Lezen, luisteren én kijken: hoofdstuk twee van ‘De Avonden’

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van 22 december tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk.

Illustratie Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister de eerste alinea van hoofdstuk twee van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

De volgende dag reed hij smiddags om half vijf op de fiets van het kantoor, waar hij werkte, naar huis. Het weer was omgeslagen: wolkenvelden dreven met gestage vaart langs de hemel, af en toe vielen enkele druppels regen en een matige, milde wind blies uit het zuiden. Langzaam, met het hoofd iets opzij gebogen, reed hij in het drukke verkeer.

Luister hieronder het hele tweede hoofdstuk

‘Als een van de bestuurders van deze autoos een fout maakt,’ dacht hij, ‘en ik word doodgereden, zal het bericht thuis verdriet brengen, groot misbaar. Gesteld, dat er geen ouders zijn, dan zal het een treurige mededeling voor de familie zijn. Maar als er ook geen familie is, wie zal het zich dan aantrekken? Wie?’ Hij kreeg pijn in de borst en voelde in zijn ogen tranen opkomen. Hij keek achterom. ‘Het achterlicht brandt,’ zei hij bij zichzelf. De schemering viel in.

‘Als ik straks thuiskom, vraagt mijn vader, of ik iets beleefd heb vandaag,’ dacht hij. Inmiddels was hij in de brede winkelstraat dicht bij huis gekomen. Reeksen voetgangers haastten zich voort over de trottoirs.

Onze mediaredacteur Wilfred Takken vertelt over hoofdstuk II van De Avonden.

‘Ze zijn op weg naar huis, net als ik,’ dacht hij. ‘Smorgens erheen, savonds er vandaan en naar huis. Ze moesten eens allemaal tegelijk op een ochtend thuisblijven. Hun familie laten opbellen, dat ze griep hebben.’ ‘Nee,’ dacht hij, ‘niet iedereen griep, dat is verdacht. Vier soorten ziekten en die onderling een beetje verstandig verdelen. Ze kunnen thuis, met een kamerjas aan, bij de kachel gaan zitten lezen. Bij de broodmaaltijd garnalen eten. Savonds vlees, aardappels en veldsla; pudding van rijstgries, met bessensap, na. Mijn moeder heeft me al drie dagen niet gevraagd, waarom ik niet in een sportclub ga,’ zei hij bij zichzelf. ‘Dat is een uitzondering.’

Voor de deur van zijn woning waren kinderen bezig de sterkte van het ijs op de gracht te beproeven. Een meisje op de kant hield een jongetje, dat er met beide voeten op stampte, bij de hand vast. Tenslotte liet ze hem los en hij trad enige passen naar het midden. Frits, die was afgestapt, liep met de fiets aan de hand naar hen toe. Snel klom de jongen op de kant. ‘Jullie kunnen dat beter niet doen,’ zei Frits, ‘het dooit hard.’ ‘Maar dat gaat nooit zo vlug,’ zei het meisje. ‘Ze antwoordt, omdat men ook op de domste opmerkingen iets terug moet zeggen,’ dacht hij. De jongen sprong weer op het ijs.

Frits opende de deur, droeg zijn fiets de trap op en zette hem rechtop in het berghok. Op dat ogenblik ging de deur van de zijkamer open en zijn vader, in zwarte wollen kamerjas, trad in de gang. ‘Goede middag,’ zei Frits. ‘Wel,’ vroeg zijn vader, ‘iets nieuws beleefd?’ Zijn gezicht was geplooid in een glimlach. ‘Nee, dat niet,’ antwoordde Frits. ‘Wat zeg je?’ vroeg de man, het hoofd naar voren brengend. ‘Alles gewoon,’ zei Frits. ‘Hè?’ vroeg zijn vader. ‘Alles gaat zijn gang,’ zei Frits nu luid, half roepend. Zijn vader zweeg en liep voor hem uit de gang in. Frits ging snel de zijkamer binnen en draaide de gaskachel uit; daarna liep hij achter zijn vader aan naar de huiskamer.

Hier zat zijn moeder aan tafel kousen te stoppen. Hij groette, ging op de divan zitten en zette de radio aan. Er werd een tango gespeeld.

‘Heb je de gaskachel wel uitgedraaid?’ vroeg ze. ‘Nee, ik geloof van niet,’ antwoordde zijn vader, terwijl hij langzaam opstond. Frits had het gevoel, of hij een handvol droog meel in de keel had, dat hij niet kon wegslikken. ‘Dat heb ik al gedaan,’ zei hij, de eerste woorden hees uitsprekend. ‘Wij zorgen overal voor. Wij staan tot uw beschikking. Ook aan huis te ontbieden.’ Hij trok zijn gezicht in een opgewekte uitdrukking. Er viel een zwijgen.

‘Ik weet niet, of het van het weer komt,’ ging hij voort, ‘maar ik voel me vandaag bijzonder fit.’ ‘Wanneer ga je nu bij een sportvereniging?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik heb geschreven en me opgegeven,’ antwoordde hij. Zijn vader stond op en slofte op zijn pantoffels de kamer uit.

‘Vandaag heeft die man voor één gulden en zestig cent aan postzegels weggegooid,’ zei zijn moeder. ‘Hoe dan?’ vroeg Frits. ‘God weet het,’ zei ze. ‘Vijf van tien heb ik in de vuilnisbak nog terug kunnen vinden. Het is net of die man geen verstand meer heeft. Ik denk, dat hij ze eerst in de prullemand heeft gegooid.’ Ze stond op en ging naar de keuken.

Frits zette de radio, die met een lezing begon, af en rolde een sigaret. Zijn aansteker bleek leeg; hij ging hem in de keuken vullen. Terwijl hij bezig was, de juiste hoeveelheid in het reservoir te gieten, zei zijn moeder: ‘Zie je, hoe hij dat nieuwe pak afsloft? Geen vouw zit er meer in; ik geloof, dat hij zijn handen aan zijn broek afveegt.’

