Vechten voor de vrijheid in de literatuur

Welke schrijvers deden het goed dit jaar? Waarom faalden bestsellerauteurs? En waar bleven het spektakel en het experiment? Lees hier de antwoorden. Door Arjen Fortuin Illustratie Peter van Dongen

Illustratie Peter van Dongen

Eigenlijk is het gek, schreef de Britse auteur Tim Parks begin deze maand in The New York Times Review of Books, dat wanneer schrijvers eenmaal een miljoenenpubliek hebben, het er niet meer toe lijkt te doen wat ze schrijven: hun boeken worden op basis van hun reputatie toch wel verkocht. Hoe slecht moeten Haruki Murakami en Jonathan Franzen gaan schrijven voor hun uitgevers het welletjes vinden? Vermoedelijk zal het nooit zover komen, al maakte Parks er geen geheim van dat hij vond dat de heren topauteurs met De kleurloze Tsukuru Tazaki en Zuiverheid een flinke stap naar beneden hadden gezet.

Feitelijk biedt zo’n boven alle twijfel verheven miljoenenstatus auteurs een buitenkans, redeneerde Parks: het geeft hun de vrijheid om te experimenteren, om eens iets geks te proberen – een boek dat in niets lijkt op iets wat ooit geschreven is. Wat let je, als zelfs een artistieke mislukking nog winstgevend is? Maar ja, constateerde hij: ze doen het niet. De recente miskleunen van Franzen en Murakami kwamen volgens hem juist voort uit het verlangen om hun lezers méér van hetzelfde te geven: ‘a tired, lackluster attempt to produce yet another bestseller in the same vein’. Parks noemde zijn stuk ‘A Novel Kind of Conformity’.

Werkt meer van hetzelfde als literair-commercieel concept? Niet altijd; zeker dit jaar in Nederland niet. De overgave, de nieuwe roman van Arthur Japin vol vertrouwde Japin-elementen, zakte deze herfst al na een paar weken weg uit de Bestseller 60. Ook Leon de Winters Bin Ladenroman Geronimo hield de belangstelling niet lang vast, ondanks een promotieactie met New York Pizza. Iets vergelijkbaars (niet de pizza, maar de lauwe lezers) gold voor de twee grote vertaalde titels van deze herfst: de door Parks al gelaakte Franzen (ik ben al enige weken op pagina 170) en Karl Ove Knausgårds Vader (pagina 17). Pijnlijker nog was het lot van de ‘nieuwe’ Harper Lee, Go Set a Watchman. De opvolger van de klassieker To Kill a Mockingbird werd begeleid door een kolossale hoeveelheid publiciteit en controverse. Er werd zelfs aangifte gedaan van ouderenmishandeling: men zou gebruik hebben gemaakt van de verwarring van de oude Lee (89) om haar het manuscript te ontfutselen. Normaal gesproken is ruzie de kortste weg naar een bestseller, maar de verkoop was niet bijzonder.

Dat gold helaas ook voor die van De ontdekking van Moskou. De postuum uitgegeven roman van Harry Mulisch was Mulischiaans tot in zijn vezels, met alles wat je daar vóór en tegen kunt hebben. Hoe dan ook voer voor Mulisch-fans, maar die lijken vijf jaar na de dood van de meester voorbij de regenboog ver achter de horizon verdwenen.

De nieuwe John Irving? Die wordt links en rechts gerecenseerd, maar de pallets waarin hij vroeger de boekhandel domineerde zie je nergens meer.

Het misverstand van het dikke boek

Wat bij deze schrijvers misschien ook meespeelt, is het misverstand van het dikke boek. Auke Hulst schreef in zijn recensie van Garth Risk Hallbergs debuutroman City of Fire (2 miljoen dollar voorschot, honderd krantenstukken, duizend advertenties, maar hier nooit bij de zestig best verkochte boeken van het land) dat uitgevers schijnen te denken dat omvang een kwaliteitscriterium is, waarna hij aan de hand van Hallbergs zwakheden liet zien waarom dat níét zo is. Een boek wordt, helaas, niet beter als het dikker wordt. Dat vinden niet alleen critici: de wisselende verkoopresultaten van Irving, Franzen en Knausgård wijzen erop dat het van de lezers best een onsje minder mag. Tim Parks maakte nog een interessante opmerking in zijn stuk, namelijk dat we stilzwijgend aannemen dat een groot publiek een indicatie van kwaliteit is. Dat is niet alleen in de commerciële sector zo. Stiekem geloven ook veel highbrowlezers dat het publiek uiteindelijk herkent wat kwaliteit is. Lees de schrijversbiografieën en stukken er maar op na: we gaan ervan uit dat wat goed is, uiteindelijk wel wordt ontdekt. En de massa heeft vaak smaak: zie Reve en Hermans. Of zie hoe de laatste jaren auteurs als Stephan Enter, Peter Terrin en Gustaaf Peek zijn doorgebroken. Soms kost het jaren van goede boeken, uitstekende kritieken en bedroevende verkopen, maar dan volgt de verlossende bevestiging.

