De Chinese droom

Liu Yiqian en zijn echtgenote Wang Wei waren taxichauffeur en typiste. Nu kopen ze kunst en antiek alsof ze een kom soep bestellen.

Liu Yiqian gaf dit jaar 172 miljoen dollar uit aan Amedeo Modigliani’s Nu Couché en schreef daarmee kunstmarktgeschiedenis.

Dollarmiljardair Liu Yiqian slurpt thee uit zijn Ming-kopje van 36 miljoen dollar.

Liu Yiqian (52), de Shanghaise taxichauffeur die op de vleugels van oprijzend China dollarmiljardair werd, mag graag provoceren. Met zuigende geluiden thee slurpen uit een pas aangeschaft antiek Ming-kopje van 36 miljoen dollar omdat keizer Qianlong dat 600 jaar geleden ook deed. Of pocherig vertellen dat hij in negen minuten 172 miljoen dollar uitgaf aan Amedeo Modigliani’s Nu Couché en daarmee dit jaar kunstmarktgeschiedenis schreef.

Dat was nog een hele klus, voegde hij er met de onvermijdelijke sigaret in de mondhoek aan toe, want hij kreeg een lamme hand en arm van het ‘vegen’ van zijn American-Expresskaart.

Net zo makkelijk als een kom soep met gevulde dumplings, kopen Liu Yiqian en zijn echtgenote Wang Wei, een voormalige typiste, kunst en antiek. Niet verwonderlijk dat zij dit jaar de lievelingen zijn van Christie’s, Sotheby’s en de grote veilinghuizen in China. Als ergens ter wereld op een veiling de prijzen omhoogschieten, is de kans groot dat óf Liu óf Wang aan de andere kant van de telefoon zit.

Over het uitgeven van kolossale bedragen aan kunst en antiek doet Liu laconiek: „Als je geld hebt, kan je beter het duurste kopen, want dat is meestal het beste, is mijn ervaring.” En: „Kunst kopen is leuk, niet zo moeilijk en ook nog interessant. Ik leer er in ieder geval veel van, meer dan van geld verdienen.” Dat laatste gaat inmiddels vanzelf: zijn 1,5 miljard dollar is belegd in chemie, vastgoed, internet én in wat inmiddels de grootste particuliere collectie aan oude Chinese kunst en antiek, revolutionaire en westerse kunst in China is.

Waarom het niet moeilijk is om kunst te kopen legt hij als volgt uit: „Toen ik ermee begon volgde ik gewoon de andere bieders en overtroefde hen. Pas na de aanschaf vroeg ik waarom een bepaald werk zoveel belangstelling trok.”

Platvloerse stinkerd

Liu Yiqian gaf dit jaar 172 miljoen dollar uit aan Amedeo Modigliani’s Nu Couché en schreef daarmee kunstmarktgeschiedenis.

Liu moet het verwijt incasseren dat hij een rijke, platvloerse stinkerd is, een „tuhao” in het Chinees. Daar heeft hij geen moeite mee, vooral niet omdat hij weet dat hij door vele gewone Shanghaiers diep wordt bewonderd. Maak een wandeling door de straten en lilongs (stegen) van oud-Shanghai, waar hij opgroeide in een appartement van 10,8 vierkante meter en de duimen gaan omhoog als ‘Maomao’, zijn koosnaam, ter sprake komt. Hij en zijn vrouw hebben ‘de Chinese Droom’ in praktijk gebracht. Modern China draait op de energie van miljoenen die net als Liu en Wang rijk willen worden. Vandaar ook dat de Shanghaise media geen genoeg krijgen van zijn, soms protserig klinkende verhalen over zijn „ontelbare huizen”, een nieuw appartement van 11,5 miljoen dollar, zijn beleggingen en de reden waarom hij twee musea heeft laten bouwen. „Ik had thuis geen plek meer voor al die kunst.” De impliciete boodschap is dat hij voor een jongen die op zijn zestiende voor het laatst een schoolklas van binnen zag, toch wel wat heeft bereikt, dankzij de Communistische Partij van China (CPC).

„Lach mij alsjeblieft niet uit, ik ben ongeletterd, ik heb geen verstand van grote theorieën en ik heb geen diepe kennis van cultuur, maar ik weet wel hoe je geld moet verdienen, dankzij de hervormingen van de CPC”, zei hij onlangs tegen MBA-studenten van de Shanghai Fudan Universiteit.

Liu’s levensverhaal – van straatverkoper en taxichauffeur tot een van de 596 Chinese dollarmiljardairs – en dat van Wang Wei, een typiste die nu twee musea bestuurt, zijn verplicht voer voor studenten economie & financiën. In gelegenheidscolleges doorspekt Liu zijn relaas met anekdotes over de wilde jaren 80 en 90 in Shanghai. „Er waren toen voor gewone mensen als wij veel meer kansen dan tegenwoordig.”