‘Tom te tom tom, tom te tom,’ zong Frits in zichzelf, ‘het gaat slecht, verder gaat het goed.’ Hij schroefde het apparaatje dicht, blies er tegen om de druipende benzine te doen verdampen en ging naar de huiskamer. Zijn vader was er teruggekeerd, schroefde zijn pijp open en reinigde de metalen rookbuis met stukjes krantenpapier, die hij telkens als propjes in de kolenbak wierp. Hij bekeek het resultaat en veegde toen het buisje af langs de mouw van zijn pak. ‘Waarom, als hij toch aan zijn kleren moet vegen, doet hij het niet aan zijn slipover?’ dacht Frits, ‘die is donker.’ Hij keek naar de mouw van blauwe wol, die een eind onder die van het jasje uitkwam.

Toen de tafel was gedekt, kwam zijn moeder binnen met een schaal stokvis. ‘Er kan een graat hier en daar in zitten,’ zei ze, ‘maar het meeste heb ik er uitgehaald.’ Er waren aardappelen, geraspte rauwe selderijwortel, andijvie en roze vla. Na het eten waste Frits handen en lippen en at een stukje tandpasta. ‘Het patentmiddel tegen stokvis,’ mompelde hij. Het was kwart over zes.

‘Wat voor weer is het?’ vroeg zijn moeder. ‘Gewoon weer,’ zei Frits, ‘niet zo erg koud.’ ‘Als het zo koud is,’ zei ze, ‘heb ik niet veel zin om te gaan; we zouden vanavond, vader en ik, naar Annetje in Haarlem.’ ‘Dat is ook zo,’ zei Frits, ‘dat zei je vanmorgen.’ ‘Hoe is het buiten nu?’ vroeg ze, ‘is er een koude wind?’ ‘Er is wind, maar geen koude wind,’ zei Frits. ‘Wat noem jij koud?’ vroeg ze, ‘is het van die natte kou?’ ‘Het is een vochtige lucht,’ zei Frits, ‘de wind is eigenlijk broeierig.’

‘Laten we maar gaan,’ zei zijn vader. ‘Dan zorg ik, dat ik een doek om mijn kop doe,’ zei ze, ‘en als het me te koud is, dat het zeer doet aan mijn hoofd, dan gaan we terug. Misschien zijn we al tegen half elf, elf uur weer thuis.’ Zijn vader haalde de jassen.

Toen ze weg waren, bleef hij voor de boekenkast staan en graaide in een stapel kranten. Hij luisterde naar het tikken van de klok en de geluiden in de woning boven hem. Plotseling bekeek hij scherp de bovenkant van een krant en las de datum. ‘Natuurlijk,’ mompelde hij, ‘dat is vandaag.’

Hij vergeleek de tijd van zijn horloge met die van de 34
klok en ging zich verkleden. ‘Een blauw overhemd staat goed bij dit pak,’ zei hij, zijn das strikkend voor de spiegel. ‘We mogen ons uiterlijk niet verwaarlozen.’ In de huiskamer legde hij een met rood potlood geschreven briefje op tafel met de woorden: ‘Het gymnasium bestaat twintig jaar. Ik ga er heen, voor mijn plezier.’ ‘Wij deinzen voor niets terug,’ zei hij hardop. ‘Het zou kinderachtig zijn, weg te blijven. De beproevingen dienen in het gelaat gezien te worden. Eerst langs Joop.’

Toen hij buiten kwam, woei nog dezelfde zachte, lauwe wind. Hij liep eerst de weg van de vorige avond, sloeg na vijf minuten links af en wandelde langs een stukje plantsoen tot een gracht, waarover een kleine houten ophaalbrug leidde. Hier belde hij aan bij een scheefgezakt huis, waarvan de oude deur, die uit twee losse delen bestond, afbladderende verf droeg. Op de eerste verdieping ging een schuifraam open en Joops hoofd verscheen in de opening. ‘Een aardig ding om te zien,’ riep Frits, ‘je kan die kop best in de vensterbank zetten, het is altijd beter dan een geranium.’ ‘Vang!’ riep Joop. Frits ving een bos sleutels, opende de bovendeur, draaide de grendel van de onderdeur en ging langs een steile, gedraaide trap naar ven. Joop ging hem voor naar de huiskamer.

los3fietshuisje

Het was een ruim vertrek met drie zeer grote schuiframen. De overgordijnen waren te smal om het gehele glasoppervlak te bedekken. De zoldering werd geschraagd door dikke, grijs geverfde balken. Aan de muren hingen affiches; er stond een kamerlinde in een houten pot en voor ieder raam een bank. Op de schoorsteenmantel merkte Frits een emmer op, onder een donkere plek in de zoldering.

Een jonge vrouw met een blozend gezicht en zwart haar kwam uit een achterkamer binnen. ‘Dag Ina,’ zei Frits, ‘ik was bijna vergeten, dat het vandaag was.’ Ze ging op een grote spiegel af en begon haar jurk af te borstelen. ‘Ga zitten, meneer Van Egters,’ zei Joop. Hij nam een doosje sigaretten uit een la en presenteerde.

‘Je begint flink kaal te worden,’ zei Frits. Joop antwoordde niet. ‘Zeg Joop,’ begon hij opnieuw, ‘niet om hatelijk te zijn, maar je hoofd begint heel aardig kaal te worden. Het duurt niet zo lang, tot je haren te tellen zijn op de vingers van je hand.’ Joop glimlachte, de mond klein houdend. ‘Ik word niet zo gauw kaal,’ zei hij. ‘Je schijnt er op te zitten wachten.’ Met wijsvinger en middelvinger betastte hij de diepe inhammen van de haargrens. ‘Toch wel,’ zei Frits. ‘Tel je de haren in je kam wel elke morgen? Dan zul je zien, dat het er elke dag meer zijn. Langzaam maar zeker. Ik zou het verschrikkelijk vinden, als ik wist, dat ik kaal moest worden. Ik zou niet langer willen leven. Maar, begrijp goed, ik wil je niet ontmoedigen.’

