde zijn naam en ik wist meteen wie hij was, al twijfelde ik wel even. Hij klonk zo jongensachtig en hij moest toch al een eind in de tachtig zijn. „Je weet dat ik je gedoopt heb”, zei hij met een stem die trilde van ingehouden woede. „En nou schrijf jij in dat boek over je ouders dat ik openlijk homoseksueel ben geworden. Waar háál je het vandaan.”

Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Het was waar wat hij zei. In dat boek had ik verteld hoe ik op een zondagmiddag met mijn ouders had zitten praten over hun eerste huwelijksjaren, toen ze nog alle zondagen samen naar de kerk gingen. Mijn moeder geloofde allang niet meer, maar ze had nog niet de moed gehad om dat tegen mijn vader te zeggen.

„Dominee Schouten”, zei mijn vader. „Goeie vent.”

„Hij was homoseksueel”, zei mijn moeder, in een van de zeldzame heldere momenten die ze toen nog had.

„Was?”, zei mijn vader. „Werd.”

„Was”, zei mijn moeder. „Homoseksueel word je niet. Dat ben je. Hij woonde samen met een man.”

„In de pastorie”, zei mijn vader. „Maar daar verbonden wij in die tijd geen conclusies aan. Wat wisten wij nou van dat soort dingen af. Later” – en nu kwam wat hem betreft het ergste – „is hij rooms geworden.”

„Ben je daar nog?” vroeg Schouten door de telefoon.

„Ja, ja”, zei ik.

„Ik wil dat je een brief naar de bisschop schrijft”, zei hij. „Daarin leg je uit dat het op een misverstand berust.”

„U bent dus wel katholiek geworden”, zei ik.

„Priester”, zei hij. „Op mijn tachtigste. En ik woon al bijna zestig jaar samen met Jaap, als kameraden. Heb je een pen bij de hand? De aanspreektitel is Uwe Hoogwaardige Excellentie Monseigneur…”

Hij noemde de naam van de bisschop en raadde me af om in die brief de titel van mijn boek te noemen. „De hemel bestaat niet. Hoe kóm je erbij. Maar nu ik je toch spreek” – de woede was opeens verdwenen – „hoe is het met je vader? Weet je dat ik nog foto’s van hem heb? Oude foto’s, uit december 1959. We deden een kerstspel en hij was koning Herodes.”

„Een kerstspel?” zei ik. „Mijn vader?”

„Nou en of.”

„En hij was koning Herodes?”

„Jazeker. Hoezo?”

„Nou ja”, zei ik. „Zo ken ik hem niet.”

Een week later ging ik bij hem op bezoek, en in de jaren die volgden deed ik dat nog vele malen. Hij kon zo prachtig vertellen over een wereld die vrijwel verdwenen is en waarvan ik de laatste bloei nog net heb meegemaakt. Zoals Svetlana Alexijevitsj zei toen ze de Nobelprijs voor de Literatuur 2015 ontving: je kunt de grote geschiedenis kruimel voor kruimel bijeensprokkelen door naar de verhalen van kleine mensen te luisteren.

Predikant in Tuindorp

Ik nam de bus naar Baambrugge en liep langs de Rijksstraatweg naar zijn huis. Een oude hofstede, tot in de dakgoten begroeid met klimop. Alleen de ramen waren uitgespaard. Ik glibberde over het groen uitgeslagen tuinpaadje naar de voordeur en trok aan de bel. Het duurde minuten voordat ik het gerammel van ijzer op ijzer hoorde. Daar stond hij, zwaar leunend op zijn stok. Zijn huid was bleek als van iemand die zelden meer buiten komt. „Ha, daar ben je”, riep hij met die jongensachtige stem van hem, opmerkelijker nog nu ik hem zag. Zijn haar was nog altijd blond en krulde bij zijn slapen.

Hij schuifelde voor me uit naar zijn werkkamer en wees me een stoel naast de gietijzeren gaskachel. Op tafel zag ik foto’s liggen en ik herkende het magere lijf en het opgeschoren haar van mijn vader van vroeger. „Ik zal je vertellen hoe ik predikant in Tuindorp ben geworden”, zei Schouten. „Ach, wat een plezier heb ik daar gehad. Mensenlief.”

Hij woonde nog op de Nieuwendijk in Amsterdam, boven de juwelierswinkel van zijn moeder. Zijn vader was overleden, zijn broer gesneuveld in Nederlands-Indië, en zijn moeder had de zaak voortgezet. Maar als zij ziek was, stond hij achter de toonbank. En ’s avonds zette hij de hekken voor de etalage. Het was 1955 en hij was afgestudeerd, maar beroepbaar was hij niet. Zijn hoogleraren hadden hem aangeraden naar Oxford te gaan om te promoveren. Bovendien hield hij nog te veel van het studentenleven. Hij was rector van het gereformeerde studentencorps.