China zette de economische deuren open, de liberalisatie kwam langzaam op gang en in Shanghai werd het ultieme symbool van het kapitalisme, de aandelenbeurs, heropend. Zijn met tassenverkoop en taxiwerk verdiende spaargeld stak Liu, toen 18, in obligaties: hij kocht een belang in het Yuyuan-complex, inmiddels de grootste toeristenmarkt van Shanghai.

Taxichauffeurs verdienden goud in de eerste bloei-jaren van het postrevolutionaire kapitalisme in China. Er waren maar weinig taxi’s in Shanghai en taximeters bestonden niet. Vrouwen begonnen zichzelf na de naargeestige jaren van de Culturele Revolutie weer te verwennen en kochten mooie tassen, waaronder de eerste namaak Louis Vuittons.

Liu Yiqian praat niet graag met de media („ik heb niet veel te vertellen wat mensen willen lezen”) en laat dat liever over aan Wang Wei. De voormalige typiste op het administratiekantoor van een Shanghaise universiteit vertelt in een telefoongesprek dat zij er in die tijd niet aan dachten om hun spaargeld in kunst en antiek te investeren. „We dachten in ons kleine appartementje maar aan één ding: geld verdienen, geld verdienen, geld verdienen. Pas toen wij ons eerste miljoen dollar hadden verdiend, durfden wij zelf een tweedehands auto te kopen”, herinnert Wang Wei zich.

De grote doorbraak kwam in 2007 toen Liu besloot nagenoeg al zijn aandelen van de hand te doen. Een dik jaar later kelderde de beurs als gevolg van de westerse financiële crisis naar minder dan 2.000 punten, maar toen had Liu zijn vermogen al weer geïnvesteerd in vastgoed en nieuwe internetbedrijven. En in kunst, vooral Chinese kalligrafie en antiek, en in nationale en internationale veilingbedrijven. Met die investeringen in Chinese kunst was Liu al op bescheiden schaal begonnen in de jaren 90.

Mijn tweede grote liefde

Op de vraag waarom zij nog voor de hausse en de beurscrises op de nationale en internationale antiek- en kunstmarkten actief werden, zegt Wang Wei: „Al onze vrienden kochten vliegtuigen, hele dure auto’s en huizen. Mijn man zei dat hij ook een vliegtuig wilde kopen, maar ik stelde voor dat we ons geld in een museum zouden steken. Goed voor Shanghai, goed voor het land en dan hebben wij eindelijk plek voor onze verzameling.”

Luid lachend voegt zij er aan toe: „Hij verdient het geld, ik geef het uit aan kunst, mijn tweede grote liefde.” Een liefde die zij erfde van haar vader, een soldaat in het Volksbevrijdingsleger met een passie voor revolutionaire kunst. Liu en Wang beschikken over de grootste verzameling revolutionaire kunst en dat versterkt de cruciale relatie met de plaatselijke autoriteiten.

Vanuit zijn kantoor op de 70-ste verdieping van het Shanghaise Financiële Wereldcentrum kijkt Liu uit over de meanderende Huangpu-rivier, zijn oude, onlangs gesloopte buurt. Soms kan hij in de verte de contouren zien van zijn tweede, in 2014 geopende Long (‘Draak’) Museum. Het eerste Long Museum staat niet ver van hun villa in een van de nieuwe ommuurde woonbuurten in Shanghai-Pudong, nu een van de modernste woonwijken van China, waar tot eind jaren 90 nog rijst werd geplant.

Het tweede Long Museum ter waarde van 30 miljoen dollar wilde hij eigenlijk niet bouwen, maar hij kreeg een „vriendelijk advies” van de autoriteiten mee te werken aan de ontwikkeling van de voormalige industrieterreinen langs de West-Bund. Daar komen ook de Chinese studio’s van Steven Spielbergs DreamWorks en de kantoren van Disneyworld te staan.

Zonder aarzelen stemde Liu in met dat ‘advies’. In ruil heeft hij vrijstelling gekregen van het betalen van miljoenen aan import- en luxebelastingen op zijn in het buitenland aangekochte kunstbezit. Wang Wei vertelt dat haar man trots is op zijn land en op zijn stad en „altijd graag wil helpen als de partij roept”. Dat deed Liu ook bij de beurscrisis afgelopen zomer. Met bijna 200 miljoen dollar gaf hij gevolg aan de oproep van de autoriteiten om mee te helpen de koersval te stuiten.

Wang Wei: „Ons leven, en dat van onze families, is totaal veranderd door wat China de afgelopen dertig jaar heeft bereikt. Wij aten vroeger nooit vlees, en onze vader en opa’s hadden niet eens leren schoenen. Met onze kunstcollectie en musea doen wij wat terug, want de mens heeft meer nodig dan alleen eten en drinken.”