‘Is hij weer bezig?’ vroeg Ina, haar onderjurk verschikkend. ‘Ik geloof niet, dat jij je bizonder voor het onderwerp interesseert,’ zei Frits, ‘omdat je er niet bang voor bent. Vrouwen worden inderdaad niet vaak kaal. Toch’ – hij wendde zich tot Joop, die in een boek was gaan bladeren – ‘luister je? Toch heb ik een oude vrouw gekend, die misschien maar een stuk of twintig haren op haar hoofd had. Ze noemden haar Schilferhoofd, omdat het vel bij stukken tegelijk afbladderde. Slechte grondverf.’

‘Het komt alleen maar, omdat ik nooit weet, wat ik hier zeggen moet,’ dacht hij. ‘Ik ga nog verder. Tegen te houden is het niet.’

‘Hoe gaat het verder met je?’ vroeg Joop. Frits zweeg. ‘Valt er nog nieuws te melden?’ ‘Nee,’ zei Frits. ‘Alleen vertelde iemand op kantoor me, dat ze in de trein iemand zijn krant in brand gestoken hebben.’ ‘Wat?’ vroeg Ina. ‘Kijk,’ zei Frits, ‘een man in een treincoupé zit zijn krant te lezen. Wijd opengevouwen. Een man tegenover hem houdt er helemaal beneden een lucifer onder. Ze vertelden het me, en ik zag het precies voor me. Eerst een beetje rook, dan ineens een geweldige vlam. Je moet je voorstellen: die lezer frommelt ineens, met een klap, de krant in elkaar. Schrikt zich dood.’ ‘Zo, zo,’ zei Joop.

‘Maar nu over kaal gesproken,’ ging Frits door, ‘het is een naar ding. Je ziet het veel. Het schijnt erg in de mode te zijn.’ Ina schonk thee in. ‘Is er wel genoeg tijd?’ vroeg Joop. Er ontstond een zwijgen. ‘Er zijn tal van middelen om de kaalhoofdigheid te bestrijden,’ zei Frits, ‘maar weinige helpen. Wel zijn veel werkwijzen bekend om de leegte te verbergen.’ ‘Nou, nou,’ zei Ina, ‘je zit weer aardig op je praatstoel.’

‘Wat denk je,’ vroeg Joop, ‘zouden we eigenlijk niet een taxi kunnen nemen? Zeg Frits, als jij niet zoon zak was, fuifde je op een taxi.’ ‘De pest,’ zei Frits, ‘dat is zonde van het geld.’ ‘Nietwaar?’ ging Joop voort, ‘je verdient toch zoveel geld?’ ‘Ik denk er niet aan,’ zei Frits.

‘Zeg dan nog maar iets over kaalhoofdigheid,’ zei Joop. ‘Nee, ik weet niks meer,’ zei Frits. ‘Kan het vrouwen eigenlijk iets schelen, of hun man een kale kop heeft, Ina?’ vroeg hij. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze, ‘dat zal je aan die vrouwen moeten vragen.’

Frits bekeek zijn broer, die zijn sigaret zo vasthield, dat het brandende eind recht naar boven wees. ‘We kunnen bizonder goed met elkaar opschieten,’ zei hij. Joop zweeg en keek naar zijn sigaret, terwijl zijn gezicht even een flauwe glimlach vertoonde.

‘Merkwaardig is dat,’ zei hij eindelijk, ‘ik begin te geloven, dat het heel erg is geweest.’ ‘Dat niet,’ zei Frits. ‘Weet je nog van die jampot?’ ‘Nee,’ antwoordde Joop. ‘Weet je niet meer,’ vroeg Frits, ‘dat ik zeedieren op spiritus in een jampot had? Dat is, ik denk, veertien jaar geleden.’ ‘Ik krijg weer het een en ander over jou te horen, niet?’ zei Ina tot Joop. ‘Nou, vertel maar,’ zei deze.

‘Toen we nog in de Cementwijk woonden,’ zei Frits. ‘Die pot van mij met zeedieren, die gooide je van twee hoog naar buiten, te pletter op de straat. We woonden toen tegenover een groentewinkel. De pot ging in kleine scherven en het maakte een vlek op de straat.’ ‘Zeebeesten op spiritus?’ vroeg Joop. ‘Daar weet ik niks meer van.’

‘Die had ik van Zandvoort meegebracht,’ ging Frits verder. ‘Met die Duitser. Die bij ons logeerde en een kapotte maag had. Hij roosterde brood op zoon electrisch ding.’ ‘Ja, ja, dat herinner ik me nog,’ zei Joop.

‘Die man,’ ging Frits door, ‘die had nog nooit de open zee gezien. Moeder stelde voor, dat hij naar het strand zou gaan en ik mocht met hem mee. Het was in het begin van de herfst. Op een Woensdagavond, want smiddags had ik vrij en het was geen Zaterdag. Hij keek naar de zon, die onderging en deed zijn mond half open, dat het op zijn gouden tanden schitterde. En het had pas een paar dagen gestormd, dus er lag van alles. Terwijl hij maar stond te kijken, zocht ik zeesterren en krabben en ik deed ze in mijn alpinomuts. Hij bekeek ze met veel belangstelling.’

