Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk drie van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk drie van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Dinsdagmiddag om twaalf uur verliet hij in de drie kwartier tussen de werktijden het kantoorgebouw, liep haastig door enkele stegen en ging bij een groot plein het warenhuis ‘Het Wespennest’ binnen. Hij liet zich met de lift op de tweede etage brengen, slenterde door de boekenafdeling, daalde een verdieping naar omlaag en klom weer naar boven. Bij de afdeling kunstvoorwerpen nam hij een metalen bekertje in de hand. ‘Het is geen zilver,’ dacht hij, ‘maar een goedkoop roestvrij metaal. Misschien is het wel koper met een laagje chroom.’ Hij draaide het om en de bodem vermeldde de prijs: achttien gulden en vijf en zeventig cent. Hij bekeek het oortje. ‘Dat is van slecht vertind ijzer, er aan vast gesoldeerd,’ dacht hij. Hij zette het bekertje weer neer, toen een verkoopster naderde en liep verder.

Luister hieronder het hele derde hoofdstuk

Op een tafel met groen fluweel zag hij een kleine beker zonder oor. ‘Het is bijna een vaasje,’ dacht hij, ‘want de rand wijkt te ver naar buiten. Het is de vraag, of het een drinkbeker is.’ Hij nam het in de hand en zag aan de onderkant, dat het negen en een halve gulden kostte. Het metaal was vol vlekken. ‘Al twintig minuten van mijn tijd voorbij,’ dacht hij en verliet snel de zaak. De zon was even door de wolken gekomen; het was niet koud.

Media-redacteur en Reve-fan Wilfred Takken leidt het derde hoofdstuk op locatie in:

Hij stak schuin het plein over en liep een nauwe straat in. Door een draaideur betrad hij een grote, geheel gelijkvloers gelegen winkel, die ‘Presentenhuis’ heette. Hij schoof haastig tussen de uitstallingen door, van de huishoudelijke artikelen naar het speelgoed, vandaar naar de bontafdeling en zag tenslotte blinkende voorwerpen staan op een uitstaltafel met groen, sierlijk geplooid laken. Hier lagen metalen theezeefjes, briefopeners, theelepeltjes en ook bekers. ‘Het zijn dezelfde,’ mompelde hij en nam een van de bekers op. ‘Ook hetzelfde oor,’ dacht hij. De prijs was acht en een halve gulden. Er naast stond een hoger en smaller bekertje, dat elf gulden kostte. Hij was zes minuten binnengeweest en schoof snel de deur uit. Hij liep twee steegjes door, kwam uit op een brede straat en zag opeens in de etalage van een zaak voor rijwielartikelen een stapel aluminium borden en een torentje bekers van hetzelfde metaal staan. De prijs bedroeg van de eerste één gulden en twintig cent en van de bekers één gulden en tien cent per stuk. In de winkel vroeg hij van elk een te zien, bevoelde ze en zag, dat het dik materiaal was, goed gepolijst en van zuiver aluminium. Hij kocht ze en stak ze in zijn aktetas.

Er restten hem nog tien minuten. Hij liep op een sukkeldraf langs een gracht, ging een morsige straat in, trad een broodjeswinkel binnen en zei tegen de bediende: ‘Geef mij drie repen.’ Ze stonden beiden naast de toonbank. ‘Van zestig of van veertig?’ vroeg de man. ‘Twee van zestig en één van veertig,’ zei Frits. De man keek enige malen voorzichtig rond, opende een trommel, nam er het gevraagde uit en duwde het in Frits’ zak.

Hij kwam juist aan het eind van de middagpauze in zijn kantoor terug en ging aan zijn bureau zitten. ‘Kijk Pim,’ zei hij tegen een dame van omtrent dertig jaar, die aan een schrijftafel bij het raam zat, ‘kijk eens hoe goed en voordelig ik heb ingekocht.’ Hij toonde haar het bekertje en het bord en noemde de prijs. ‘Het is voor een zoontje van een vriend van me,’ zei hij. ‘Ik wist niet, dat jij zo practisch was,’ antwoordde ze. ‘Hij wordt één jaar,’ zei Frits, ‘wat kun je beter geven? En ik zet twee repen rechtop in de beker. Ik pak het aardig in mooi, dun papier, met een gekleurd koordje er omheen. Dit heb ik voor jou meegebracht.’ Hij legde de reep van veertig cent op haar tafel. ‘Dat vind ik verschrikkelijk aardig,’ zei ze. ‘Het is heel duur,’ zei Frits, ‘ze hadden ook goedkopere; maar ik dacht, het is voor Pim, dus het beste is nog maar net goed genoeg.’ ‘Ik vind het geweldig aardig van je,’ zei ze.

Toen hij smiddags thuiskwam, was er niemand. Hij at uit een trommeltje in het buffet enige koekjes, nam een stuk jam, lichtte met hetzelfde lepeltje een klont boter uit de pot en schudde daarna wat chocolade hagelslag op zijn hand. Toen hij dit had opgegeten, zette hij de radio aan. ‘Het vier- en vijfjarige kind dus,’ zei een vrouwestem. Hij draaide de knop af, ging naar de keuken, zette de pan met vlees op een gasvlam en wachtte, tot de vetlaag was gesmolten. Toen nam hij sneden droog bruinbrood en at ze, na ze telkens in de dampende jus te hebben gedoopt, een voor een op. Hij zette de pan weer gesloten op de oude plaats, achter het gasstel.

Even daarna, om half zes, kwam zijn moeder thuis en zette het eten op. ‘God weet, waar die man weer zwerft,’ zei ze tegen Frits. ‘Hij is vanmorgen om half tien de stad ingegaan, niets gezegd van waar hij heen ging.’ ‘Hij komt vanzelf wel weer opdagen,’ zei Frits, ‘laten we ons nergens wat van aantrekken en op de gewone tijd gaan eten.’