Toen stonden er op een avond in april drie ouderlingen uit Tuindorp voor de deur. Hij kende hen wel, hij ging wel eens naar Tuindorp om te preken, op de fiets, met de pont over het IJ, de slippen van zijn jacquet vastgezet met knijpers. Maar wat kwamen de broeders nu doen? Ze moesten hem persoonlijk hebben, zeiden ze. Dus: alle trappen op naar zijn met boeken volgestouwde kamertje. Broeder Van der Plas en broeder Reyngoud gingen op het opklapbed zitten. Voor de derde broeder – „hoe heette hij ook al weer?” – was er een stoel. Zwijgend legde die de beroepsbrief voor hem neer. „Ik viel bijna om van de schrik.”

„Maar uw antwoord was dus ja”, zei ik.

„Ik had de moed niet om nee te zeggen.” Hij boog zijn hoofd. „Je kunt wel eindeloos bidden om Gods leiding, maar wat doet dat ertoe als je vervolgens niet naar Zijn tekenen luistert?”

Het was het eerste keerpunt in zijn leven.

De deur van de werkkamer ging open, een man kwam binnen, een blad met koffie in zijn handen. „Ah, daar hebben we Jaap”, zei Schouten. Jaap glimlachte beminnelijk, maar zei niets. Hij zette de kopjes voor ons neer, een schaaltje koekjes ernaast en liep de kamer weer uit.

„Nu zal ik je vertellen over ons kerstspel”, zei Schouten terwijl hij naar de foto’s op tafel reikte. „Mijn hemel, wat was dat leuk. Ho! Ho! Wat doe je nou?” Ik was naast hem gaan staan en had mijn kopje op een van de vele boeken op tafel gezet. „De Bijbel! Je hebt je kopje op de Bijbel gezet!” Bij hem thuis vroeger, als hij de moed had om ook maar een papiertje op de trouwbijbel van zijn ouders te leggen, kreeg hij een draai om zijn oren. „Hatsee!”

Toen werd zijn gezicht weer zacht en vertelde hij over mijn vader, hoe vaak die na de dienst op zondag naar hem toe kwam in de consistoriekamer om nog wat over de preek te vragen. „Dan zei ik: broeder Koelewijn, ik kom van de week wel bij je langs.” Tot diep in de nacht zaten ze bij de kolenkachel te discussiëren over deze psalm of die spreuk, wat daar precies stond en hoe dat moest worden begrepen. Mijn moeder sliep.

Dat mijn vader Herodes zou spelen was Schoutens idee. „Met zijn statige voorkomen was hij geknipt voor die rol.” Met watten aan zijn kin en een laken om zijn schouders zat hij op zijn geïmproviseerde troon en gaf zijn soldaten opdracht om in Bethlehem alle jongetjes onder de twee te doden. En maar hopen dat Jezus er tussen zou zitten.

„Dat de mensen in Tuindorp dat wilden”, zei ik. „Toneelspelen, dat deden gereformeerden toch niet?”

„Het werd nog gekker.” Schoutens lach schalde door de kamer. „Jaap en ik hadden bezemstelen gekocht en rood geverfd, en daar hadden we conservenblikjes op gemonteerd, met een kaarsje erin, en toen het kerstspel begon, staken we al die kaarsjes aan. Mensenlief, wat een schitterend gezicht was dat. Iedereen vond het schitterend.”

„Mijn vader ook?”

„Je vader ook.”

„Hij heeft me verboden bij zijn begrafenis kaarsen te laten branden. Hij vindt kaarsen in de kerk verschrikkelijk.”

Schouten knikte. „Het was ook krankzinnig wat we deden.”

„En niet erg orthodox.”

„Maar ik bén wel orthodox”, zei hij. „Zeer orthodox. Ik geloof in de maagdelijke geboorte van Christus, ik geloof in Zijn wederopstanding en ik geloof dat Hij werkelijk aanwezig is in de eucharistie. En niet symbolisch, zoals de protestanten denken.”

Op je tachtigste

Op een dag, afgelopen zomer, nam ik mijn vader mee naar dominee Schouten. Hij wilde nou zelf wel eens van hem horen waarom hij katholiek was geworden. Daarbij: in zijn dromen is mijn vader altijd in Tuindorp Oostzaan. Het waren de mooiste jaren van zijn leven.

