Dit weekend moet hun leven veranderen 

Een ondernemer uit Nederland, zijn zoon (28) en twee Afrikaanse mannen, ook 28, beklimmen de witmarmeren trappen van hotel Radisson Blu in Antwerpen. Ze hebben twee kamers geboekt, zeggen ze tegen de man in pak achter de glimmende balie. De ondernemer neemt een kamer met een Afrikaanse man, zijn zoon deelt de kamer met de tweede Afrikaanse man. De baliemedewerker vraagt per kamer een paspoort, noteert namen en nummers en geeft de pasjes voor de kamers. 

Eenmaal in de lift wisselen pasjes van eigenaar. De ondernemer gaat met zijn zoon op een kamer, de Afrikaanse mannen nemen de andere. De kamerverdeling bij de balie was nodig omdat de twee Afrikaanse mannen geen paspoort hebben en zich dus niet kunnen identificeren. Ali Isiaki en Amadu Diallo wonen illegaal in Nederland en zijn nu ook illegaal in België. Nooit eerder waren ze in een hotel. Ze verheugen zich op de grote kamer met ligbad. Op de jacuzzi en het zwembad in de fitnessclub en vooral op het uitgebreide ontbijtbuffet.

We zijn niet alleen in Antwerpen om te relaxen. Dit weekend moet hun leven veranderen. Het gerucht gaat dat je in België en Duitsland makkelijker verblijfspapieren kunt krijgen. We willen uitzoeken of dat klopt. Ali Isiaki en Amadu Diallo hebben vrienden die het al eerder in Nederland voor gezien hielden. Ze vertrokken naar België en Frankrijk.

Ali en Amadu zijn goede vrienden, ze beschouwen elkaar als broers. Ze ontmoetten elkaar op de eerste dag in Nederland – bij de asielaanvraag. Ze waren toen allebei vijftien. Amadu komt uit Guinee, Ali uit Benin. Sinds die eerste dag in Nederland zien ze elkaar vrijwel dagelijks. Op de hotelkamer strekken ze zich uit op de zachte bedden. Ze bekijken de badkamer met ligbad. Dan trekken ze de witte badjassen en witte badstof slippers aan die in plastic verpakt op het bed klaarliggen. Het zwembad is op de eerste verdieping.

Visje eten

De ondernemer wacht om half vier in de lobby. Dat hebben ze afgesproken. Ze hebben een afspraak om vier uur. Om tien over half is er nog niemand. Hugo Kruijt is niet geïrriteerd. Hij is niet snel ongeduldig. Hugo Kruijt is een zelfverzekerde, vriendelijke Katwijker die, zoals hij zelf zegt, zich vanuit zijn christelijke achtergrond meer is gaan verdiepen in spiritualiteit. Hij heeft een eigen praktijk in financiële dienstverlening.

Hij leerde Ali Isiaki en Amadu Diallo drie jaar geleden kennen via een verhaal in de krant. NRC volgt de mannen al jaren in hun illegale bestaan. Wat hem toen opviel: de twee mannen hebben dezelfde leeftijd als zijn twee zoons. Een zoon is afgestudeerd, de ander bijna. Ze maken reizen, maken plannen voor de toekomst. Ali en Amadu konden hun vmbo-diploma afronden voor hun achttiende – het moment dat ze illegaal werden. Een vervolgopleiding mocht niet meer. Ze moesten terug naar hun geboorteland.

„Ik geef ze beiden een winterjas”, dacht hij toen. Het duurde even voordat het tot een afspraak kwam in het restaurant van de Bijenkorf in Rotterdam. Ze durfden niet. Ze dachten dat hij een undercoveragent was van de IND. Uiteindelijk durfde Ali het aan. Hugo Kruijt had een plastic tas met kleding bij zich en een plastic tas met eten.

Later maakte Hugo Kruijt ook kennis met Amadu. Ze gingen met z’n drieën een visje eten in Scheveningen. En ze kwamen een keer thee drinken bij hem thuis. Hugo Kruijt had zich nog nooit verdiept in illegalen. Het contact ontstond toevallig. Hij had het bij de kleding en het eten kunnen laten. Maar hij gelooft niet in toeval en zette zijn deur voor hen open.

Sinterklaas

En zo komt het dat hij dit jaar alweer voor de derde keer Sinterklaas vierde met twee witte zonen en twee zwarte ‘stiefzonen’. „Het zou toch leuk zijn als hier over een tijdje wat kindertjes rondwandelen”, grapt hij tegen de mannen. „Wie wil er nou met een illegaal trouwen”, zegt Ali. Ze krijgen allemaal gedichten en sokken, shampoo en aftershave.