Om zes uur zette zijn moeder het eten op tafel. Juist nog op tijd kwam zijn vader thuis. Ze aten erwtensoep, vlees, aardappelen en koolraap. Toen ze elk hun bord hadden opgeschept, ging het licht uit. ‘Waar zijn lucifers?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik heb lucifers,’ zei zijn vader en stak er een aan. Hij bleef zitten staren op het vlammetje en legde het houtje, toen het was afgebrand, op de rand van zijn bord. Het was weer donker. ‘Als je zo blijft zitten, gaat het licht wel gauw branden,’ zei Frits’ moeder, ‘dat doen de kabou- ters.’ ‘Wat moet er gebeuren?’ vroeg zijn vader, opstaand. ‘Geef me maar een muntje.’ ‘Het is geen gasmuntje, het is geen gas,’ zei ze, ‘er moet een lichtpenning, een gulden, in.’ Zich met haar stoel omdraaiend nam ze, bij het licht van een tweede lucifer, die zijn vader had ontstoken, een grote, blinkende penning uit een doosje op het buffet en reikte hem die aan. Voorzichtig, in volkomen duisternis, toen de tweede lucifer uit was, strompelde zijn vader door de gang. Ze hoorden hem de zijkamer binnengaan, maar daarna vingen ze geen geluid meer op. Frits hield de ogen gesloten en klemde zijn handen tussen de benen.

Zijn vader kwam terug. ‘Ik weet de meter wel,’ zei hij, ‘maar waar moet het in?’ ‘Bovenaan rechts, je moet een ijzeren lipje optillen en na het ingooien aan de rechter knop draaien,’ zei Frits. Zijn vader vertrok weer, opbot- send tegen de deur van de huiskamer, die hij had laten openstaan. Eindelijk hoorden ze het klikken van het mechaniek en het vallen van de munt. Het licht brandde. ‘Dat is nu een intellektueel,’ zei zijn moeder.

Na de pap zei Frits: ‘Ik heb bizonder voordelig iets gekocht voor Hansje van Jaap, die vandaag jarig is; hij wordt één jaar.’ Hij stond op en haalde bord en beker uit zijn tas.

‘Hoe kom je aan die repen?’ vroeg zijn moeder. ‘Gekocht,’ antwoordde hij. ‘Het is erg leuk,’ zei ze, beide voor- werpen in de hand nemend. ‘Niet duur,’ zei Frits en noem- de de prijs. ‘Ik moet de vlekken en het vuil er af schuren,’ zei hij. ‘Je moet het niet schuren,’ zei zijn moeder, ‘dan kun je het wel bederven, maar niet mooier maken. Geef het straks maar aan mij, ik doe het in de zeepsop, dan zul je zien hoe mooi het wordt.’

‘Aardig hè?’ zei hij tot zijn vader, ‘beker en bordje voor de kleine Hans van Jaap, die wordt één jaar.’

‘Een klein bord is dat,’ antwoordde zijn vader, ‘voor wie is dat?’ ‘Voor Hansje, dat kleine kind van Jaap!’ riep zijn moeder. ‘Je moet een beetje harder praten,’ zei ze tegen Frits, ‘die man is zo doof als de pest.’ ‘Is die al een jaar?’ zei zijn vader, ‘zo.’

‘Ik pak het op elkaar in,’ zei Frits en ging uit de keuken- kast pakpapier halen. Hij kwam met een groot, geel stuk terug. ‘Ik schuur het toch even,’ zei hij. ‘Luister nu naar mij,’ antwoordde zijn moeder, ‘geef het mij, ik doe het in de zeepsop.’

Frits nam bord en beker mee naar de keuken, strooide er schuurpoeder op, liet de kraan er even op druppelen en schuurde beide voorwerpen met de vaatdoek. Toen hij ze afspoelde, waren ze mat van tint geworden, bezaaid met krassen. ‘De schurft,’ zei hij, droogde ze af en nam ze mee naar binnen.

‘Zie je wel?’ zei zijn moeder, ‘nu heb je precies alles be- dorven. Dat komt, omdat je zoon sekreet bent, dat nooit naar iemand wil luisteren.’ ‘Kom kom,’ zei Frits, ‘er ligt nog een fraaie fonkeling over.’

Hij pakte het geschenk in, waarbij hij de beker op het bord zette, aan weerskanten een reep legde en een appel in de beker vastklemde. ‘Ik wou ook wel iets meegeven,’ zei zijn moeder. ‘Wacht, ik zal wat klontjes in een zakje doen.’ Ze gaf hem een handvol witte suikerklontjes in een oranje bonbonzakje, dat hij in zijn jaszak stak.

De droge straat fonkelde. ‘Het is net, of er stukjes glas in de stenen zitten,’ dacht hij. Hij liep de weg van Zondagavond en passeerde de pakhuizen aan het begin van de gracht. Op nummer een en zeventig werd op zijn eerste schellen de deur geopend. Boven aan de trap ontwaarde hij de gestalte van een vrouw. ‘Joosje, van harte!’ riep hij naar boven. ‘Dank je Frits,’ riep ze, toen hij halverwege de trap was opgeklommen. Hij schudde haar bij de kapstok de hand. Aan het eind van de gang brandde een zwak licht. Toen hij naar het plafond keek, zei ze: ‘Deze boven de trap is stuk, maar het is zo nog licht genoeg.’

