Column

Zorgverzekeringszorgen

De zorgverzekering veroorzaakte dit jaar grote zorgverzekeringszorgen in tal van huishoudens. Urenlang zat men over polisvoorwaarden gebogen, werd er gewikt en gewogen over budgetpolis, naturapolis en restitutiepolis en al de complicaties die daarmee verbonden waren.

Ik was zo verstandig dit onderdeel van het bestaan uit te besteden aan mijn vrouw, een veel kritischer verzekeringsklantje dan ikzelf. Terwijl ik fluitend en tevreden nippend van mijn whisky mijn column zat te tikken – ja, zo is het leven van columnisten – zat zij, bedolven onder de paperassen, koortsachtig te onderzoeken of we naar een andere verzekeraar moesten.

Ze vergeleek voorwaarden, premies en eigen risico’s tot ze door de bomen het ziekenhuis niet meer zag. Op zeker moment, toen ik mijn glas moest bijvullen, trof ik haar in diepe wanhoop aan.

„Ik word er tureluurs van”, zei ze.

„Kunnen we niet gewoon alles bij het oude laten?”, vroeg ik. Mijn ervaring is dat dit meestal de beste houding is, verandering is over het geheel genomen slecht, zo niet noodlottig voor de mens. Thuis voor het raam, achter die veel bespotte geraniums, word je het oudst.

Ze keek me ontzet aan. „Jij wilt toch ook vrije artsenkeuze? Nou, die hebben we mooi niet met onze huidige polis.”

„We léven toch nog, of niet? Elk ziekenhuis en elke kliniek heeft ons altijd geaccepteerd, sterker nog: ze leken dolblij met ons.”

„Ja, maar je kunt een smerige kwaal krijgen waar een bepaalde specialist het best in is en als die niet is aangesloten bij jouw verzekeraar, moet je het grotendeels zelf betalen”, zei ze. Waarna ze omstandig het verschil tussen een naturapolis en een restitutiepolis begon uit te leggen. Veel ontging me, ook omdat ik steeds aan het slot van mijn column moest denken dat maar niet wilde lukken.

„Hoeveel eigen risico wil je eigenlijk?”, vroeg ze.

„Zo min mogelijk”, zei ik, „het leven is al kort genoeg.”

„Aan jou heb ik ook helemaal niets.”

„Doe maar wat je het beste lijkt”, zei ik. Daarmee verspeelde ik het prettige recht op kritiek achteraf, maar ik kreeg er veel gemoedsrust voor terug. Hoopte ik.

Een uurtje later kwam ze boos mijn kamer binnengestoven. „Ik heb gebeld met de verzekering”, zei ze, „en gevraagd of we onze aanvullende verzekering ook zónder alternatieve zorg kunnen krijgen. Maar dat kan helemaal niet! Je moet ook voor al die flauwekul betalen, al zul je er nooit gebruik van maken!”

„Oplichters moeten ook leven”, zei ik, en ik dacht aan die drukbezette acupuncturist die mij vijftig jaar geleden vol met naalden stak en me volkomen vergat nadat hij me in een donker, kil kamertje had achtergelaten. „O, bent u daar nog”, zei hij toen hij zijn praktijk wilde afsluiten.

’s Avonds vertelde ze me uitgeput voor welke polis ze had gekozen. En, ik kon tevreden zijn, we bleven bij dezelfde verzekeraar. Alles leek perfect geregeld, we konden nu ernstig ziek worden zoveel we wilden, maar ’s morgens maakte ze me opeens wakker met de vraag: „Die tandartsverzekering – kan ik die voor mezelf toch niet beter houden?”

Even later lag ik haar gebit te inspecteren. „Doet u maar goed open”, zei ik.