Hilarisch slecht geschreven pulp

Strikt genomen hebben kwaliteit en verkoopsucces natuurlijk niets met elkaar te maken (zie het feit dat de toegift van de hilarisch slecht geschreven spank-pulp van E.L. James (Grey) deze zomer weer overal in de vakantietas zat). Maar toch: het opmerkelijke van het literaire jaar 2015 is dat het oordeel van de literaire kritiek en dat van de lezende massa behoorlijk synchroon liep. (Zelf kiezen voor wie dat goed of slecht nieuws is). Want bij de hierboven genoemde kwakkeltitels viel niet alleen de verkoop een beetje tegen, maar was ook de ontvangst wisselend. Tussen de fans van Knausgård en Franzen mengden zich de Knausverlaters en de Franzensceptici; Lee, Mulisch en Irving werd streng de maat genomen.

Aan de andere kant waren er boeken die de in de branche zo gewilde X-factor wél hadden. Joris Luyendijk (Dit kan niet waar zijn), Alexander Münninghoff (De stamhouder), Annejet van der Zijl (De Amerikaanse prinses) en Kim van Kooten (Lieveling) vlogen de winkel uit, maar dat niet alleen: ze werden ook door recensenten warm onthaald. De afgelopen weken bleek maar weer dat één wijs televisieoptreden (Amos Oz bij Buitenhof) meer kan doen dan honderd advertenties. Hebben de echte bestsellers iets gemeen – en zegt dat iets over ons, lezers? De boeken zijn niet al te dik, helder geschreven en kunnen aanspraak maken op echtheid. Zelfs de roman in het viertal, het debuut Lieveling van Kim van Kooten, draait om een waargebeurde misbruikgeschiedenis. Literair heel ambitieus is het niet, maar de stijl is soepel en onderhoudend, de toon onsentimenteel, de compositie intelligent en de ontknoping onverwacht – stuk voor stuk elementen waarbij hoger mikkende debutanten met hun pen in de knoop raken. Het leverde haar een hele rij positieve recensies op. Had je bij Van Kooten een zeker succes nog wel kunnen voorspellen op basis van de folder (beroemde auteur, aansprekend onderwerp), bij De stamhouder had waarschijnlijk geen mens verwacht dat de familiegeschiedenis van journalist Münninghoff meer dan een jaar lang een van de best verkochte boeken van Nederland zou zijn. Wél werd ook De stamhouder in de pers dadelijk op het schild gehesen als een bijzonder boek. In geen enkel opzicht was het dan ook méér van hetzelfde.

Literair spektakel in de marge

In zekere zin deden Joris Luyendijk en Annejet van der Zijl wél ongeveer wat er van hen verwacht mocht worden: ze gaven hun eerdere bestsellers een passend vervolg. Maar bij alle onderlinge verschillen hebben die twee auteurs ook iets gemeen: ze kiezen hun eigen onderwerp, leveren nooit half werk en laten zich niet opjagen. Dit kan niet waar zijn is het werk van een journalist die niet op zoek is naar het verhaal van de week of van de maand, maar dat van een decennium. Wel is de verontwaardiging die Luyendijk opwekt voor het overgrote deel van zijn lezers lekkere verontwaardiging: hardleerse bankiers zijn een prettige vijand, want we vonden stiekem al dat ze niet deugden. Luyendijk had daarover in een paar weken een pamflet bijeen kunnen tikken, of in een half jaar een onderhoudend boek vol anekdotes uit de tweede hand. Dat hij er desondanks een paar jaar voor heeft uitgetrokken om zich in de City onder te dompelen, maakt hem tot een voorbeeld voor de hele beroepsgroep.

Eigenlijk volgde Luyendijk precies de aanwijzingen op die Parks in zijn stuk gaf aan schrijvers: gebruik de vrijheid die je eerdere successen je hebben gegeven en ga je eigen gang. Maar Parks had het in zijn stuk in de eerste plaats over fictieschrijvers en die bleven dit jaar veelal in de schaduw. De Libris- en ECI-prijs gingen naar boeken van routiniers die bij de toekenning al een bestseller waren: Ik kom terug van Adriaan van Dis (die ook de Constantijn Huygensprijs won) en Het hout van Jeroen Brouwers. Het zijn ook allebei boeken uit 2014 trouwens, net als Kom hier dat ik u kus, de roman van de Vlaamse Griet Op de Beeck die dit hele jaar in de Bestseller 60 stond. Vooral oudgedienden trokken de aandacht: Connie Palmen schreef met Jij zegt het haar beste roman tot nu toe (maar niet haar best verkopende), P.F. Thomése leverde niet zijn beste boek af met het vernuftige, maar ook sentimentele De onderwaterzwemmer (en verkocht uitstekend). Boekenweekauteur Dimitri Verhulst voldeed zo soepel aan alle verwachtingen dat je er een beetje moedeloos van werd.