‘Hoe komt het toch, dat je zulke dingen onthoudt?’ vroeg Ina. ‘Dat is een gave,’ antwoordde Frits. ‘Ik hield die rommel in mijn muts. Toen we naar huis zouden gaan, liepen we een deftige winkel binnen, dicht bij de tramhalte. Je had er repen van vier cent, in alle smaken, maar ook grote tabletten, die je niet eens in je zak kon steken, zo dik en groot. Die kostten vijftig cent. Ik was geweldig bang, dat hij die van vijftig cent zou kopen, maar ik durfde niets te zeggen.’

‘En wat kocht hij?’ vroeg Joop. ‘De grote,’ zei Frits. ‘Twee van elk vijftig cent. Hij gaf er mij een en maakte de wikkel open, het zilverpapier een eindje er af. Ik beet er een stuk van af, maar lekker vond ik het niet. Gek hè?’

‘Maar je was bezig met die pot,’ zei Joop. ‘Nou,’ zei Frits, ‘ik deed ze thuis in een jampot, onder spiritus, omdat vader zei, dat het net zo goed was als alcohol. Die spiritus is na een paar dagen al rood geworden. Ik dacht, dat het van het bloed van die beesten kwam. Ik hield het elke dag tegen het licht.’

Ina schonk opnieuw thee in. ‘En waarom gooide ik die pot op straat stuk?’ vroeg Joop. ‘Dat is nu de vraag,’ antwoordde Frits. ‘Een goed begin, dat moet ik zeggen,’ dacht hij.

‘Maar ik geloof, dat je de zaak een beetje bedondert,’ zei Joop. ‘Ik weet nog wel iets van een jampot. Tegen de muur kapotgegooid. Maar dat deed jij.’

‘Tot je dienst,’ antwoordde Frits, ‘dat was ik. Maar dat was een andere jampot. Het was tegen dezelfde tijd. Ik bewaarde op een bodem van watten een gedroogde klit zoetwatermosselen. Op een leliestronk. Die pot heb ik Eli Hogeweg naar zijn kop gegooid. Als je iemand savonds op de kamer had, dan sarden jullie mij in mijn bed. Want om half negen lag ik al in bed. Dan lieten jullie het bed wippen. Toen deed je dat met Eli samen en toen nam ik de pot met mosselen en gooide die naast Eli zijn kop tegen de muur. Het was moedwillig naast zijn hoofd gegooid, het was er naast bedoeld, maar hij schrok zich toch een ongeluk. Hij dacht, dat ik op hem gemikt had. Maar dat was beslist niet zo.’

‘Klein kinderleed,’ zei Joop. ‘Is het nog geen tijd?’ ‘Nee,’ zei Ina, ‘nog niet.’ ‘Het is wat je klein noemt,’ vervolgde Frits. ‘Weet je nog, dat jullie mijn boeken kapotgeschoten hebben? Jij met Jozef Pijp? Met het luchtpistool? Alle ruggen aan flarden. Dat is nog niet eens zo lang geleden.’ ‘Ja,’ zei Joop glimlachend. ‘We vertrekken.’

‘Het weer dat gaat wel,’ zei Frits, toen ze buiten kwamen. Ina liep tussen hen in en had elk een arm gegeven. ‘Je moest eens vooruit lopen,’ zei Joop, toen ze het plantsoen voorbij kwamen, ‘en kijken, of er een taxi is.’

‘Inderdaad,’ dacht Frits. ‘het was alles te verwachten. Wat gebeuren moet, gebeurt.’ Hij holde op een sukkeldraf vooruit en wenkte een taxi, die juist aan de halteplaats binnenkwam. ‘Nu schakelt hij in de twee,’ zei hij, toen ze wegreden, ‘laat weer opkomen, gas bij, gas los, ontkoppelen, in de drie; Ina je weet, dat ik over veertien dagen ga leren autorijden?’ ‘Dat ook al,’ zei ze.

Er was weinig verkeer en de auto zoemde rustig over het asfalt. Binnen het kwartier waren ze voor de ingang van een hoog gebouw met twee grote vleugels aangekomen. ‘Er is geen terug meer mogelijk,’ dacht Frits. ‘We zetten een onverschillig of desnoods vrolijk gezicht.’

los1fietsgevel

Nadat hij de chauffeur had betaald, liepen ze over een donkere binnenplaats op de ingang toe. Onderweg bleef Frits even staan en bekeek, naar boven ziend, een korte, vierkante toren, die zich verhief waar de zuidelijke vleugel zich met de romp van het gebouw verenigde. ‘We zijn nog tamelijk vroeg,’ zei Ina. Ze gingen een korte gang door en kwamen in een grote hal. ‘We zijn er,’ zei Frits bij zichzelf. Hij haalde diep adem. Aan twee tafels werden plaatsbewijzen verkocht. Hij liet zich in het gedrang naar een andere tafel persen dan Ina en Joop en kocht één plaats. Op de trap, bij de kaartencontrole, troffen ze elkaar weer en liepen langs een spandoek met het opschrift: ‘Berendsgymnasium, 1926-1946’ naar boven, waar ze in een hal, kleiner dan die beneden, voor de ingang van een zaal kwamen. ‘Nu nadert het,’ dacht Frits. Ze hingen hun jassen op in een gang. Frits treuzelde, bezocht een waterplaats en zag, toen hij er uit kwam, Ina en Joop in de drukte verdwijnen. ‘Dat is één,’ zei hij, voorzichtig om zich heen ziend.

Opeens hoorde hij ‘Frits!’ roepen en toen hij in de richting van het geluid keek, herhaalde dezelfde, kraaierige stem: ‘Van Egters!’ Een kleine, gezette jongeman met geplakt, donker haar, dat vlak naast het midden van het hoofd was gescheiden, kwam op hem toe. ‘Waarachtig,’ zei hij, ‘jij komt dus ook vanavond?’ Hij sloeg Frits op de schouder en schudde hem de hand, waarbij hij zijn arm vrijwel gestrekt naar beneden hield. ‘Ik moet me zowat bukken,’ dacht Frits. ‘Natuurlijk,’ antwoordde hij, ‘en jij bestaat dus ook nog; het is een hele tijd geleden.’ Daarop zwegen ze. De jongen kneep zijn kleine ogen half dicht en wreef zich in de handen. Hij had een zwart avondkostuum aan, droeg een vlinderdasje en schoenen met scherp toelopende punten. ‘Hij gaat vragen,’ dacht Frits. ‘Laat ik mij gereedhouden.’ Hij bleef de ander nauwlettend gadeslaan.