Hij volgde haar naar binnen. Ze liepen door een kale gang zonder vloerbedekking en traden een wijde kamer binnen, waar in het licht van een hoge, op de grond staande leeslamp vier stoelen om een salamanderkachel waren gerangschikt. Een oude dame zat te breien. ‘Is Jaap er niet?’ vroeg hij, na haar te hebben begroet. ‘Hij heeft een vergadering en daarna zouden ze samen gaan eten, geloof ik,’ antwoordde Joosje.

Hij ging zitten, zette het geschenk op tafel en reikte haar een schaar aan, die hij op de schoorsteenmantel zag liggen.

‘O!’ zei ze, toen ze het pakje had opengemaakt, ‘dat is geweldig leuk, heel erg aardig. En nog die chocola!’ ‘En die appel,’ zei Frits. ‘Dat is toch prachtig voor dat kereltje,’ zei de oude dame. ‘Hebt u het koud?’ vroeg ze aan Frits, ‘u moet wat dichter bij de kachel komen zitten.’ ‘Ik heb alleen maar koude voeten,’ zei hij.

‘Ik zal je laten zien, wat hij vandaag gekregen heeft,’ zei
Joosje. Ze stond op om de voorwerpen van een tafel in de hoek te nemen. Haar lichtblonde haar was van achteren omhooggekapt tot boven het roze, bolle gezicht. De jurk hing van voren een stuk hoger dan aan de achterkant, door haar ronde, uitpuilende buik. Ze toonde hem de geschenken: een houten lokomotief, een vrachtauto, onderkleertjes, een geborduurd schortje en een prentenboek. ‘Dat boek heeft hij van tante Stien gekregen,’ zei ze. De oude dame zei: ‘Veel weet zal hij er niet van hebben.’ Frits bladerde het door en bekeek de afbeeldingen: een koe, een paard, een varken, pauwen, een hond en een kalkoen. Hij legde het weer neer.

‘Van zoon kalkoen begrijpt hij vast niets,’ zei hij, ‘een idiote vogel met veel rood vlees op en om zijn kop. Is de jarige al naar bed?’ ‘Hij slaapt al,’ zei Joosje. ‘Denk je dat Jaap lang uitblijft?’ vroeg hij. ‘Ik heb geen idee,’ antwoordde ze.

‘Hij drinkt zich zeker weer zat,’ zei Frits glimlachend. ‘Jaap drinkt niet, dat is toch niet zo?’ vroeg de oude. ‘Als het hem niets kost, is hij er wel voor te vinden,’ zei Joosje. ‘Welnee, Jaap drinkt niet,’ zei de dame.

‘Ik heb een hele tijd geen borrel gedronken,’ zei Frits. ‘Hoe lang niet?’ vroeg Joosje, die de benedenschuif van de kachel openzette. ‘Zeker in geen vier weken,’ zei hij.

‘Het is slecht, een hoop ellende komt ervan,’ zei de oude. Ze hield een krant opgevouwen in de hand. ‘Het is heel ongezond, het lichaam wordt ermee verwoest.’

‘Nou,’ zei Frits, ‘dat is niet zo. Je moet niet geregeld drinken, maar eens in de paar maanden je goed bezatten, dat is zelfs gezond, zeggen de moderne medici. De moderne wetenschap zegt, dat het lichaam van tijd tot tijd uit zijn evenwicht gebracht moet worden, eens goed moet worden vergiftigd.’ ‘Ja, die moderne wetenschap,’ zei de dame. ‘Als ik gedronken heb,’ zei hij, ‘voel ik me natuurlijk lollig. De volgende dag heb ik de kater, daar is niets aan te doen. Maar de dag daarop, de derde dag, dan voel ik me goed! Het is of ik dan ben herboren.’

Hij zweeg even en keek op zijn horloge. Het was kwart voor acht. Hij wreef zich in de handen en trappelde met de voeten. ‘Ik geloof toch, dat u het koud hebt,’ zei de dame. ‘Is het hier koud?’ vroeg Joosje. ‘Nee, dat geloof ik niet,’ zei hij, ‘het zijn alleen mijn voeten. Ik heb schoenen met rubber zolen.’ ‘Is dat dan zo koud?’ vroeg de oude. ‘Wel als je zweetvoeten hebt,’ zei Frits, ‘dan moet je elke avond je schoenen achter de kachel zetten en de kousen op de pijp leggen. Eigenlijk moet je elke avond ook je voeten wassen, maar dat is zoon werk. Zomers, dan is het erg. Dan moet je ze wel wassen, anders is de lucht niet uit te houden. Ik heb ook wel, maanden lang, mijn voeten smorgens gepoe- derd met speksteenpoeder; het helpt wel wat, ja, het helpt wel.’ ‘Stil eens even,’ zei Joosje, ‘ik hoor Hansje. Nee, toch niet, geloof ik.’

‘Dat is lastig,’ zei de oude dame, ‘ik heb dat gelukkig niet.’ ‘Het plezierigste is zomers met blote voeten in open sandalen te lopen,’ ging Frits voort, ‘dan heb je nergens last van.’ ‘Hebt u nu erg koude voeten?’ vroeg ze. ‘Nou, het gaat,’ antwoordde hij, ‘het is nooit zo erg, dat je ze niet warm kunt krijgen, dat heb ik nooit gehad. Het is ook wel een kwestie van voeding.’

‘Dacht u van wel?’ vroeg ze. Joosje schonk koffie in. ‘Ja,’ zei Frits, ‘als je elke dag levertraan inneemt – dat doe ik sinds kort – dan hoef je nooit bang te zijn voor koude voeten.’ ‘Tante Stien, u wilt zeker veel melk in uw koffie?’ vroeg Joosje. ‘Ja graag kind,’ antwoordde ze. ‘Het is vast waar,’ zei ze, ‘dat we dagelijks allerlei vergif innemen. Denk alleen maar eens aan de koffie en de thee, heel gewone dranken. Eigenlijk moest je die helemaal niet gebruiken, maar je doet het toch.’