Ali is de denker, zegt Hugo Kruijt als je hem vraagt ze te typeren. Intelligent, leergierig en gevoelig. Een doorzetter. Hij wil het liefst een gezin stichten en aan zijn toekomst bouwen. Hij zou een goede vader zijn. Streng maar rechtvaardig. Hij was graag leraar geworden. Hij is voorzichtig en soms somber. Een echte Hollander eigenlijk.

Amadu is frivoler, zegt Kruijt. Hij houdt van een gebbetje. Hij lacht zorgen weg en neemt het leven makkelijker dan Ali. Het liefst eet hij een broodje in de Subway, maar daar heeft hij meestal geen geld voor. Hij zou graag conducteur worden op de tram.

Het illegale bestaan drukt op beiden, ze kunnen geen normaal leven leiden. Ali slaapt bij vrienden op de bank, Amadu wisselt steeds van adres. Ze verlangen intens naar legaal werk, een huisje voor zichzelf, en als het erin zit, een gezin. Ze moeten naar Afrika, maar Benin en Guinee nemen hen niet terug zonder documenten. Ze mogen niet blijven, en ze kunnen niet weg. ‘Papieren’ zijn overal het toverwoord. In Nederland is het niet gelukt die te krijgen. Heeft België een rekkelijker asielbeleid?

Om antwoord te krijgen op die vraag moeten we langs bij Tetty Rooze, een Nederlandse vrouw die al jaren in België woont en werkt voor het Protestants Sociaal Centrum in Antwerpen. En om de afspraak met haar te halen moeten de mannen nu uit de jacuzzi. Twintig minuten te laat verschijnen Ali Isiaki en Amadu Diallo grijnzend en met vochtig haar in de lobby.

Verkeerd moment

Tetty Rooze is een vriendelijke, realistische vrouw die jarenlang ervaring heeft met asielzoekers, illegalen en vluchtelingen. Ooit was het inderdaad makkelijker dan elders om in België een verblijfsvergunning te krijgen, zegt Rooze. In de jaren tachtig waren er nog grote verschillen in asielbeleid tussen West-Europese landen. Maar dat is niet meer zo. Een generaal pardon is ook niet snel te verwachten, in de momenteel wankele westerse wereld. „Jullie komen op het verkeerde moment.”

En als je een vriendin hebt die legaal is, vraagt Amadu hoopvol. Hugo Kruijt schraapt zijn keel. Hij denkt aan die keer dat hij met twee Nederlands-Nigeriaanse dames ging praten over een onderwerp waar hij zijn leven nog niet aan had gedacht. Hij was hen via een zakenrelatie op het spoor gekomen en ze waren wel bereid twee illegale mannen „te helpen”. Maar tijdens het eerste gesprek bleek dat die hulp flink wat duizenden euro’s zou gaan kosten. „Het voelde niet goed”, zegt Hugo. Een van zijn zoons had moeten lachen toen hij het verhaal hoorde. „Pas op hè, pa, straks pakken ze je nog op voor mensenhandel.” Daar had Hugo al helemaal niet aan gedacht.

Tetty Rooze lacht. „Advocaten zeggen vaak tegen cliënten: zoek een vrouw. En dan komen mensen hier en vragen: heeft u een vrouw voor me? Een langdurige relatie kan soms helpen bij een verblijfsvergunning. Zeker als er kinderen zijn. Maar je zit als illegaal in een afhankelijke positie. Je moet voor alles wat je wilt kopen geld vragen aan je partner. Wie het geld heeft, heeft de macht.”

En áls de relatie slaagt, moet er een geboortebewijs worden opgehaald in het land van herkomst. In de dorpen in de Afrikaanse binnenlanden waar Ali en Amadu vandaan komen, was geen winkeltje, geen school. Laat staan een gemeentehuis waar iets werd geregistreerd. Ook in Afrika bestaan ze niet op papier.

Rooze geeft wel ándere tips. Praat erover met mensen die in dezelfde situatie zitten, zegt ze. „Probeer je niet groot te houden. Streef naar een zo normaal mogelijk, gestructureerd leven. Dat is de enige manier om het mentaal vol te houden. Staar je niet blind op de papieren. Ze maken je niet per se gelukkig.”

Papieren maken je niet per se gelukkig, herhaalt Hugo Kruijt als ze buiten staan. „Dat is wel een mooie relativering.”

Tijdens het avondeten in een brasserie in het centrum van Antwerpen praten we over de vele vluchtelingen die al sinds de lente naar Nederland komen. De Syriërs en Eritreeërs krijgen vrijwel meteen een (voorlopige) verblijfsvergunning. En een uitkering. Die uitkering vindt Ali echt belachelijk. Daar word je toch lui van? Waarom geef je mensen geld die kunnen werken? Zij hebben toch ook nooit geld gevraagd? Nou dan.