Op het ogenblik, dat de jongen de mond weer bewoog, zei Frits onmiddellijk: ‘Henk, hoe gaat het de laatste tijd?’ Hij zei dit met zoveel haast en nadruk, dat hij druppels speeksel uitstootte. ‘Je spreekt vochtig,’ zei de jongeman grinnikend, terwijl hij de rug van zijn hand afveegde. ‘Ik had jou wel hetzelfde willen vragen. Het is niet zo snel in het kort te vertellen. Jij zou zeggen: vreemde, onoorbare zaken. Jij zou wel een of ander gek woord hebben gevonden, Van Egters; god god, wat hebben we toen gelachen, met die zeehond. Het is een oude zeehond.’

‘Je voert natuurlijk niet veel uit?’ vroeg Frits haastig, toen de ander ophield. ‘Je bent zeker gepensionneerd student? Voor de vorm af en toe een kollege en verder wachten tot het alle dagen Zondag wordt en kermis in de week?’ ‘Flauw,’ dacht hij, ‘ontzaglijk flauw.’ ‘Is het niet zo?’ vroeg hij.

De ander schoot in een lach. ‘Ja Egters,’ zei hij, ‘maar ik sta wel ingeschreven. Volgens de regels studeer ik medicijnen. Jezus, wat een moeilijk vak.’

‘Dat is een van de weinige fakulteiten, waarvoor ik ontzag heb,’ zei Frits. ‘Als er iets is, waarvoor jij ontzag hebt,’ zei de jongen en stompte hem, half duwend, op de borst. ‘Ik schiet niet erg op,’ zei hij. ‘Je doet niet te veel,’ zei Frits, ‘daar ben ik niet bang voor.’

Ze naderden in de stroom de ingang van de zaal. ‘Ik doe ook een beetje zaken,’ zei de jongeman. ‘Verleden week ben ik naar Brussel geweest. God god, wat een lol gehad. Dat zou iets voor jou zijn geweest.’ ‘Brengt het redelijk op?’ vroeg Frits. ‘Soms wel,’ antwoordde de ander, ‘maar de markt fluktueert. Het zakenleven is niet zo eenvoudig, meneer Egters.’ Bij deze woorden maakte hij met de hand een kantelend gebaar en knipoogde. ‘Wat doe jij eigenlijk?’ vroeg hij daarop. ‘Begrijp jij, waarom die mensen zo persen?’ vroeg Frits. ‘Misschien lukt het,’ dacht hij. ‘Zeg Frits,’ hield de ander aan, ‘wat doe jij op het ogenblik?’ ‘Ik kijk uit naar iets goeds,’ antwoordde Frits. ‘Op het ogenblik ben ik op een kantoor.’ Hij verzette zich tegen de opdringende beweging van het publiek, hield naar links aan en zag, hoe de jongeman steeds verder van hem verwijderd raakte. ‘Tot straks,’ riep deze. ‘Tot zo ver loopt alles inderdaad volgens de verwachtingen,’ mompelde Frits. ‘We zullen zien.’

Hij werd de zaal ingeperst. Het was een lange, hoge ruimte met blanke muren. Het plafond liep toe als een gewelf. Grote lampekronen droegen elk drie glazen ballons. Boven het podium waren op de muur gestileerde wandschilderingen aangebracht met Griekse opschriften. Overal maakten de gele, houten stoelen geraas op de parketvloer.

De zaal was nog niet gevuld. Aan de ingang nam de drukte snel af. Hij bleef achter in de zaal tegen de muur staan, keek even rond en liep toen langzaam door het middenpad. Hij zag een man met dun, wit haar naderen en schoof snel, als met een doel, een lege rij in. ‘Het is Vogel,’ dacht hij. ‘Waarom verstop ik me?’ Toen de man voorbij was, liep hij langzaam terug in de richting van de uitgang.

‘Egters, wat dwaal jij hier rond als een verdoold schaap?’ vroeg een stem naast hem. Een slanke jongeman schudde hem, toen hij zich had omgedraaid, de hand. Frits glimlachte en bekeek scherp het knappe, lichtbruine gezicht met de diep liggende, donkerblauwe ogen. ‘Let op het merk, als u tandpasta koopt,’ dacht hij. ‘Dwalen?’ antwoordde hij, ‘ik dwaal niet. Het zal wel vervelend worden vanavond, denk je niet, Wim?’ De jongeman bleef hem enige ogenblikken aankijken, voordat hij achteloos antwoordde: ‘Waarom? Het kan best aardig zijn.’ ‘We hebben elkaar in lang niet gezien,’ ging hij voort. ‘Hoe gaat het jou?’ ‘Mij gaat het best,’ zei Frits. Daarop zwegen ze. Frits keek voor zich op de grond. ‘Ik zie je nog wel,’ zei de jongen en liep verder.

‘Ik had kunnen weten, wat ik begon,’ dacht Frits. De ingang werd gesloten en allen gingen zitten. Hij nam snel plaats op een van de achterste rijen, die geheel leeg was.

Het werd stil en een piano zette een paar forse maten in. ‘Het schoollied,’ dacht hij, ‘daar komt het.’ Na een paar luide akkoorden zette de pianist de melodie in. Allen stonden op en begonnen te zingen. ‘Sumus,’ dacht hij, ‘tot zover weet ik het. Maar hoe is het verder? Ik versta ze niet. Een slordige uitspraak.’