‘Ja,’ zei Frits, ‘als we volgens de natuurlijke voeding leefden, zouden we er beter aan toe zijn. Maar het is ook een heel werk om dat eten bij elkaar te krijgen en klaar te maken. Je kunt beter net als de anderen eten. Maar dat vegetarisch eten gezonder is, dat geloof ik stellig.’ Hij keek op zijn horloge, dat kwart over acht wees. ‘Jezus, hoe kom ik hier vandaan?’ dacht hij, diep ademhalend zonder geluid te maken. ‘Het is zeker, dat veel eten, savonds laat eten en veel vlees eten schadelijk is,’ zei hij. ‘Ja?’ vroeg Joosje.

‘Kijk maar naar Amerika,’ zei tante Stien, ‘nergens is zoveel kanker als daar.’ ‘Dat komt,’ zei Frits, ‘omdat ze slecht toebereid eten gebruiken, veel drank, uitgebreid soeperen, hete worst in cafeteriaas eten en zich te veel van specerijen bedienen.’

‘Kanker komt wel veel voor, niet?’ vroeg Joosje. ‘Het is typisch een ouderdomsziekte,’ antwoordde hij. ‘Vroeger stierven er niet zoveel mensen aan, maar nu de mensen gemiddeld veel ouder worden, krijgen het er meer. De meeste sterfgevallen zijn van kanker.’ ‘Dat wist ik niet,’ zei Joosje.

‘Het is een heel mooie ziekte,’ ging hij voort, ‘ik heb er aardige dingen van gelezen. Het is een woekercel. Het groeit uit het niets en het groeit maar door. Door alles heen. Van het ene orgaan op het andere. Dwars door de ingewanden. Gruwelijk, ongeneeslijk, groots.’

‘Hoe kan u zo praten,’ zei tante Stien hoofdschuddend. ‘En met ontzaglijke pijnen,’ zei Frits, ‘gewoonweg onbeschrijflijk. Het is een van de machtigste ziekten.’

‘Dat heeft die meneer Overland ook gehad,’ zei Joosje. ‘In zijn maag. Maar het ging nogal gauw. Hij had het, en zijn familie wist wat het was. In vier maanden was hij dood. Heel zielig. Het zijn mensen, die bij ons in de buurt in Castricum kampeerden. De vrouw is in zee verdronken.’ ‘Dat is het noodlot,’ zei Frits.

‘Dat weet ik niet,’ zei Joosje, die breiwerk ter hand had genomen, ‘ze is savonds alleen gaan zwemmen. Later vonden ze haar kleren op het strand. Ze had vier kleine kinderen; de oudste is zeven jaar. Ze hebben tegen ze gezegd, dat hun moeder niet meer thuiskwam en dat ze in de zee was gebleven. Mensen, die op bezoek waren, ik geloof de Velzeners, die hebben gehoord wat de oudste tegen zijn broertje zei. Hij zegt: De zee die zei, kom jij maar mee, jij bent een mevrouwtje van niks. Nou, en als de zee nog eens een keer droog wordt, dan komt ze misschien terug, maar anders nooit meer.’

‘Stil,’ zei ze opeens, ‘ik hoor Hansje.’ Ze verdween door de tussendeur en kwam terug met een schreiend kind op de arm. Het had een bleek, slaperig gezicht. Ze ging zitten en probeerde het tot bedaren te brengen. Eindelijk lukte dat.

‘Ach, die arme schat,’ zei de oude. Het jongetje keek nieuwsgierig naar haar. ‘Kun jij niet slapen?’ vroeg ze. Het kind barstte opnieuw in schreien uit. Joosje bevoelde de luier, ontdeed het kind ervan en legde een frisse aan, nadat ze de vuile over de waterketel op de kachel had gelegd.

Er werd gebeld. ‘Misschien kan je beter zelf opendoen,’ zei Frits. ‘Jij weet wie het is, of hij afgepoeierd moet worden of niet.’ Joosje gaf de kleine over aan tante Stien en ging opendoen. Even later kwam zij binnen met een vrouw, die sterk op haar leek. Deze schudde hen vluchtig de hand en nam die van Hansje in haar volle vuist. ‘Jij bent jarig. Ja! Weet je dat wel?’ zei ze. Ze begon daarna, zittend, in haar tas te zoeken. Frits stelde vast, dat het tien minuten voor negen was. Hij keek naar het plafond vol oud, ver- waarloosd lofwerk.

De bezoekster had het gezochte gevonden, pakte het uit en reikte Joosje een zilveren bekertje aan. ‘Het is echt zilver,’ zei ze, ‘het is echt zilver.’ ‘Wat prachtig,’ zei Joosje en bleef het bekijken. ‘Het is echt zilver, ik heb me er een ongeluk op gepoetst,’ zei de bezoekster. ‘Laat Frits het eens bekijken,’ vervolgde ze, ‘die kan het zien.’

‘Ja zeker,’ zei Frits, ‘het is echt zilver.’ Hij bekeek de slagstempeltjes in de zijkant. ‘Heel mooi, heel zwaar. Een aardig, een heel aardig geschenk. Er had eigenlijk een in- scriptie in gemoeten.’ ‘Dat zei ik toch?’ vroeg de bezoek- ster, ‘of niet? Ik dacht er te laat aan, maar ik zal het nog laten doen.’ Joosje zette het bekertje op tafel neer. Tante Stien nam het op en bekeek het.

