De economie van de overvloed

Voorbij zijn de tijdens van schaarste, nu is van alles te veel: geld, olie, arbeidskrachten en kantoren. Wat doet dat met u?

Illustratie Roel Venderbosch

Ze komen nooit meer terug, de drie dwaze dagen van de Bijenkorf. Die knotsgekke dagen met kapitale kortingen en kwijlende koopjesjagers beleefden hun laatste editie.

Dwaze lage prijzen gaven het foute signaal, vond de directie van de Bijenkorf. Daarmee kan een warenhuis zich niet profileren als het zich wil meten met grands magasins voor een rijke Chinese en Russische cliëntèle. Een prijzenfestival straalt niet de exclusiviteit uit waarmee de Bijenkorf zich wil onderscheiden. Lage prijzen weerspiegelen een overaanbod. En dat is tegenwoordig zo alom aanwezig en zo gewoon dat het de meeste mensen nauwelijks nog opvalt.

Dat is raar.

In de economie stond schaarste altijd centraal. Meer of minder schaarste vertaalt zich in meer of minder hoge prijzen, in meer of minder hoge lonen en vervolgens in keuzes voor consumptie, investeringen, meer of minder werken en dus meer of minder vrije tijd.

Maar nu lijkt het er meer op dat er van alles te veel is. Te veel besparingen. Te veel geld in omloop – daarom is de rente zo laag.

Te veel geld in de kas van grote ondernemingen – ze kopen liever andere bedrijven dan eigen investeringen te doen.

Te veel olie en (schalie)gas wordt uit de bodem gepompt – daarom is energie zo goedkoop.

Meer werkkrachten en popelende werklozen die aan de slag willen dan er banen zijn – daarom stijgen de lonen zo sloom.

Te veel grondstoffen – daarom zijn de prijzen zo laag.

Te veel kantoren – daarom staat er nu 7.805.000 vierkante meter leeg.

Zegen voor de consument

Onmogelijke keuzes zijn het resultaat. Wat moet je als consument, als werkgever of als politicus doen als de economische wetten van de schaarste en dus van realistische prijzen niet goed meer werken?

Het teveel aan grondstoffen en arbeidskrachten is een zegen tvoor de koopgrage consument. Zij zorgen voor stabiele prijzen, ja zelfs prijsdalingen.

Het overschot aan geld en de ultralage rente die de ECB regisseert, zijn een regelrechte kwelling voor spaarders en voor de huidige en toekomstige pensioengerechtigden, alles bij elkaar zo’n 10 miljoen Nederlanders. Wie geld overheeft, krijgt hooguit nog een half procent of iets meer op een spaarrekening.

De lage rente nekt ook de pensioenfondsen. Zij beheren wel het formidabele bedrag van 1.247 miljard euro aan beleggingen. Maar als gevolg van de lage rente zijn hun pensioentoezeggingen aan ouderen en werknemers ook torenhoog. Zij behalen namelijk door die lage rente een bescheiden rendement. Dus hebben zij weinig of helemaal geen ruimte om de pensioenen van ouderen en werknemers te verhogen.

Maar wat is het gevolg van die lage rente en de bevroren pensioenen? Het maakt mensen nerveus: zij sparen voor financiële zekerheid, maar door die lage rente duurt het veel langer voordat zij hun doel bereikt hebben. Dus sparen ze gewoon verder. En daardoor blijft de rente laag.

Het overschot aan energie is een straf voor natuur en milieu. Dankzij het extra aanbod van olie vanuit onder meer het Midden-Oosten en het extra aanbod van schaliegas en kolen uit de VS, is energie spotgoedkoop. Dat is voordelig voor vervuilende kolencentrales en voor energie slurpende bedrijven. De prijsval van kolen, gas en olie drukt de inflatie en dat is weer goed nieuws voor werkgevers die minder loon willen betalen. Maar die lage energieprijzen stimuleren natuurlijk op geen enkele manier duurzame, duurdere energieopwekking.

Afbrokkelende zekerheden

Het surplus aan arbeidskrachten doet zich pijnlijk voelen in de cijfers over banen en lonen. Wie werk heeft (behouden) kan als consument de vruchten plukken van het overaanbod. En kan zich een winnaar wanen. Maar je ziet de zekerheden afbrokkelen. De stemming in het land heeft de zorgelijke ondertoon dat die mooie toekomst achter ons ligt en kinderen het niet meer zo goed zullen krijgen als hun ouders, zo blijkt uit recente peilingen van denktank SCP én een buurtonderzoek van NRC.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau becijferde dat de economische crisis de meeste Nederlanders nog steeds dwarszit. Mensen met lage en middeninkomens zitten nog steeds onder het niveau van 2004. Alleen hogere inkomens genoten per saldo groei in koopkracht.

Op de arbeidsmarkt is nog geen resultaat van het herstel te zien. De meest recente raming van het CPB gaat uit van 600.000 werklozen. Tel daar de 125.000 arbeidsgehandicapten bij die op basis van de Participatiewet zinvol werk moeten krijgen, plus de stroom asielzoekers en je ziet: overaanbod van arbeidskracht.

En voor wie wel werkt heeft: technologische aardverschuivingen en bezuinigingen bij overheden ontwortelen her en der bedrijfstakken.

De traditionele postbode, die ooit een regulier huishouden kon onderhouden, wordt dankzij internet en e-mail een deeltijdwerker. In de thuishulp gaat het dezelfde kant op. Beroepen versplinteren in deeltijdbanen en stukloonwerk.

De gezondheidszorg was jarenlang dé banenmotor van Nederland, maar de bezuinigingen bij de Rijksoverheid hebben hieraan een einde gemaakt. Dat betekent dat de huidige werknemers hun baan verliezen én dat nieuwkomers niet langer terechtkunnen in diverse zorgsectoren. In 2014 verloren in de langdurige zorg zo’n 10.000 mensen hun deeltijdbaan, meldde het CBS . Sindsdien gaat het nog beroerder, zie de (naderende) faillissementen in de thuiszorg. Eerst dreigt loonsverlaging, dan krijgt je werkgever uitstel van betaling. Of gaat bankroet. Wie als werknemer in die maalstroom terechtkomt heeft weinig keus meer: als je al je baan behoudt, moet je slechtere arbeidsvoorwaarden accepteren.

Wie wat meer afstand neemt van specifieke sectoren, ziet de verbazingwekkende groei van werk op basis van flexibele contracten en de trend van de zzp’ers, de zelfstandigen zonder personeel.

Aan de onderkant van de arbeidsmarkt is de stijging het grootst, de minste groei zie je bij hoogopgeleide zzp’ers. Volgens het SCP botst dit met het idee dat flexwerk een „emanciperende contractvorm” is. Want dan zou je deze trend juist meer bij hogeropgeleiden zien. Het SCP suggereert dan ook dat de groei van flexwerk niet de hartewens is van de doorsneewerknemer, maar toch in de eerste plaats door de werkgever wordt gevraagd.

Want dat is, als je nog wat meer afstand neemt, een van de ongemakkelijke conclusies van zeven jaar economische crisis. Werkgevers hebben de crisis gewonnen. Zij hebben het overwicht op de arbeidsmarkt naar zich toe getrokken. Het bedrijfsleven, en zeker de grote ondernemingen, profiteren in de raming van CPB van een verdere stijging van toch al florissante winstgevendheid. Niets wijst op een kentering.