‘Ook u bent een kind van God’

De katholieke theoloog Borgman ziet God in de kerk, én in de wereld. Werk aan je bestemming: „Daar worden mensen gelukkig van.”

De kerststal voor de Dominicuskerk in Utrecht. Theoloog Erik Borgman brengt zijn kerk graag naar buiten. Foto Ilvy Njiokiktjien

De Dominicuskerk aan de Händelstraat in Utrecht-West heeft twee grote kerststallen. Bij de stal buiten probeert een passerende moeder haar krijsende kind achterop de fiets de betekenis van het tafereel uit te leggen. Rond de stal binnen heerst diepe stilte, typisch voor een kerk op een doordeweekse dag.

Om de hoek, in de aanpalende pastorie, vertelt katholiek theoloog Erik Borgman (1957) dat hij eens geprobeerd heeft kerkdiensten op een andere plek te houden: buiten, in een wijk. „Op een plek waarvan wij zeggen: daar heeft God iets mee te maken. Het kan een consultatiebureau zijn, of een school. Plekken waar iets positiefs wordt gedaan, en waarover we met elkaar in gesprek kunnen raken.”

Het kwam er niet van. Niemand voelde iets voor het experiment, vertelt Borgman. Zijn anekdote tekent zowel de moeizame verhouding tussen wereld en kerk, als de manier van denken die Borgman uiteenzet in zijn boek: Waar blijft de kerk? Gedachten over opbouw in tijden van afbraak.

God is in de kerk, maar vooral in de wereld en het zal de mens niet lukken zich aan die God te onttrekken, luidt één van de stellingen van de theoloog. „God is in de kerk, omdat die in de wereld staat”, zegt Borgman. „Maar de kerk hoeft God niet de wereld in te duwen. Die is daar al. Dat heeft een belangrijke consequentie. Ook tegen mensen die niet in God geloven, zeggen wij: u bent toch een kind van God, ook al wilt u dat misschien helemaal niet.”

‘Dat maak ik zelf wel uit’, zal het antwoord zijn.

„Dat zou goed kunnen. Laat me dit verduidelijken. Ik hoor tegenwoordig veel mensen zeggen: er is zo veel ellende in de wereld en in het nieuws, ik kan daar niet meer tegen. Ik sluit me daarvoor af. Tegen die mensen zeg ik: dat zal je niet lukken, want je bent toch een kind van God.”

Dat komt irritant missionair over.

„We leven niet meer in de jaren vijftig. De kerk van nu wil niks doordrukken. Ze wil vooral iets úítdrukken, een niveau waarop het leven beter leefbaar wordt.”

Zoals?

„De katholieke traditie zegt dat het de menselijke natuur is om een eigen leven te leiden en aan zijn of haar eigen bestemming te werken. Daar worden mensen gelukkig van. Kerkelijke inloophuizen bieden daarom niet alleen hulp; ze proberen hen ook zo snel mogelijk vrijwilliger te maken. Als ze zelf de koffie helpen inschenken, dragen ze bij aan de opbouw van hun eigen leven en dat van anderen. Zoiets kunnen ook mensen buiten de kerk begrijpen. Je ziet het aan de vluchtelingen die hier nu zitten. Die willen niets liever dan zelf iets doen, iets wat ze van de overheid nauwelijks mogen. Mensen zijn voortdurend bezig zichzelf van betekenis te maken, en willen dat anderen dat zien. Of het nu gaat om een vluchteling of om een PVV-stemmer.”

De vluchteling is populairder in de kerk dan de PVV-stemmer. De gedachte dat er mogelijk grenzen zijn aan barmhartigheid, lijkt in christelijke kring minder te leven.

„Kort na zijn aantreden ging paus Franciscus naar Lampedusa. Daar zei hij terecht dat ieder mens van oneindige waarde is en dat het een schande was dat wij de mensen in de Middellandse Zee lieten verdrinken. Critici reageerden met: zulke opmerkingen hebben een aanzuigende werking op de vluchtelingenstroom. Ik vind dat een perverse redenering. Je kunt toch niet onbarmhartig zijn of wreed, omdat het ongewenste effecten heeft als je dat niet bent? Je zegt toch ook niet tegen je kinderen dat je een hekel aan hen hebt, omdat dat beter is voor hun opvoeding? Het gaat erom hoe je die liefde vormgeeft. Dat wil je doen omdat je van ze houdt. Ook een christen moet nadenken over de vraag onder welke voorwaarden barmhartigheid het beste kan worden uitgevoerd.”

Sommige christenen zullen zeggen: we hoeven toch niet het leed van de wereld op onze schouders te nemen?

„Inderdaad, maar dat hoeven we ook niet. Dat leed is namelijk al op de schouders genomen. Dat is de betekenis van de kruisiging en opstanding van Jezus Christus. Iedereen weet, ook christenen, dat je het vluchtelingenprobleem niet kunt oplossen. Wij kunnen de wereld niet goed maken. Maar dat hoeft ook niet. Dat is nou juist het idee van katholieke sacramentaliteit: in de kleine handeling, bijvoorbeeld het gezamenlijk delen van het heilig brood als het lichaam van Christus, zit de grote. Met onze kleine gemeenschap bouwen we mee aan de gemeenschap van mensen met elkaar en met God.”