Het werk van een kleine meester

P. C. Wonder leerde zichzelf schilderen door anderen te kopiëren. Dat zie je terug op een expositie in Centraal Museum, Utrecht.

Het meesterwerk van P.C. Wonder: Het trappenhuis van de Londense woning van de schilder (1828).

Kennen jullie elkaar? Nee? Even voorstellen: dit is Pieter Christoffel Wonder. Hij leefde twee eeuwen geleden. In het Centraal Museum in Utrecht wordt hij een romantisch schilder genoemd, maar dat is een problematische term. Want wat was de Romantiek nu helemaal in Nederland? Een overgangsperiode, vooral. Waarin veel schilders een voorbeeld namen aan de meesters uit de zeventiende eeuw, maar daar door de achttiende toch ook van vervreemd waren. Het besef daagde dat er iets nieuws moest komen, iets van de eigen tijd – maar wat, en in welke stijl? Er waren veel begaafde kunstenaars die niet goed wisten welke koers ze moesten varen, en die daarom werk maakten dat alle kanten op ging. Zo’n schilder was de Utrechter P.C. Wonder (1777-1852), aan wie het Centraal Museum nu een tentoonstelling wijdt.

Hij was autodidact, leerde zichzelf schilderen door werk van anderen te kopiëren, en dat zie je. Veel van zijn schilderijen doen niet aan het leven rond 1800 denken, maar aan andere schilderijen. Figuren in keukens of stenen omlijstingen zijn van Gerard Dou en Willem van Mieris afgekeken, een nachtscène heeft met Godfried Schalcken te maken en conversatiestukken lijken wel pastiches op het werk van Gabriël Metsu en Gerard Terborch, inclusief brieflezende vrouwen in glimmend satijn. Mensen staan erbij zoals ze er in schilderijen altijd bij stonden. Standbeen-speelbeen. Hoge hoed of handschoenen in de handen. Gebarend alsof er iets wordt uitgelegd. Kleding vertelt bij Wonder weinig over het lichaam dat eronder zit, terwijl hij nota bene een van de oprichters en jarenlang de directeur was van het genootschap Kunstliefde, waar Utrechtse kunstenaars en amateurs tweemaal per week tekenden naar gekleed model.

Hoofden, daar was hij goed in

Hij was wel goed in hoofden, vooral mannenhoofden. Modellen zijn scherp, vaak nét niet karikaturaal getypeerd. En het volume dat hij in kleding niet zo wist te suggereren, kon hij wel maken in kapsels. Met zijn penseel kamde hij het haar prachtig ruimtelijk om de hoofden. Wonder kreeg veel officiële portretopdrachten, maar zag zichzelf liever als schilder van verhalende figuurstukken. Intussen was hij op zijn best als hij zich aan die genres onttrok en zijn onderwerp dicht bij zichzelf zocht. Bijvoorbeeld in een zelfportret uit 1803: een ernstige blik onder een zwarte pet, met lijntjes erop die van rode zegellak lijken te zijn gemaakt. Of in een informeel portret van de kunstenaar en handelaar Christiaan Josi (1826), die met een oude prent in zijn handen poseert alsof hij niet poseert.

Het topstuk op de tentoonstelling is van het Centraal Museum zelf: een schilderij dat Wonder in 1828 maakte van het trappenhuis in zijn woning in Londen, waar hij acht jaar verbleef en zijn beste werk maakte. Er staat een jongeman met een pagekapsel in dat trapportaal, er is een blaffend hondje en er ligt een jachtstilleven, maar het schilderij vertelt vooral hoe het daglicht van twee of drie kanten een interieur binnenvalt. Hoe het reflecteert in het gelakte hout van leuningen en lambriseringen, hoe het witte streepjes op de traptreden legt. Dit is een meesterwerk. Van een kleine meester weliswaar, maar toch: aangenaam kennis te maken.