Natuurlijk zijn we jaloers, zegt hij daarna. „Zij zoeken veiligheid en een beter leven, net als wij.” Hij probeert er niet over na te denken. Maar het vreet toch aan hem.

Wat hem ook opvalt, is het verschil in houding tussen de vluchtelingen van nu en henzelf destijds. „De mensen zijn nu veeleisender. Ze hebben hun hoofd rechtop, schouders naar achteren en zeggen waar ze recht op hebben. Of denken te hebben. Ze zijn ongeduldig. Wij wachtten af. Durfden niets te vragen. We wisten niet eens waar we recht op hadden. Of we wel ergens recht op hadden.”

Toen hij als vijftienjarige in Nederland kwam, vertelde hij ook niet alles, zegt Ali. De mensensmokkelaars hadden verteld wat hij moest zeggen. Als hij dat niet zou doen zouden ze hem weten te vinden. „Ik was doodsbang voor hen.” En over de stammenstrijd in zijn dorp die zijn ouders het leven kostte, kón hij niet alles vertellen. Nog steeds is hij daartoe niet goed in staat.

Pas jaren later besefte hij dat dat hem zijn verblijfsvergunning kostte. Het verklaart waarom andere kinderen die rond diezelfde periode uit Benin naar Nederland kwamen, nu wel Nederlander zijn. Dat maakt hem woedend en radeloos.

Dan brengt de ober een bordje met een servet eroverheen. Hij zet het voor Amadu. Die kijkt verbaasd en trekt de servet eraf: op het bord liggen een badschuimbruisbal en een geel badeendje. Grapje van Hugo. De ober lacht van een afstandje mee.

Gerookte makreel

De volgende ochtend. De eerste ontbijtronde staat in het teken van ei: gebakken, gekookt, scrambled, spiegel. Het buffet is uitgebreid. Cornflakes en muesli natuurlijk, in de tweede ronde, net als de verse sappen en fruit. We proberen de vis ook, straks, zegt Ali. Er ligt gerookte zalm, makreel en tonijn. „Pas maar op”, zegt Hugo, „straks passen jullie niet meer in bad.”

Vandaag is er een afspraak met een vriend van Amadu, een Surinamer die jarenlang in Nederland woonde. Ook hij heeft geen verblijfspapieren. Alle pogingen in Nederland strandden. Nu lijkt het hem te lukken in België. Hij wil absoluut anoniem blijven: alles wat een procedure kan doorkruisen, vindt hij doodeng.

En daarna gaan we naar de dierentuin, zegt Hugo, terwijl hij in een toeristengids bladert.

De Surinaamse man treffen we in een café. Hij blijkt goedlachs en behulpzaam. Hij is vol van de verblijfsvergunning die in het verschiet ligt. Die dankt hij aan de relatie met een Antwerpse vrouw die hij leerde kennen via internet. Natuurlijk vertelde hij haar aanvankelijk niet dat hij illegaal was.

„Nee, dat zeg je niet”, zegt Amadu.

Hij nam de trein naar Antwerpen. En daarna nog eens, en nog eens. Na een paar maanden vertelde hij zijn vriendin over zijn illegaliteit. Ze was geschokt maar beëindigde de relatie niet. Dus hij nam hij het weekend daarop weer de trein. En hij stopte de toen nog papieren kaartjes in een zijvak van zijn tas. Dat hij dat deed bleek een jaar later een godsgeschenk: hij had documentatie nodig om te laten zien dat het niet een schijnhuwelijk betrof. „De kaartjes waren belangrijk bewijs. Maar ook foto’s die we maakten, van bonnetjes, van museum- of bioscoopkaartjes. Bij de vreemdelingendienst willen ze van alle uitstapjes bewijs.”

Het verschil met Ali en Amadu is dat hij op papier heeft dat hij is wie hij is. Hij heeft een Surinaams paspoort. Daarmee werkte hij jarenlang in garages en in de bouw, al was dat niet volgens de regels.

Even later lopen ze door de Antwerpse dierentuin. Ze staan lang stil voor de kooi met gieren. Die zie je overal in Benin, zegt Ali. Als ergens iets eetbaars ligt, of een dood dier, zitten ze er. Ze zijn de duiven van Afrika.

Het was mooi geweest als het weekendje was afgesloten met een gouden tip. „Je rekent nergens op, maar je hoopt des te meer”, zegt Ali als we weer naar Nederland gaan.