We gingen met de auto, want hij kan ook nauwelijks meer lopen. Jaap kwam naar buiten toen hij ons hoorde aankomen en samen ondersteunden we mijn vader terwijl we, trapje op, trapje af, naar de werkkamer gingen. Schouten stond ons al op te wachten. „Wim!”, zei hij. „Na 55 jaar! Het oude Tuindorp komt binnen. Wat ontzettend gezellig. Ga zitten.”

„Hoe drink je je koffie?” vroeg Jaap.

„Zwart”, zei mijn vader. „Zonder suiker.”

„Vroeger”, zei Schouten, „dronk je je koffie met warme melk en suiker.”

„Dat heb ik afgezworen toen ik in de jaren zeventig op dieet ging”, zei mijn vader. „Hoewel ik het nog altijd lekker vind.”

„Wij drinken hier de koffie nog op de klassieke wijze, met boerenmelk”, zei Schouten. „Alleen op zondag nemen we slagroom. Jaap maakt dan ook taartjes. Stukje cake, likeur, vruchtjes. Heerlijk. Dan is het echt zondag.”

„Zo”, zei mijn vader. „Nou. Ik heb begrepen dat je priester bent geworden. Waarom is dat?”

„Vanwege het gezag”, zei Schouten.

„Je bedoelt de hiërarchie”, zei mijn vader.

„Huh?” zei ik. Maar op mij letten ze niet meer.

„Dat ook”, zei Schouten. „Uiteindelijk moet er daarboven één club zijn die zegt hoe het zit.”

„De paus”, zei mijn vader, met een gezicht alsof hij gal proefde. „De vraag is of wij ernaar willen luisteren.”

„Ik dus wel, Wim”, zei Schouten. „Ik was dat gedonder met die vrijzinnige jongens in de gereformeerde kerk verschrikkelijk zat. Allemaal hun eigen exegese van de Bijbel en ondertussen liepen de gelovigen weg. Dus ben ik teruggekeerd naar de kerkvaders en dan zie je dat de alleroudsten al een duidelijke gezagsstructuur hadden gevestigd. Daar heb ik me bij gevoegd. Zo ben ik rooms geworden.”

„Paaps”, zei mijn vader.

Schouten deed alsof hij het niet hoorde en begon over Ignatius van Antiochië, die rond 110 na Christus in Rome voor de leeuwen werd geworpen. „Je weet wat hij geschreven heeft, Wim. Zoals Christus Zijn Vader gehoorzaamde, zo gehoorzaamt de bisschop Christus, en zo gehoorzamen de gelovigen de bisschop. Dat lag toen allemaal al vast.”

„Hm”, zei mijn vader. „Maar dan hoef jij toch nog geen priester te worden.”

„Nou ja”, zei Schouten. „Op een dag was de bisschop van Roermond hier. We dronken een glas port en we praatten over al deze zaken, en toen stelde hij voor me het vormsel te geven. Later” – Schouten vouwde zijn handen voor zijn borst – „vroegen bisschop Bär en bisschop De Jong onafhankelijk van elkaar en binnen twee dagen waarom ik me geen priester liet wijden. En dat, Wim, heb ik begrepen als een teken van God.”

„Op je tachtigste”, zei mijn vader.

„Op mijn tachtigste”, zei Schouten. „Het was het tweede keerpunt in mijn leven.”

„Hm”, zei mijn vader. „Nou. Herinner jij je broeder Van der Plas nog?”

„En of ik me die herinner”, zei Schouten. „Hij was erbij toen de broeders uit Tuindorp mij de beroepsbrief kwamen overhandigen.”

„Hij is beroerd aan zijn einde gekomen.”

„En veel te jong.” Schouten knikte bedroefd.

„Maar wat hem nou mankeerde”, zei mijn vader, „dat weet ik nog steeds niet. Ik deed samen met hem praktijkexamen boekhouden en opeens was hij dood.”

„Echt waar?” zei Schouten.

„Hij was getrouwd met een meisje Reyngoud. Wist je dat nog? Haar broer moest trouwen met een meisje De Rouwe, erger kon niet, want haar vader…”

En zo ging de ochtend voorbij.

Toen was het de derde zondag van de advent, twee weken geleden. Schouten droeg de mis op in de H.H. Cosmas en Damianuskerk in Abcoude en mijn vader was erbij. Ik zag hem met toenemende verbijstering kijken naar zijn oude dominee, die in een paarse kazuifel en met zichtbaar plezier alle rituelen uitvoerde, zingend als een operazanger, in het Latijn.

Mijn vader zong niet mee en hij weigerde de hostie, nors. Na afloop vroeg Schouten hem blijmoedig hoe hij het gevonden had. „Wat zal ik zeggen”, zei mijn vader. „Ik vond het verschrikkelijk.” Daarna hadden ze elkaar niets meer te zeggen.