‘Nu is het zeker al de vierde keer, dat iemand jou voor mij heeft aangezien, moeder,’ zei Joosje. ‘Jaap vertelde, dat hij iemand heeft gesproken, die was geweest op die avond bij oom Leo. En die zei: ik heb ook kennis met je vrouw gemaakt. En ik was er helemaal niet geweest. Jaap heeft dat toen gezegd en toen kwam het uit, dat hij jou voor mij heeft aangezien.’

De bezoekster kreeg een rode kleur, opende een eindje de mond en zei: ‘Ja, merkwaardig is dat.’ ‘Mevrouw Mosveld,’ zei Frits, ‘ik dacht, toen ik u voor het eerst zag, een paar jaar geleden, dat u een dochter van uw man was.’ ‘Wat een avond,’ dacht hij, ‘wat een avond. Waar is het einde?’

‘Hoeveel jaar was dat geleden?’ vroeg ze, ‘wanneer was dat?’ Ze had het voorhoofd geplooid en boog zich voor- over. ‘Precies weet ik het niet,’ zei hij, ‘een jaar of zes, vijf.’ ‘Nee, dat is vier jaar geleden geweest, in Hilversum,’ zei ze snel, de hand bewegend, ‘dat was in het zomerhuisje. Weet je niet, dat dat vier jaar geleden was? Meer niet.’

Tante Stien volgde de sprekenden door het hoofd telkens van de een naar de ander te wenden. De kleine jongen begon opeens te huilen. Joosje verzette hem op haar schoot, tilde hem op en aaide hem op het hoofd, maar het schreien hield niet op. ‘Geef hem even aan oom Frits,’ zei Frits op spottende toon. Joosje gaf hem het kind aan, maar het begon nog harder te schreeuwen en trappelde met de voetjes. Het sloeg met de vochtige handjes van zich af. Frits gaf het haar weer terug. ‘Kijk,’ zei tante Stien, ‘hier is je kado, kijk eens wat een mooie beker.’ Ze bracht de zilveren beker dicht bij zijn gezichtje. Het kind spartelde om bij het blinkende voorwerp te komen, omvatte het met beide handjes en maakte de bewegingen van drinken.

‘Ach kijk,’ riep tante Stien, ‘hij heeft dorst. Heb jij dorst, mijn klein schaap? Ja, hij heeft dorst, die kleine.’ Joosje stond op, wierp haar breiwerk op de stoelzitting en schonk melk uit een steelpannetje, dat op de kachelpijp stond, in de beker. De jongen dronk gretig. ‘Zie je, dat was het,’ zei Joosjes moeder. Frits zag, dat Joosje het breiwerk zo onachtzaam had neergeworpen, dat van een van de pennen drie steken waren afgevallen. Hij schoof ze voorzichtig weer er op, duwde de naalden een flink eind door en zette de punten in de kluwen wol.

Het kind begon na het drinken weer te huilen. ‘Het is eigenlijk een kreng van een kind,’ zei Frits. ‘De zenuwen zijn verkeerd gegroeid. Het zal wel niet lang leven.’ ‘Zeg toch niet zulke gekke dingen,’ zei Joosje. ‘Het hoofd zal ook nog wel vergroeien,’ ging Frits voort. ‘Het groeit scheef, net als een plant naar het licht, let op wat ik zeg.’ ‘Ach, hij zegt maar wat,’ zei Joosjes moeder.

Plotseling zweeg het kind en scheen tegen zijn moeders borst in slaap te zijn gevallen. Joosje bracht het voorzichtig weg naar bed.

Toen ze terugkwam, schonk ze opnieuw koffie in. ‘Hoe is het met vader?’ vroeg Joosje. ‘Stevig de griep,’ antwoordde haar moeder, ‘ik heb het ook trouwens, maar vader ligt in bed. Weet je wat er gebeurd is? Vader zit er geweldig mee in. Er staan twee platen in de wereldencyclopaedie verkeerd. Ja, niet met verkeerde onderschriften, maar de volgorde is niet logisch. Achtduizend zijn er al zo gedrukt. Nu is de vraag, of ze de volgende twee en twintig duizend ook zo zullen afdrukken of het eerst verbeteren. Als ze dat doen, zijn er verschillen in dezelfde oplaag. Je weet dat Anna de Vrijdag na Nieuwjaar trouwt? Maar ik ga weer naar huis, ik ben niet best.’

Ze vertrok en er heerste enige tijd een zwijgen. ‘Het is nu twintig minuten voor tien,’ dacht Frits, ‘als je de tijd, die mijn horloge voor loopt, afgetrokken hebt.’

Op dat ogenblik hoorden ze de benedendeur openen en iemand de trap opklimmen. ‘Daar is Jaap,’ zei Joosje. ‘Ik ben blij, dat je terugbent,’ zei tante Stien, toen een magere jongeman met een blauwe hoed op de kamer binnenkwam. ‘Zo, zo,’ antwoordde hij. ‘Nu ga ik maar,’ zei de oude, ‘er is ten minste niets gebeurd.’ Terwijl Joosje haar tot aan de trap uitgeleide deed, schudde Frits de jongeman de hand en zei: ‘Van harte gelukgewenst met je zoon. Ik hoop dat het geschenk enig nut heeft.’ Hij wees op de tafel met presenten.

De binnengekomene ging, nadat hij hoed en overjas op een stoel had gelegd, op Joosjes plaats zitten. Hij had een dunne, bleke mond, benige vingers en een smalle schedel met ingedeukte slapen. Het fijne, lichtblonde haar was boven en voor op de schedel zo dun geworden, dat men de blauwe huid kon zien. ‘Wel Fritsje,’ vroeg hij glimlachend, ‘hoe gaat het? Een sigaret? Een sigaartje? Altijd, niet?’ Hij hield hem een doosje kleine sigaartjes voor. Ze staken er elk een op.

