Een vrouw van 38. Misschien nog wel, of toch niet meer

Anouk Eigenraam wist heel zeker dat ze geen kinderen wilde. Maar nu de deadline nadert steekt twijfel soms de kop op. "Soms lacht het leven je gewoon uit."

Kinderen in IKEA Amsterdam Zuid-Oost. Foto Lex van Lieshout / ANP

Enthousiast kwam mijn vierjarige neefje de kamer in gehobbeld met onder zijn arm een kussen. Zijn een jaar jongere broertje volgde in zijn kielzog met ook een kussen. Met een resoluut gebaar legde de oudste zijn kussen op het matras en dekbed op de grond, naast mijn kussen. De jongste deed prompt hetzelfde. Triomfantelijk keken ze me daarna aan. Vannacht wilden ze naast mij slapen, dat was duidelijk.

Ik was vertederd en verbaasd tegelijk dat ze zo dol op mij waren. Op mij, iemand waar kinderen altijd met een grote boog om heen liepen. Bij wie kinderen altijd de vriendin met wie ik was aanklampten, alsof ze feilloos aanvoelden dat ze bij mij weinig te zoeken hadden.

En ze hadden gelijk. Ruim twee decennia wist ik zeker dat ik geen kinderen wilde. Ik had er niets mee, vond kinderen meestal saai, lawaaierig en druk. Ik voelde ook nooit de hormonen, kriebels bij het zien van baby’s of die biologische klok, waar bijna al mijn andere vrienden met inmiddels kinderen het altijd over hadden.

Kraamvisites legde ik plichtsgetrouw maar gematigd enthousiast af. Wilde iedereen de nieuwe aanwinst altijd vasthouden, zo niet ik. Als beleefd afslaan te laat was, stond ik er onhandig mee te schutteren tot ik de baby opgelucht weer mocht teruggeven. De viering van eerste verjaardagen meed ik. Een keer haalde ik het geslacht van de pasgeborene door elkaar. Ik begon geboortekaartjes te archiveren zodat ik namen kon checken van kinderen van mijn vrienden als ik weer met ze had afgesproken. Niet dat ik nooit oppaste op hun kroost of dat ik een hekel aan kinderen heb. Maar mijn beste vrienden accepteerden dat ik nu eenmaal niet de vriendin was die ze eindeloos moesten doorzagen over wat de kleine doerak nu weer had uitgehaald.

Op de achtergrond speelt nog iets anders mee. Opgegroeid in een gezin met twee jongere broers die een aan autisme verwante stoornis hebben, was ik lang een soort tweede moeder thuis. Toen ik uit huis ging, vond ik dat ik wel even genoeg ‘gezorgd’ had. Bij het idee dat ik ooit weer voor een gezin zou moeten zorgen, kon en kan ik het nog spaans benauwd krijgen.

Daarbij komt dat ik een zwangerschap als geadopteerde ook lang te confronterend vond. Dat ik ben afgestaan als eenjarige, en dat mijn moeder in de tussentijd overleden is, blijven pijnlijke gebeurtenissen waarmee ik me nog niet verzoend heb. Een baby krijgen zou te grote parallellen trekken met mijn verleden, zo voelde het. Al heb ik nog wel heel even gespeeld met het idee om draagmoeder voor homovrienden te zijn. Maar dat plan heb ik snel laten varen. Zo zou ik ook nooit kinderen adopteren; je moet de geschiedenis niet willen herhalen.

Toen een aantal jaar geleden duidelijk werd dat mijn ex op een gegeven moment wel kinderen zou willen, probeerde ik toch open te staan voor het idee. Omdat hij ietwat chaotisch van karakter was met een dito levensstijl, twijfelde ik. Het vooruitzicht dat ik wellicht er alleen voor zou komen te staan, leek me een nachtmerrie. Hij vond op zijn beurt dat we geen kinderen moesten nemen als we er niet beiden honderd procent achter stonden. Maar ik vond dat, als het voor hem een breekpunt was van de relatie, ik bereid moest zijn kinderen in overweging te nemen. Ik was ervan overtuigd dat ik ernaar toe zou kunnen groeien, als ik maar aan het idee zou wennen.

