Koopkracht stijgt komend jaar harder dan gedacht

Gemiddeld gaan huishoudens er bijna 800 euro op vooruit.

Nederlanders hebben komend jaar meer te besteden dan eerder werd aangenomen. Foto ANP / Lex van Lieshout.

De koopkrachteffecten van de lastenverlichting van 5 miljard zijn komend jaar gunstiger dan het kabinet met Prinsjesdag had ingeschat. Door een combinatie van een lagere zorgpremie, lagere inflatie en een hogere loonontwikkeling zullen de meeste Nederlanders er vanaf 1 januari nog meer op vooruit gaan. Gemiddeld gaan huishoudens er bijna 800 euro op vooruit.

Dat schrijft minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) woensdagmiddag in een brief aan de Tweede Kamer. De definitieve koopkrachtplaatjes konden pas worden opgesteld nadat de Eerste Kamer dinsdagavond laat met het Belastingplan had ingestemd. Daarin zijn nu ook de aanpassingen in de fiscale maatregelen verwerkt die tijdens de moeizame parlementaire behandeling in de afgelopen twee maanden nog zijn doorgevoerd. De positieve decemberraming van het Centraal Planbureau, begin deze maand, dragen bij aan het positievere koopkrachtbeeld dan eerder gedacht.

Wat zijn de koopkrachteffecten voor de verschillende huishoudens?

Gepensioneerden profiteren het minst

Volgens het ministerie van Sociale Zaken gaat 91 procent van de Nederlandse huishoudens er komend jaar op vooruit – van 0,4 procent voor AOW’ers met een aanvullend pensioen tot 5,8 procent voor alleenstaanden met een minimumloon van 20.000 euro. De overige 8 procent van de huishoudens gaat er niet op vooruit of daalt maximaal 2 procent in koopkracht. In de prognose die het kabinet met Prinsjesdag presenteerde zou 16 procent van de huishoudens niet aan koopkracht winnen. De groepen die het minst profiteren van de lastenverlichting zijn gepensioneerden met een bescheiden aanvullend pensioen. Hun zogeheten inkomensafhankelijke bijdrage aan de zorgverzekeringswet gaat omhoog, net als het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting.

Werkende Nederlanders gaan er volgend jaar het meest op vooruit, vooral de lagere inkomens, tweeverdieners en alleenstaande ouders.

Effect op loonstrookje minder duidelijk

Op de loonstrookjes is het positieve koopkrachteffect straks iets minder duidelijk te zien. Dat komt omdat toeslagen en het inflatie-effect daar niet op voorkomen. Wie alleen afgaat op loonstrookje ziet dat vooral de lagere inkomensgroepen komend jaar netto meer overhouden, tot 4,6 procent voor mensen met een minimumloon. Het positieve looneffect neemt af, naarmate het inkomen stijgt. Eén inkomensgroep, rond de 60.000 euro per jaar, ziet eind januari minder salaris op het loonstrookje staan. Deze groep verdient net te weinig om te profiteren van de verlenging van de derde schijf in de inkomstenbelasting (waardoor het toptarief van 52 procent pas ingaat vanaf 66.400 euro). Daarbij wordt deze inkomensgroep geraakt door de afbouw van de algemene heffingskorting.

Omdat de recente aanpassingen in het Belastingplan, waar de Eerste Kamer pas dinsdagavond mee instemde, niet meer konden worden verwerkt in de loonheffingstabellen waar werkgevers vanaf januari mee werken, worden die tabellen in april opnieuw aangepast. Daardoor zullen de nettobedragen op loonstrookjes van de meeste werknemers in april iets lager zijn dan zij in de eerste drie maanden ontvangen. Een gering effect volgens Sociale Zaken: maximaal 8 euro per maand voor iemand met een bruto inkomen van 80.000 euro.