Een jongen met een bril met dikke glazen beklom het spreekgestoelte. Hij droeg een penning aan een zwart met rood gekleurd lint om de hals. ‘Ik heet u allen van harte welkom,’ zei hij met een zwakke stem. ‘Het woord is aan onze rektor, om deze herdenkingsavond te openen.’ Daarop trad een man met een vlezig, dik gezicht achter de lessenaar. ‘De mond is zo mogelijk nog meer verzakt,’ dacht Frits. ‘Zonder kam zou hij best het leven doorkomen.’ Hij luisterde en keek naar het grote, kale hoofd, dat aan het eind van elke zin nu naar links, dan naar rechts zwaaide. Hoewel de woorden luid en goed verstaanbaar waren, drongen ze niet tot hem door. Hij bekeek de ramen, het plafond, de deuren en de stoelzitting en stak zijn duim in de mond.

Na de rektor besteeg een man met dik, grijs haar het spreekgestoelte. Hij droeg een zware, donkere bril en sprak met een doffe neusstem. Er werd ‘st’ geroepen. Met beide sprekers verstreek een kwartier. Het programma begon met een oud, Nederlands toneelstuk met bonte gewaden.

Daarop trad de jongen met de penning weer achter de lessenaar en zei: ‘Het volgende is een Griekse eenakter. Deze werd in Egypte op een papirus opgegraven. Ik vestig uw aandacht op de volgende gedeelten.’ Hij begon van een blad papier voor te lezen. ‘Ik zal sterven, als ik het versta,’ dacht Frits. ‘Ik heb vergeten een programma te kopen, dat is in ieder geval zuinig.’ De opvoering begon. Frits boog zich voorover en keek naar de grond. ‘Er is niet één woord, dat mij iets zegt,’ dacht hij. ‘Toch klap ik.’ Toen het uit was, klapte hij, als de anderen, luid en langdurig in de handen. Het was pauze. Allen haastten zich naar de gang, waar limonade werd verkocht. Frits was een van de eersten. Hij trok zich met een flesje terug uit het gedrang en leunde tegen de trapbalustrade. De hal vulde zich snel en overal vormden zich groepjes pratenden.

Hij liep, door het rietje de limonade opzuigend, de bovengang in, bekeek de deuren, bleef af en toe staan en liep weer terug. In de hal waren Joop en Ina in gesprek met een dikke man in een zorgvuldig geperst, bruin pak. Frits beet zich op de wangen, kwam naderbij, stak zijn hand uit en zei: ‘Dag meneer Wening.’ De toegesprokene keek verbaasd, vatte toen snel de uitgestoken hand en trok zijn gezicht in een nadenkende uitdrukking.

‘Frits van Egters, jongere broer van Joop van Egters,’ zei Frits. ‘De mislukte.’ ‘O,’ zei de man, terwijl zijn dikke, rode gezicht glimlachte. ‘Ja,’ zei hij tot Ina en Joop, ‘zoals ik daarnet al zei: of ze nu twee of tien jaar weg zijn, daartussen is geen verschil, dat is gek. Ken je iemand nog, dan blijft dat ook zo. Ina blijft Ina, maar ik weet niet meer, wanneer het geweest is. Wanneer deden jullie eindexamen, wanneer was dat?’ ‘In acht en dertig,’ zei Joop. ‘Jullie allebei?’ vroeg de man. ‘We zaten in dezelfde klas,’ antwoordde Joop. ‘Een echte, zuivere idille,’ zei de man. Hij wiegde met zijn zwaarlijvige gestalte naar voren en trok zijn wenkbrauwen op, waardoor hij zijn glimmend voorhoofd plooide en zijn geplakte, gladde blonde haar even liet bewegen. ‘Ja, ja,’ zei hij, met half ingehouden adem sprekend. Hij bewoog de rechterhand zonder hem geheel op te tillen.

‘We hadden gehoord, dat u hier van school wegging,’ zei Ina. ‘O ja?’ vroeg de man, ‘wie zei dat?’ ‘Dat hoorden we,’ zei Ina. ‘Ik moet zeggen, kind, dat het volkomen nieuw voor me is,’ zei hij op geamuseerde toon. ‘Nee,’ vervolgde hij langzaam, ‘dat zijn zo de kleine teleurstellingen van het leven: ik zal hier wel nooit meer vandaan komen.’

Frits stond nog steeds naast hem. Hij luisterde naar de stem, zag de ogen hun verbaasde bewegingen maken en volgde de onbeholpen bewegingen van de armen. Hij begon voorzichtig achteruit te schuiven, draaide zich geleidelijk om en sloop weg. Plotseling liep hij bijna tegen een reeds gedeeltelijk kaalhoofdige jongeman op, die een pince-nez droeg. Hij was lang en stakerig van gestalte en droeg een smal, in tweeën gedeeld snorretje. ‘Hoe gaat het?’ vroeg Frits, ‘Kasper Sterringa, heel aardig.’ Hij wachtte en bekeek de onberispelijke avondkleding. ‘Zo, zo,’ zei de ander. Frits hield de hand naar voren. Toen de ander de zijne uitstak, greep hij onmiddellijk toe. ‘We staan een beetje in het gedrang,’ zei hij. ‘Weet ik niets anders te zeggen?’ dacht hij; ‘wacht, ik kan altijd nog die van die foto vertellen.’ ‘Was jij ook niet in Mei op die avond in het Hermespaviljoen?’ vroeg de pince-nez. ‘Ik dacht, dat ik je zag, maar je zag mij niet.’ ‘Nee, dat kan niet,’ antwoordde Frits, ‘daar ben ik niet geweest.’ ‘Ik weet een vraag,’ dacht hij. ‘Heb je nog wel eens iets van Sal Jachthandelaar gehoord?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei de pince-nez. ‘Hij is natuurlijk dood,’ zei Frits. ‘Nee nee, ik bedoelde daarnet ja,’ verbeterde de ander, ‘hij is naar Zwitserland gekomen en vandaar naar Engeland. Zijn familie is dood. Daar is hij piloot geworden.’ ‘Hoe bestaat het,’ zei Frits. ‘Hij was op Valkenburg de laatste tijd,’ ging de ander door, ‘maar ik heb hem al een paar maanden niet gezien.’