Mijn gedachten in die periode draaiden rond in cirkeltjes, waarbij ik toen pas merkte hoe je wordt beïnvloed door de ideeën van de buitenwereld. Zo’n conversatie met mezelf zag er bijvoorbeeld zo uit:

„Als hoger opgeleide heb je de plicht om de wereld te bevolken met slimme mensen.”

„Alsof er niet al genoeg mensen zijn op deze aarde, we hebben last van overbevolking!”

„Je bent zo zorgzaam, je zou een geweldige moeder zijn.”

„Maar ik ben bang dat ik als geadopteerde enorm ga overcompenseren.”

„Dit is juist je kans om het over te doen, het beter te doen dan je ouders.”

„Zou het niet beter zijn als de keten aan negatieve gebeurtenissen bij mij ophoudt?”

„Ik denk dat kinderen het haarfijn aanvoelen als ze eigenlijk niet gewenst zijn.”

„Zodra het kind er is, ga je er vanzelf van houden.”

Etcetera. Uiteindelijk is dit natuurlijk allemaal ruis. En gaat het erom; voel je het, wil je het en hoe graag wil je het? Overigens werd het uiteindelijk niet mijn niet-kinderwens die de relatie opbrak, maar zijn verliefdheid op een ander. Het voelde alsof ik aan een ramp was ontsnapt.

Ik was benieuwd of mijn reis naar Zuid-Korea vorig jaar iets zou veranderen aan mijn kijk op een gezin. Het betekende geen drastische verandering, al liet het contact met mijn familie daar me voor het eerst voelen wat het betekent om bloedverwanten te zijn van elkaar. Tot mijn verrassing vond ik de kinderen van mijn halfzus- en broer heel schattig, en merkte ik dat ik Koreaanse kindjes sowieso leuk vond. Het maakte dat ik iets minder afwijzend tegenover het hebben van kinderen ben stond.

Een tijd geleden ontmoette ik iemand waarbij ik me voor het eerst kon voorstellen dat ik daar kinderen mee zou willen. Hij bleek echter geen kinderen te kunnen krijgen. Soms lacht het leven je gewoon keihard uit.

Momenteel is er in de verste verten geen potentiële vader voor wie dan ook in mijn leven. Door mijn leeftijd bereik ik nu langzamerhand het point of no return. Heel af en toe grijpt dit me naar de keel en vraag ik me af: heb ik hier nu goed aan gedaan en hoe moet dat later als ik oud ben? Zijn er dan nog genoeg vrienden met wie ik aan de toog kan zitten? Of word ik ook zo’n bericht van iemand die pas na jaren dood gevonden wordt in z’n huis? Het kan je soms een enorme Remi doen voelen. Tegelijkertijd is die twijfel niet zodanig dat ik alleenstaande moeder wil worden, mijn eicellen voor duizenden euro’s in laat vriezen of als een razende aan het daten sla omdat ik wellicht, heel misschien, eventueel toch kinderen wil als de ander het zou willen.

En daar staat tegenover dat ik ook enorm van mijn vrijheid geniet, dat ik ontzettend veel reis en dat ik nog steeds kan fantaseren over in welk buitenland ik allemaal ga wonen. Mensen met kinderen zien misschien als ze aan hun eind denken een plaatje voor zich dat ze zijn omringd door kinderen en kleinkinderen. Ik zie voor me dat ik ergens in een ver land de woestijn, de bergen intrek.

Ik ben er nog niet uit. Laat ik het daarmee aan het toeval over? In feite wel, maar volgens mij heet dat ook leven.

Special #geenkind
Christiaan Weijts: beslissing tot voortplanting is ongrijpbaar, vooral voor mannen

Hoofdcommentaar: 1,7 kinderen per vrouw is te weinig

Twee vrouwen van 26 en 28. Waarom moeten wij een kind krijgen?

Een vrouw van 47. Ik weet niet wat ik mis, dus mis ik niks

Een man van 34. Steriliseren toch?

Een vrouw van 63. Af en toe vind ik het ergens wel jammer