Afrekening van een jeugd

NRC publiceert in de laatste tien dagen van 2015 elke dag een hoofdstuk uit Gerard Reves De Avonden. Maar wat vonden we destijds eigenlijk van het boek? Hieronder de recensie uit het Algemeen Handelsblad van 21 november 1947.

“Dit is alle leed bijeengeveegd in een doos” en “zullen we samen fijn zielig doen?”

DEBUUT VAN SIMON VAN HET REVE

De Avonden

De Reina Prinsen-Geerligsprijs voor literatoren voor twintig tot vijf-en-twintig jaar is dit jaar voor het eerst uitgereikt en wel aan de drie-en-twintigjarige schrijver Simon van het Reve voor zijn “Winterverhaal” “De Avonden” (De Bezige Bij, Amsterdam). De ouders van Reina Prinsen Geerligs hebben gemeend van het studiegeld van hun dochter deze prijs te moeten instellen om haar op twintigjarige leeftijd onderbroken werk voort te doen zetten en deze prijs tevens te doen zijn een levend monument voor de nagedachtenis van al de op zo jeugdige leeftijd gefusilleerden, te einde de in leven zijnde jonge mensen tot vreugde en verdere aanmoediging bij hun litteraire loopbaan te dienen.

De jury, bestaande uit Jeanne van Schaik-Willing, Ed. Hoornik en H.J. Smeding, heeft de prijs toegekend aan een boek, dat op aangrijpende, verbijsterende wijze de geestelijke verwording bloot legt van een na-oorlogse jeugd. Simon van het Reve beschrijft de laatste tien avonden van het jaar (1946), zoals de hoofdpersoon uit zijn boek, Frits van Egters, die beleeft. Tien holle dagen, tien lege avonden, alles ontluisterend wat deze dagen aan luister zouden kunnen hebben. Een boek van een ontstellende morbiditeit, dat niettemin de lezer grijpt als een obsessie. Men zal menigmaal de neiging in zich voelen opkomen, dit onbeschaamde getuigenis van sadisme en masochisme, deze kwasi-liefdeloze confrontatie van het kind en de ouders weg te werpen, omdat het te veel wordt aan weerzinwekkendheid, zoals het te veel is geworden voor de jonge schrijver.

Want dit onmiskenbaar sterk autobiografische boek - het beste getuigenis voor een sleutelroman is, evenals in dit geval, de altijd onthullende verklaring, dat de sleutel niet past - lijdt aan een onbeheerstheid, welke de troost biedt, dat zij de jeugd van de schrijver verraadt. Van het Reve stapelt zijn sadismen - vaak in de vorm van anecdoten - opeen en dan bereikt hij niet anders dan de kwasi-amorele bravour van het groen. Dan ook krijgt zijn schrijfwijze het machteloze, krampachtige, waardoor de toon overslaat, klank verliest en alleen de weinig verheffende worsteling laat van een die gestraft is met een “geheugen vol kwellingen”, van een “zieke ziel”, van een die beducht is voor het “gevaar van een stilstaand gesprek”.

Deze Frits van Egters, die zijn ouders als een dagelijkse kwelling aanvaardt (we kennen deze haat der generaties al gruwelijker uit Vestdijks “Else Böhler”), die sarrend experimenteert, zichzelf kwelt, tot niets anders komt dan een van elke zweem van schoonheid of behagen in eigen wezen ontdaan Narcisme (een modern Narcisme?), wiens angst voor de dood, voor de ondergang, zich uit in een tergend, te pas en te onpas praten, altijd maar praten over kaal worden, deze Frits van Egters vertegenwoordigt de afrekening, het dagboek van de auteur.

En de psychologen weten, dat “de jongere zich enerzijds in zijn dagboek zoekt te ontlasten van de dingen die hem drukken of affectief sterk bezig houden, dat hij in het dagboek een beroep doet op zichzelf en zich door zelfopvoeding en zelfontwikkeling tracht te versterken, te ontlasten door het uitspreken van alles, wat het gemoedsleven in deze periode sterk vervult en tegelijk ook zichzelf aan te sporen, daar de jongere de zelfopvoeding als een taak opvat” (Charlotte Bühler, Psychologie der Puberteitsjaren).