Joosje kwam weer binnen. ‘Jaap, heb je Frits’ geschenk voor Hansje al gezien?’ vroeg ze. ‘Wel, here here, nee, hoe kon ik dat vergeten, het is toch wat te zeggen,’ zei Jaap, half in de lach schietend, ‘meneer Van Egters, ik maak u mijn welgemeende verontschuldigingen.’ Intussen reikte Joosje hem het bord aan. ‘Kijk eens aan,’ zei hij, ‘en een beker, en chocoladerepen, nou nou.’ ‘En een appel,’ zei Frits. ‘En een appel,’ vulde Jaap aan.

‘Verdomme, het is vandaag Dinsdag, niet?’ vroeg hij,
nadat het geschenk was weggezet. ‘Dat is na Maandag wel- de rotste dag van de week, maar het is feitelijk een Zaterdag, want morgen is het eerste kerstdag.’

‘Ik vind Vrijdag de plezierigste dag,’ zei Frits, ‘dan heb je het vooruitzicht van de Zaterdag.’ ‘Ik hou het meest van de Donderdag,’ antwoordde Jaap, ‘dan heb je het vooruitzicht van de Vrijdag.’

‘Zo blijven we aan de gang,’ zei Frits. Hij huiverde, wreef zich in de handen en wipte de voeten op en neer. ‘Ik geloof dat ik ziek word,’ zei hij en leunde achterover. ‘Daar ben ik al een paar dagen mee bezig,’ zei Jaap. ‘Ben je thuis?’ vroeg Frits. ‘Wel ja,’ antwoordde Jaap, ‘onze kraan zit nog dicht. Elke morgen sjouw ik water van beneden die hele trap op. Dan vind ik het wel genoeg. Ik vind het niet nodig om dan nog buiten te komen.’

‘Komt er geen dokter van je kantoor kijken?’ vroeg Frits.

‘Dat wel,’ zei Jaap, ‘maar het is een gewone dokter met een eigen praktijk. Je moet rekenen: eerst heeft hij smorgens de buspatiënten. Dan doet hij zijn wijk. Als hij daarmee klaar is, eet hij thuis en daarna heeft hij zijn partikuliere patiënten. Hij kan dus op zijn vroegst om half vier komen. Ik stap om drie uur in bed en lees gezellig. Als ik tegen half vier het portier van een auto hoor dichtslaan, dan weet ik wat het is. Ik slaap als hij binnenkomt en Joosje maakt me wakker.’

‘En wat heeft hij gezegd?’ ‘Hij is één keer geweest,’ zei Jaap, ‘wat kon hij zeggen? Je mag nog zo gezond zijn, als je zegt: ik voel me beroerd, en je ligt in je bed, wat kan zoon dokter dan anders zeggen dan: probeert u het eens over drie dagen. Niet?’ Hij leunde achterover en streek met beide handen tegelijk over zijn haar.

‘Je bent alweer kaler geworden,’ zei Frits, ‘je wordt ont-
zettend kaal. Masseer je nog wel? Je zei laatst, meen ik, dat je masseerde.’

‘Ik doe er petroleum op,’ zei Jaap, ‘dat is een goed mid- del. Ik masseer met petroleum.’ ‘Wat een smeerboel,’ zei Frits, ‘dan moet je het na elke keer wassen.’ ‘Welnee, dat doe ik niet,’ antwoordde Jaap.

‘Ik vraag me vaak af,’ zei Frits, ‘waardoor kaalhoofdigheid wordt veroorzaakt. Het treedt haast alleen op bij mannen. En de haargroei op andere plekken van het lichaam gaat gewoon door.’

‘De wortels op het hoofd sterven af,’ zei Jaap. ‘Wat een wijsheid,’ zei Frits, ‘dat weet ik ook. Dat is iets als: er komt geen regen, als het droog blijft. Ik heb wel eens gedacht, dat het komt, doordat de schedel groter wordt en de huid er erg strak op gespannen zit. Daardoor wordt de bloedtoevoer afgeknepen. Zou dat kunnen?’ Jaap zweeg.

‘Het gaat aldoor sneller, hè?’ ging Frits voort. ‘Het is bij jou niet te stuiten, wel?’ ‘Laat ik je zeggen,’ zei Jaap, met de rechter hand over zijn hoofd strijkend, ‘dat het uitvallen al een maand of twee stilstaat. Je hebt gevallen, dat het erg dun geworden is, maar dan niet meer dunner wordt: zoon geval ben ik.’

‘Maar op den duur word je toch kaal, net als de anderen,’ zei Frits, ‘daar is toch geen ontkomen aan. Zou het,’ vervolgde hij, ‘iets met het hart te maken hebben, met de aderen? Jij hebt nogal een zwak hart, niet?’

‘Ik zal je vertellen,’ antwoordde Jaap, ‘als ik een trap oploop, dan gaat het hier: hie hie hie!’ Hij wees op zijn linker borst en maakte een hees, piepend geluid. ‘Dat hoor jij dan niet, dat hoor ik.’ ‘Is dat net zo iets als te hoge bloeddruk?’ vroeg Frits. ‘Nee,’ zei Jaap, ‘dat is, wat jij hebt. Ik heb te lage bloeddruk.’ ‘Wat zijn de verschijnselen van te hoge bloeddruk?’ vroeg Frits. Hij zag op zijn horloge, dat het bij tienen was, stond op en begon op en neer te lopen.