‘Dat doet me veel plezier te horen,’ zei Frits. ‘Werkelijk, dat doet me veel plezier.’ ‘Een nieuwe vraag,’ dacht hij.

‘Wat doe jij op het ogenblik?’ vroeg de pince-nez. ‘Ik hoorde, dat je notaris aan het worden bent,’ zei Frits. ‘Ja, candidaat ben ik,’ zei de ander. ‘Ik moet er de meestertitel bij hebben, anders is het half werk. Wat doe jij?’ Frits haalde diep adem, opende de mond, sloot hem weer, opende hem opnieuw en zei op een effen toon: ‘Op kantoor. Ik neem kaarten uit een bak. Als ik die er uit genomen heb, dan zet ik ze er weer in. Zo is het.’ Hij sloot de mond, kneep het linker ooglid iets toe en keek naar de grond.

‘Je bent nog dezelfde idioot als toen,’ zei de ander glimlachend. ‘Uit jou word ik ook niet wijs. Weet je nog een of ander gek verhaal? Je had altijd iets idioots bij de hand.’ ‘Ik weet alleen dat verhaal van die foto,’ zei Frits op onverschillige toon. Hij telde de vloertegels. ‘Nou?’ vroeg de ander. ‘O,’ zei Frits, ‘er werd op een school een foto van de hele klas gemaakt, maar het arme jongetje mocht er niet op, die was te slecht gekleed. De juffrouw zegt: kijk Pietje, als die foto gemaakt is, dan zeggen ze later: dat is Wim, die is nu direkteur van de bank; zijn vader was ook direkteur. En dat is Klaasje, die is notaris. Zijn vader was ook notaris. En dat is Eduard, nu is hij dokter. En die daar is Joop, die is dominee. Dus Pietje, als de fotograaf komt, ga jij dan maar aan de kant staan. Begrijp je? Goed, dat doet hij ook en de foto wordt genomen. Een paar dagen later komt er een afdruk. Wie wil er fotoos bestellen? vraagt de juffrouw. De meesten bestellen er een. Pietje ook.’ ‘Hij is eigenlijk oud en flauw,’ dacht hij. ‘De juffrouw is verbaasd,’ ging hij verder. ‘Die vraagt: Pietje, waarom wil jij een foto hebben, je staat er toch niet bij op? Dat weet ik wel, juffrouw, zegt hij. Waarom wil je er dan een hebben? vraagt ze. Om te bewaren, zegt hij. Dan kan ik later, als ik groot ben, zeggen: dit is Wim, die is direkteur geworden. En dat is Klaasje, die is notaris. En dat is Eduard, die is dokter. En dat is die juffrouw, die jong aan de tering is gestorven.’

De pince-nez lachte luid. Bij het openen van de mond vormden zich draden speeksel tussen zijn kaken. Een dame wenkte hem en hij verdween, na Frits haastig de hand te hebben gedrukt. Deze liep de trap af naar de benedenhal, waar het minder druk was. ‘Jezus, daar heb je Tafelmaker,’ dacht hij, ‘dat ontbrak er nog maar aan. Nu zijn we volledig.’ Een jongeman kwam op hem af. Hij droeg een donkerblauw, wollen pak. ‘Iets te ruim,’ dacht Frits. Op het voorhoofd had hij puistjes; de neus was dun en wit, terwijl de wangen onnatuurlijke blosjes vertoonden, als van een Californische appel. De bruine haren waren gegolfd in een lange reeks ribbeltjes, en zwaar gevet. ‘Spagettihoofd,’ dacht Frits. ‘Ha, die Frits!’ zei de jongen, gaf hem een harde klap op de schouder, bleef voor hem staan en zei: ‘Zo, oude zeehond.’ ‘Vooruit maar,’ dacht Frits. ‘Kun je nog een bochel maken?’ vroeg hij. De ander draaide zich om, boog zich iets voorover en bracht, na enige malen de schouderbladen te hebben bewogen, een ervan in een zodanige stand, dat onder de kleding een hoog, scherp uitsteeksel ontstond. ‘Ha, Ba, Bariba,’ zong hij, met een voet op de grond tikkend, ‘Ha, Ba, Bariba.’ ‘Dat is heel goed,’ zei Frits. De ander rende ineens weg. ‘Het is een welbestede avond,’ dacht Frits. ‘Nuttig tijdverdrijf.’

Hij zag Joop en Ina met hun jassen aan de trap afkomen en hield hen staande. ‘Gaan jullie al weg?’ vroeg hij. ‘Het is pas halftien.’ ‘Ja,’ antwoordde Joop glimlachend, ‘anders komen we niet op tijd in bed.’ ‘Straks gaan jullie nog om acht uur naar bed,’ zei Frits. ‘Het wordt al erger, als je er aan toegeeft.’ ‘Ik heb tien uur slaap nodig,’ zei Joop, ‘hier heb je het programma.’ Ze liepen verder en verlieten het gebouw.

De pauze was geëindigd. Hij ging op dezelfde plaats zitten en keek bij het vollopen van de zaal rond. Het programma werd voortgezet met een kort concert in drie delen. Toen dit was geëindigd, was het tien voor tien. Het volgende nummer was het Impromptu van Schubert. De tere, doordringende muziek steeg langzaam op.