Loden Vogel’s “Dagboek uit een kamp” en Anne Frank’s dagboek “Het Achterhuis” zijn indrukwekkende voorbeelden van twee jonge mensen, die ieder op hun eigen wijze, de katharsis bereikten van hetgeen het noodlot over hen bracht. Is het omdat Simon van het Reve niet waarlijk door de poel der ellende is gegaan, dat zijn verweer, zijn afrekening een zo morbide inslag kreeg?

Zijn voortreffelijke, diep ontroerende vertelling “De ondergang van de familie Boslowits” (Criterium, Dec. 1946), welke voor het eerst zijn naam deed klinken in onze letteren, getuigt overigens van een meesterlijke beheersing, bereikt een opmerkelijk peil met grote zuiverheid.

Wanneer deze intens zieke reactie van een jongmens een op zichzelf staand, een louter subjectief geval was, dan zou men zich met de onmiskenbaar litteraire kwaliteiten, welke in zijn boek herhaaldelijk obsederend doorbreken, kunnen troosten, zoals men zich aan het eind van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw verbijsterd troostte met de visionnaire Schoonheid van die bezeten zeventien-jarige Zuid-Amerikaan, Isidore Lucien Ducasse, wiens naam in de wereldliteratuur is blijven leven als Comte de Lautréamont, wiens “Les Chants de Maldolor” Kloos deden schrijven: “Zoudt gij niet opzien, (--) blijde in ‘t bewustzijn, in ‘t huiverend bewustzijn, dat ge ten minste ééns in uw leven, in uw arme mensenleven, iets schoons, iets verschrikkelijks, iets absoluuts hadt gehad?”

Maar Simon van het Reve is geen eenling onder de jonge literatoren, smalend op de verleidingen, misleidingen van de Schoonheid. De atmosfeer van walging en kwelling, zelfkwelling evenzeer, vindt men in publicaties van Luuk van der Land, van J.B. Charles en de jeugdige essayist Fokke Sierksma getuigde nog onlangs in “Podium”, dat de jonge generatie hinkend onderweg is. “Er zijn mensen, die zich op weg begeven hebben naar een toekomst, die voor zover het van hen afhangt, althans minder barsten vertoont dan deze rotwereld”. De “flinke” terminologie van deze uitspraak vindt men ook terug in het boek van Van het Reve, dat ontsierd wordt door “unprintable words”, omdat zij kennelijk alleen worden gebruikt om te tonen, dat de auteur zo iets toch maar durft, om te ergeren. Als dat functioneel mocht worden genoemd, dan heeft het slechts de functie van de voorkeur voor vieze woordjes van de kleuter.

In dit winterverhaal zijn slechts drie figuren tot waarneembare mensen geworden: de vader, de moeder en de zoon. Alle anderen blijven pratende verschijnsels. Viktor, de goede, blijft slechts een aanduiding; Maurits, de criminele, een naïeve verpersoonlijking van het kwaad. De vrouwen, met haar zwak verweer tegen de weerzinwekkende grollen van de jonge mannen die haar omringen, zijn niet anders dan namen. En toch zou men dit niet enkel en alleen aan onmacht van de schrijver mogen wijten. Komt het niet eerder voort uit schroom tegenover de andere sexe, een schroom, welke ook tot uiting komt in de ondertoon van deernis, welke verneembaar blijft bij de behandeling van de moederfiguur?

Van het Reve is zich bewust van het verworden beeld, dat hij ons voor ogen dwingt - Hoe kan ik deze dingen zeggen? (pag. 20). Ik ben te ver gegaan (pag. 111). Als ik bang was, riep ik: ik ben er niet (pag. 112). Ik heb een zieke ziel (pag. 164). Wat een gif, wat een ellende (pag. 183). Ik ben bang, maar tegelijk geniet ik er van (pag. 205) - maar hij dwingt ons getuige te zijn van een afschuwelijk gevecht van een jong, geestelijk verminkt mens. Een gevecht, dat alles ontluistert ten einde het naakte leven te kunnen redden, dat eindigt in een vreselijk, maar bevrijdend gebed voor de door biddende onmeedogend vernederde ouders.

Deze gemartelde werpt het jaar, het verleden, ten slotte van zich in het bevrijdende besef: Ik ben levend. Ik adem, en ik beweeg, dus ik leef. Is dat duidelijk? Welke beproevingen ook komen, ik leef.”

Dit boek is een hartverscheurende waarschuwing, lees het, walg er van, maar moge zelfgenoegzaamheid of gemakzucht u niet doof doen blijven.

B. STROMAN