Het best bewaarde geheim van het land laat van zich horen

De Vereniging Rembrandt werd 132 jaar geleden opgericht om belangrijke kunst in het land te houden. Nu hangen in musea 2.000 werken die zijn gekocht met haar steun. Er komen steeds meer leden, de marketing is gemoderniseerd.

De heer en mevrouw Maijers-de Jongh

Ze hebben het er weleens over gehad, bij de Vereniging Rembrandt: moeten we onze naam niet veranderen? Want je denkt bij zo’n naam nu eenmaal niet direct aan een vereniging van deze tijd. Die zou eerder Rembrandt Foundation heten, zoals je ook de VandenEnde Foundation hebt, zeg maar.

Maar nee, de naam gaat niet veranderen. Een traditie van meer dan honderd jaar schuif je niet zomaar opzij. Net zomin als de gewoonte om „vanwege de kosten” niet te adverteren voor de eigen vereniging.

Dus kom je de naam ‘Vereniging Rembrandt’ hooguit weleens tegen in een artikel over kunstaankopen, samen met bijvoorbeeld het Mondriaan Fonds of de BankGiro Loterij. Lees je er misschien over wanneer ze voor 4 miljoen euro bijdragen aan de aankoop van de bronzen Bachant van Adriaen de Vries door het Rijksmuseum. Of als ze bereid zijn 5 miljoen euro te steken in de aanschaf van Rembrandts huwelijksportretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit (een aanbod dat terug werd getrokken toen duidelijk werd dat Nederland maar één van de twee portretten krijgt).

Toch is die onbekendheid eigenlijk raar. De vereniging steunt al 132 jaar kunstaankopen. Het Melkmeisje van Vermeer, De Marskramer van Jheronimus Bosch, de meeste Rembrandts: sinds 1883 zijn meer dan 2.000 kunstwerken aangekocht met steun van de vereniging, die werd opgericht omdat na de verkoop in 1877 aan de Franse familie De Rothschild van onder meer Rembrandts huwelijksportretten, opnieuw uitverkoop van een collectie dreigde. Die tweede uitverkoop werd voorkomen.

Al die aankopen van de Vereniging Rembrandt – sinds de Tweede Wereldoorlog ook moderne kunst, zoals het grote knipsel van Matisse in het Stedelijk – hangen in tientallen musea door het hele land. Maar diezelfde vereniging, staat in het jaarverslag, is „nog steeds het best bewaarde geheim” van Nederland.

Nogal elitair

Peter Hecht heeft er wel een verklaring voor. Hecht is hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht, zit al bijna vijftien jaar in het bestuur van de Vereniging Rembrandt en schreef in 2008 het overzichtsboek 125 jaar openbaar kunstbezit, een geschiedenis van de vereniging tot nu toe. Hij herinnert zich nog hoe hij een jaar of twintig geleden werd gevraagd als adviseur, om mee te helpen oordelen over steun bij aankopen. „Ik vroeg hoe het zat met het draagvlak van de vereniging, of daar niet iets aan moest gebeuren. ‘Draagvlak?’ (Hij imiteert een licht bekakt accent) ‘Daar zie ik nou helemaal niks in! Bij een vereniging moeten de leden elkaar kennen! Anders is er toch niks an!’ Dus ja, het was nogal elitair.” Er werd niet aan de weg getimmerd, zegt Peter Hecht, „ons kende ons”. Het aantal leden bleef dan ook lang klein, driehonderd in 1907, negenhonderd in 1983. Dat aantal hoefde ook niet groter, vond men, de inkomsten kwamen vooral uit grote giften en legaten. De leden verwachtten ook weinig terug van de vereniging. „Een klassiek lid vindt: noblesse oblige, je geeft om te geven.”

Maar de afgelopen jaren groeit het aantal leden heel snel, het zijn er nu, eind 2015, 12.651, ruim duizend meer dan eind 2014. Het aantal jongeren onder hen neemt toe, 28 procent is jonger dan 50, 18 procent zelfs jonger dan 30. Ook de inkomsten stijgen, vorig jaar bedroegen die ruim 9 miljoen euro (waarvan 4 miljoen eenmalig), uit contributies, giften, legaten, acties van derden, inkomsten uit beleggingen en uit rente.

Stille gevers

Wat is er veranderd? En wat móét er nog veranderen? Directeur Fusien Bijl de Vroe weet nog hoe ze voor de tv zat toen in november de VandenEnde Foundation vierde dat het cultuurfonds nu vijftien jaar bestaat. „Vijftien jaar! Wij bestaan 132 jaar! Ik zat te kijken en ik dacht: waarom worden wíj niet genoemd, wíj verdienen die schijnwerpers.” Maar inderdaad: „Het zijn stille gevers ja, die lid zijn van onze vereniging.”

De vereniging nam dit jaar deel aan een onderzoek naar ‘grote gevers’: wie zijn zij, wat willen ze? Mensen die in 2014 ten minste één gift van 1.000 euro of meer gaven, zijn niet per definitie miljonair, leert Filantropie in Nederland. Sterker, 60 procent van de deelnemers aan het onderzoek was dat niet. Zij geven uit betrokkenheid, zijn vaak in hun eigen netwerk geattendeerd op het goede doel, willen daar graag een persoonlijk contact mee, wensen inzicht in de werkwijze van het goede doel, vinden heldere informatie over hoe ze precies kunnen doneren belangrijk, ook fiscaal, en zoeken dat soort informatie het liefst op de website van het goede doel op.

Wie die conclusies leest, zou kunnen denken dat de vereniging weer is gaan samenvallen met de tijdgeest. Er zijn diverse soorten lidmaatschappen gekomen: 65 euro-leden, leden die meer betalen (en dat geld mogen toewijzen aan een bepaald verzamelgebied), leden die bij een cirkel van leeftijdgenoten horen, leden van regionale cirkels. Al die leden, kortom, weten precies wat er met hun geld gebeurt, worden uitgenodigd voor speciaal voor hen georganiseerde bijeenkomsten en leren daar niet alleen andere leden kennen, maar ook conservatoren en museumdirecteuren. Ze krijgen bovendien wat terug voor hun geld: een bulletin, een jaarkaart en bij aanwinsten in een museum de vermelding dat hun cirkel of verzamelgebied heeft bijgedragen. En oh ja, de website is vernieuwd en sinds kort wordt ook gebruikgemaakt van sociale media.

Onze vereniging, zegt Fusien Bijl de Vroe, „is eigenlijk heel modern”. Op één ding na dan: „We hebben geen grote ego’s, ik denk dat je ons bescheiden moet noemen.” Dus? „Het best bewaarde geheim van het land, dat klinkt flatteus, maar daar hebben we niks aan.”