‘Drie en twintig jaar ben ik nu,’ dacht hij. ‘Drie en twintig jaar. Het eerste jaar, dat was in zeven en dertig, of in zes en dertig?’ Hij hield zijn linker oor losjes vast. ‘Het tweede jaar,’ fluisterde hij. De pianist bereikte een langzaam deel, waarin hij behoedzaam, met lange rusten, de toetsen aansloeg.

‘Juist,’ zei Frits in zichzelf, ‘toen naar de derde.’ Hij boog zich voorover en hield zijn hand voor de ogen. ‘Het vierde jaar, het vierde,’ dacht hij, ‘hoe was het? Hoe is het geweest? Is alles te begrijpen? Waarom is er toen niet een briefje verzonden?’ Hij sloot de ogen, die hij aldoor half dichtgeknepen had gehouden, geheel. De muziek bereikte een luid en snel gedeelte. ‘Toch moet ik het nauwkeurig me kunnen herinneren en weten, waarom het zo was,’ zei hij bij zichzelf. ‘Alles is te begrijpen, wanneer men er moeite toe doet.’

De muziek eindigde. Hij stond op, liep nog tijdens het applaus de zaal uit, schoot zijn jas aan, holde de trap af en stond buiten. Stilstaand, hoorde hij violen stemmen. Hij spuugde op de grond en liep in een flinke pas naar huis.

In de woning zag hij nergens licht branden. Hij bekeek de gevel. ‘Niemand weet, wat een menselijke woning inhoudt,’ zei hij zacht. Hij ging langzaam de trap op en trad de gang binnen. Alles was donker. ‘Ze zijn thuis,’ dacht hij, stak licht op en zag de jassen van zijn ouders aan de kapstok hangen. Hij poetste zijn tanden en ging in zijn slaapkamer op het bed zitten. Daarna schoof hij het gordijn voor de onderste planken van zijn boekenkast weg en bekeek een lange rij boeken en blauwe, groene, oranje en grijze schriften. Hij bleef er lange tijd op staren.

‘Ik moet die rommel wegdoen,’ zei hij zacht. ‘Het huis uit, helemaal weg. Geen restje meer.’ ‘Wie is zo gek, wie is zo krankzinnig om naar zoiets heen te gaan?’ dacht hij. ‘Ik,’ zei hij hardop. ‘Ik, Frits van Egters.’ Hij huiverde. ‘Hoeveel uren slaap heeft een mens nodig?’ dacht hij. ‘Acht uren ten hoogste. Zes is op den duur weer onvoldoende, maar voor een keer genoeg.’

Hij trok een dun, slap boek in een bruine kaft uit de rij, opende het en las: ‘Bij het samenstellen van deze syntaxis heb ik een andere indeling gevolgd dan gebruikelijk is. Dit deed ik met het oog op het tweede themaboek van Graning-Kok. Voor het vertalen is het wenselijk, dat de leerlingen zo spoedig mogelijk vertrouwd raken met de accusativus cum infinitivo, het gerundium, het gerundivum en de ablativus absolutus. Daarom zijn in aansluiting bij het themaboek ook in deze syntaxis die constructies het eerst behandeld. Voor het overige wijs ik er op, dat ik getracht heb beknopt te zijn. Tenslotte mag ik in dit voorwoord niet de steun verzwijgen, die ik ondervond van – ’

Frits begon aan de helften van het boek te trekken, maar hield op. ‘Waarom trek ik niet door?’ dacht hij, beet voorzichtig in de band en zette het boek terug op de plank.

Hij boog de bureaulamp zodanig, dat het licht zich verspreidde op het plafond en bekeek zijn haar in de spiegel naast de deur. Met de vingers maakte hij een scheiding en bekeek de bleke schedelhuid. Daarna nam hij een slok levertraan uit een fles op zijn schrijftafel, kleedde zich uit en sliep spoedig in.

Hij meende muziek te horen, maar telkens als de klanken bijna duidelijk werden, nam de wind in kracht toe en blies alle geluid weg. Even daarna liep hij langs de rivier.

In zijn hand had hij een bos bloemen in papier. Over het water kwam langzaam een grote, witte zwaan op hem toezwemmen. Het dier klom moeizaam, maar toch vrij snel de steile walkant op en liep op hem af. Het was een gewone zwaan, zoals er in parken te zien zijn. De poten echter staken in damesschoenen, maar dit verontrustte hem niet.

Hij wilde iets zeggen, maar had geen stem. Toch voelde hij zich niet bevreesd. Het dier was nu vlak bij hem gekomen, strekte de hals uit, scheurde pikkend het papier van de bos en ging in de bloemen happen. Het waren sterke, witte krisanten. Elke pik bracht nieuwe beschadigingen teweeg. De witte kroonblaadjes woeien weg naar de rivier. Als ze boven het water gekomen waren, vormden ze een sneeuwstorm.

Soms beet de vogel een hele bloem van de steel en spuugde die uit. Spoedig was de bos kaal. Frits wierp hem op de grond.

Toen kwam de kop van de vogel al dichter bij hem. Eerst werd de kop aldoor groter, toen alleen het oog. Het oog groeide en naderde steeds dichter. Het was in een oogwenk al net zo groot als zijn eigen hoofd. Hij keek er in en werd geheel rustig. Hij wist, dat, wanneer hij zich niet verzette, dit zijn ondergang zou zijn, maar hij wilde niet weerstreven. Het dier zou hem doden, maar hij kreeg bij de aanblik van het oog, dat nu zo groot was, dat hij er zich in kon spiegelen, een gevoel van voldoening: het was hem onverschillig.

Hij werd wakker, draaide zich om en probeerde zich de droom te herinneren, maar dat lukte niet. Hij herinnerde zich alleen, dat er een zwaan in was voorgekomen, sliep weer in en droomde die nacht niet meer.