‘Als je je bukt, krijg je spanning in je hoofd,’ zei Jaap. ‘Ja, dat is net wat ik heb,’ zei Frits. ‘Zelfs je hoofd opzij of voorover buigen, doet pijn: alles is stijf. Is dat niet zo?’ ‘Ja,’ zei Frits.

‘Drukken op je ogen kan je niet hebben. Dat doet zeer. Als je te dicht bij het raam zit, gaat het licht je pijn doen.’

‘Dat heb ik allemaal wel,’ zei Frits. ‘Nou, uitstekend jongen, mijn gelukwensen,’ zei Jaap nadrukkelijk. ‘Een paar jaar sukkel je in elk geval nog wel mee.’ Hij grinnikte. Joos- je schonk opnieuw koffie in.

‘Toch maken die dingen het leven rijk,’ zei Jaap. ‘De zieken en mismaakten. Als ik een houten poot zie of een oude vrouw met een stok met een rubberpunt, of een bochel, dan is mijn dag goed.’

Beiden lachten. ‘Of die prachtige bulten,’ zei Frits langzaam, op nadenkende toon, ‘die grote, roze aardappels, die zo maar, gratis, op iemand zijn hoofd groeien, of achter zijn oor, inplaats van een potlood.’ Hij schudde op zijn stoel, dat de vloer trilde. Beiden waren ze een ogenblik buiten adem. ‘Je moet een bochelaar eens over zijn bult aaien,’ zei Jaap hoestend, ‘dan wordt hij gek.’

‘Je hebt ook,’ zei Frits, ‘die kerel met zijn houten been, op de brug. Die gaat op de grond zitten en verspert je de weg met die poot. Je valt er zowat over, dan moet je wel wat geven.’

‘Een blinde is ook iets prachtigs,’ zei Jaap, ‘met zoon hond.’ Hij hikte van het lachen. ‘Let niet op mij,’ gierde hij, ‘ik met mijn hond, let niet op mij, want ik ben blind.’ ‘Het is iets heerlijks,’ ging hij verder. ‘Maar het mooiste zijn wel sommige lui met een door vuur verminkt gezicht. Zonder neus en met natte ogen in een holte zonder oogleden. Dat is wel iets groots.’

‘Schei jullie eens uit,’ zei Joosje, ‘met die onzin.’ Er werd gebeld. ‘Wat idioot laat,’ zei ze en ging opendoen. ‘Het lijkt wel meer dan een stem,’ zei Frits, toen ze naar het gesprek in de gang luisterden.

Joosje kwam vóór het bezoek binnen en trok een strak gezicht, waarbij ze de lippen rond maakte en naar het plafond keek. Onmiddellijk achter haar trad een ongeveer vijfendertigjarige man met een vooruitstekende buik binnen, vergezeld van een dame met kort haar. Na de begroeting gingen ze zitten. Jaap zei niets.

‘Jullie zijn zeker gezellig aan het praten?’ vroeg de man. Hij had ondanks zijn bril een jongensachtig gezicht; zijn donkerblonde haar was losjes gescheiden. De vrouw glimlachte voortdurend.

‘Zijn we welkom?’ vroeg de man. ‘Joosje, zijn we welkom?’ ‘Och ja,’ zei Joosje kleurend. ‘Moet je horen,’ zei hij, ‘ach, het is zoon rotzooi.’ Hij boog zich opzij naar Frits, wiens stoel naast de zijne stond en zei: ‘Misschien mag ik een verzuim goedmaken. Mijn naam is Wortel. Arend Wortel.’ Frits nam de warme, zware hand. ‘Dat is het,’ dacht hij, ‘hij heeft wat op.’ Hij nam een lichte jeneverlucht waar.

‘We waren,’ ging de bezoeker voort, ‘bij een nichtje, die getrouwd is. We moeten naar een andere kamer en ik zeg tegen een jongedame: mag ik u mijn arm aanbieden? Dat is toch zoals het hoort, niet? Weet je wat ze zegt? Ze zegt: hebt u een steuntje nodig? Nou, toen werd ik kwaad. En meteen iedereen kwaad. Waarom? Toen heb ik gezegd: dan gaan we liever weg. Dan maar liever weg. Toen dach- ten we: we gaan even bij Jaap langs. We zijn toch welkom, Jaap? Anders gaan we liever weg.’

Jaap zweeg. De man keek rond, hoestte en zei tegen Frits: ‘Kan ik niet voor een maand honderd gulden van je lenen? Je hebt toch een hoge bankrekening?’ Jaap kon zijn lachen bijna niet houden.
‘Hoe vind je dat,’ ging Wortel verder, ‘eenvoudig eigenlijk er uitgezet. Anders is het niet. En waarvoor?’ ‘Je zal wel een van die meiden in haar tieten geknepen hebben,’ zei Jaap. ‘Nee, o nee,’ zei Wortel, ‘jij hebt het gezien, Nora, is daar iets van aan?’ ‘Nee hoor,’ zei de vrouw toonloos, zonder dat de glimlach van haar gezicht verdween.

‘Zijn we welkom?’ vroeg hij aan Jaap. Deze zweeg. ‘Hoe laat is het?’ ‘Het is tien over elf,’ zei Frits.

‘Dan maar verder,’ zei Wortel. Hij wenkte zijn gezellin en ze verdwenen snel in de gang, onmiddellijk gevolgd door Joosje. Binnen zwegen Jaap en Frits, tot ze beiden de trap hoorden afdalen. ‘Overal is wat,’ zei Jaap glimlachend. Frits stond op en nam afscheid.