Het literaire spektakel voltrok zich vooral in de marge, waar Tonnus Oosterhoff het knotsgekke bouwsel Op de rok van het universum afleverde en bij M.M. Schoenmakers, die na bijna twintig jaar stilte ineens de prachtroman De wolkenridder de wereld in stuurde. Over een planoloog die zijn rijtjeshuis verruilt voor een transformatorhuisje in het park, waar hij te midden van andere ballingen van het gewonemensenleven zichzelf probeert terug te vinden (en ontdekt hoe weinig er te plannen valt). Intussen zette Annelies Verbeke met Dertig dagen een bejubelde stap vooruit en liepen jongeren als Wytske Versteeg (Quarantaine) en Jamal Ouariachi (Een honger) zich warm voor het onvermijdelijke moment dat ook zij door het grote publiek in de armen worden gesloten. Ouariachi is de grote favoriet voor de BNG Literatuurprijs, de onderscheiding voor jonge schrijvers die Versteeg in 2014 al won.

Drieduizend donateurs

Meer dan de inhoud van de boeken deed de logistiek stof opwaaien – in de vorm van twee uitgeverskwesties. De eerste was de opschudding die dit voorjaar uitbrak naar aanleiding van contracten bij uitgeverij Lebowski, waarin stond dat schrijvers ook een deel van hun inkomsten uit bijvoorbeeld optredens moesten afdragen – met als argument dat een uitgever die steeds meer als literair agent optreedt, ook recht heeft op beloning daarvoor. Hoe (on)rechtvaardig dat is moet elke auteur zelf uitmaken als hij zo’n contract krijgt voorgelegd: cruciaal is de onderliggende gedachte dat de inkomsten uit boekenverkoop (voor schrijver én uitgever) minder belangrijk worden.

De tweede is de oprichting van uitgeverij Das Mag. Die verleidde drie auteurs van de Bezige Bij tot een overstap met de belofte van meer persoonlijke aandacht en (iets) hogere royalty’s. Heel bijzonder was dat niet per se, ondanks de retoriek waarmee Das Mag zichzelf een revolutionaire air toedichtte (wat evenveel kritische retoriek van de concurrentie uitlokte). Geld en aandacht zijn de basisingrediënten van elke nieuwe uitgeverij.

Interessanter is het businessmodel dat Das Mag koos, waarbij een crowdfunding-campagne het startkapitaal van het bedrijf moest vergroten. Voor 60 euro kon men medeoprichter worden, met luxe edities van de drie eerste uitgaven als beloning. Dat diende om de band tussen lezer en uitgeverij te versterken, maar was óók een slimme manier om de boeken buiten de onzekerheid van de markt te verkopen. Er werden drieduizend donateurs binnengehaald, wat de drie eerste Das Mag-schrijvers (Maartje Wortel, debutante Lize Spit en Walter van den Berg) een respectabele eerste oplage opleverde. De methode is familie van oude tradities als de boekenclub en de abonnementen van de Wereldbibliotheek, maar in de context van 2015 sluit het prachtig aan bij het door Tim Parks geschetste beeld van een schrijver die zich moet zien te bevrijden van de grillen van het publiek. Waar Spit en Van den Berg straks ook mee komen, de eerste drieduizend lezers zijn binnen. Nu maar hopen dat de schrijvers zich inderdaad van alle denkbare druk bevrijd voelen en dat ze dus lekker hun eigen zin gaan doen.

Dat kan mooi in lijn met twee tips die Tim Parks aan het eind van zijn stuk gaf. De eerste is dat een schrijver nooit zijn neus moet ophalen voor dagelijks werk, of het nu stukken schrijven is of iets anders. Juist die inkomsten geven een schrijver vrijheid. De andere aanwijzing: ‘Wanneer je iets probeert te schrijven wat werkelijk nieuw is, laat het dan aan niemand zien tot het af is, praat er niet over, vraag geen enkele feedback.’

Sommige schrijvers hebben die wijze lessen niet nodig. Zo’n tien jaar geleden verbrak een Nederlandse schrijver het contact met de literaire wereld en trok met laptop, kat en rugzak naar Schotland. Inmiddels is Astrid Roemer terug met een manuscript, precies op het moment dat haar literaire reputatie door de durf van de jury van de P.C. Hooftprijs (ook literaire prijzen moeten het avontuur zoeken) tot leven is gekust. Het boek krijgen we waarschijnlijk dit voorjaar te lezen. Nu maar hopen dat het een meesterwerk is, dan heeft Parks gelijk en betreden we het tijdperk van het Nieuwe Non-Conformisme.