‘Met je gezondheid het beste,’ zei Jaap. ‘Zaterdagavond gaat het door, daar reken ik op. Ik kom denkelijk voor die tijd nog wel langs. Ik ben toch welkom?’ Bij deze laatste woorden trommelde hij zich op borst en buik en maakte boksbewegingen.

Frits daalde voorzichtig de half donkere trap af. Beneden gekomen, hoorde hij Jaap hem naroepen: ‘Ik ben toch welkom, niet?’ De stem sloeg over in gelach.

‘Het vriest snachts in ieder geval nog stevig,’ zei hij hardop, toen hij de stoep was afgedaald. Bij het eind van de gracht zag hij over de gehele rivier een ijslaag liggen. Hij ging op een draf lopen om warme voeten te krijgen.

In de huiskamer zag hij licht branden. Zijn vader zat aan tafel. Zijn oogleden waren rood, alsof er veel in gewreven was en er liep een vuile veeg over zijn rechter wang. Af en toe snoof hij slijm op. ‘Kijk,’ zei hij, toen Frits aarzelend in de kamer bleef staan, ‘hier staat het.’ Hij wees op een plaats in een boek met een zwarte band, dat open voor hem op tafel lag. ‘De rechten van de graven van Egters dateren reeds van 1384,’ las Frits. ‘Waarmee heeft dat iets te maken?’ dacht hij. ‘Heel interessant, geweldig interes- sant,’ zei hij, ‘dat moet ik morgen eens lezen.’ ‘Dat is niet voldoende,’ dacht hij. ‘Ik zal het morgen eens diepgaand bestuderen,’ voegde hij er aan toe. De radio bleek ingeschakeld te staan, want opeens zei een stem: ‘De korte pauze is geëindigd. U hoort de quickstep Dokter Jazz.’

Frits verliet de kamer. ‘Ik moet mijn gedachten stopzetten,’ herhaalde hij telkens in zichzelf bij het tandenpoetsen en uitkleden. Hij stapte met een sprong in bed. ‘Ik heb de suikerklontjes nog in mijn jaszak,’ dacht hij. ‘Nu rust, geheel in rust.’ Kort daarop viel hij in slaap.

Hij werd wakker en hoorde een kreet, vervolgens een geluid of iets ergens tegenop viel en stemmen. Hij sprong uit bed, snelde de huiskamer binnen, waar hij licht ontstak en opende de schuifdeuren. Zijn vader zat rechtop in bed en keek naar zijn moeder, die huilend zich heen en weer wentelde en telkens met het hoofd in het kussen dook. Ze had een zakdoek half in de mond en stiet kreten uit. ‘Dat is nieuw,’ dacht Frits. ‘Ik zal water halen,’ zei hij, nam een glas uit het buffet en kwam er in een oogwenk mee uit de keuken terug. Zijn moeder dronk op zijn herhaald aan- dringen een klein slokje. ‘Ga maar,’ zei zijn vader, ‘moeder heeft zenuw…’ ‘Hij kan het woord niet vinden,’ dacht Frits, schoof de deuren toe en ging weer naar bed. ‘Zo zijn onze dagen, die ons gegeven zijn onder de zon,’ zei hij hardop in het donker. Na twintig minuten sliep hij in.

‘We zijn buiten,’ zei een stem. Hij stond aan de kant van een weg tussen weilanden. Na enige tijd te hebben doorgelopen, kwam hij bij een buitengoed, dat een hoog metalen hek en een oprit van wit grint had. Vlak er tegenover, aan de andere kant van de weg, stond een groot schaakbord op de berm. ‘Ze maken zich alles veel te ingewikkeld,’ dacht hij, ‘bovendien zijn er geen stukken.’ Het bord was, diagonaal gemeten, zeker twee manslengten groot.

‘Kom hierheen,’ riep een tuinman. Frits duwde het zware hek open en liep de oprit op. ‘Kijk,’ zei de man, ‘we zijn van allerlei aan het aanleggen.’ Hij wees op bloemperken. Er waren ook grasveldjes, afgezet met randen van klimbloemen, die bij gebrek aan een muur of boom, over de grond groeiden. Bij scherp kijken zag hij, dat het geen bloemen waren, maar dat het kunstig wolweefsel was, ge- spannen zoals op een klosje, waarmee de kinderen leidsels breien. Nu werd hij bang. Hij wilde wegrennen, doch stap-te in de bonte rand van een der grasperken en raakte er met de voeten in verward. Eindelijk was hij los, maar toen hoorde hij het gevaar aankomen: een langzaam ratelend, schuddend geluid als van een stoomwals. Hij vluchtte de weg op, maar het verschrikkelijke volgde. Achterom kij- kend, zag hij telkens niets, maar hij wist, dat het, als hij maar even zou blijven staan wachten, om de bocht zou verschijnen. Hij holde een klein huis binnen, maar een vrouwenstem riep: ‘Hola, wat gebeurt hier?’ ‘Stil, stil!’ riep hij. De stem echter bleef luid schreeuwen.

Toen hoorde hij het gevaar van de weg af ratelen en op het huis toe stevenen. Het drong binnen en in een laatste poging rende hij een wenteltrap naar de kelder af. Hij sprong, half struikelend, de treden af, maar het achtervolgende begon, eerst langzaam, toen sneller en luider ratelend, achter hem aan te komen.

Al dieper snelde hij de draaiingen van de trap af, al geringer werd zijn voorsprong. Toen zag hij de bodem van de kelder. Hij struikelde en viel. Alles werd donker. ‘Ben ik welkom?’ zei een stem.

Hij werd wakker met een nat gezicht, kneep de ogen telkens dicht en bleef enige minuten, op een elleboog steu-nend, half overeind zitten, voor hij weer dorst te gaan liggen.