Meer decentralisatie, dan ook lokaal maatwerk  

Slechts 5 procent van de belastinginkomsten wordt lokaal geïnd. Absurd weinig, schrijven twee D66-senatoren, die even iets willen rechtzetten.

In NRC van 21 december plaatst hoogleraar bestuurskunde Wim Derksen kritische kanttekeningen bij de door D66 bepleite verruiming van het lokale belastinggebied. De korte samenvatting daarvan is dat hij vreest voor ernstige financiële benadeling van relatief arme gemeenten (waar weinig valt op te halen) die vaak juist relatief grote problemen hebben (waar veel voor nodig is).

Deze kritiek is niet nieuw, en zou hout snijden als gemeenten financieel geheel afhankelijk zouden worden gemaakt van wat zij aan belasting weten te innen bij eigen inwoners. Maar dat is natuurlijk absoluut niet de bedoeling en ook nooit de bedoeling geweest.

Integendeel: het Gemeentefonds krijgt in het eerder dit jaar aan de VNG uitgebrachte advies als expliciete hoofdtaak om ongewenste verschillen tussen gemeenten door verevening te corrigeren. Dat doet het fonds trouwens nu ook al: Heerlen krijgt per inwoner bijna vier keer zoveel als Bloemendaal. Bijstandsuitkeringen worden, anders dan Derksen suggereert, niet uit het Gemeentefonds, maar uit een apart budget gefinancierd; dat moet vooral zo blijven.

Het D66-plan voorziet precies in compensatie voor verschillen tussen gemeenten in belastingcapaciteit en voor extreem hoge gemeentelijke kosten – daarvoor blijft een (verkleind) fonds bestaan. Hoe groot de resterende verschillen mogen zijn, is een politieke afweging. Maar als die verschillen het gevolg zijn van bewuste voorkeuren van inwoners zoals tot uitdrukking gekomen in lokale verkiezingsuitslagen, dan is daar binnen redelijke grenzen geen enkel bezwaar tegen. Een minimum niveau aan voorzieningen moet elke inwoner gegund worden, maar een voorkeur voor een aanzienlijk hoger voorzieningenniveau tegen aanzienlijk hogere kosten mag van gemeente tot gemeente best verschillend uitpakken. Wie tegen die verschillen bezwaar heeft, keert zich tegen de essentie van lokale democratie en tegen grondwettelijk gewaarborgde autonomie van gemeentebestuur.

Naarmate meer taken van Rijk naar gemeenten gedecentraliseerd worden, neemt de behoefte aan lokaal maatwerk toe. Nog steeds wordt slechts 5 procent van alle belastinginkomsten lokaal geïnd, een internationaal absurd laag percentage. Nog steeds wordt zodoende bijna geheel op Rijksniveau bepaald welke inhoudelijke keuzes gemeenten kunnen voorleggen aan hun inwoners. Nog steeds leidt dat zo tot een ongewenste combinatie op gemeenteniveau van steeds grotere verantwoordelijkheden bij constante bevoegdheden.

Democratisch bestuur gedijt het best bij een zichtbare, directe band tussen beoordelen, bepalen en betalen. Verruiming van het lokale belastinggebied is daarvoor een essentiële voorwaarde.

Dat is – naast de gunstige werkgelegenheidseffecten van een lastenneutrale overheveling van Rijk naar gemeenten – de reden dat D66 met succes bij het kabinet heeft aangedrongen op een eerste echte stap in die richting voor de zomer van 2016.

Het wordt hoog tijd dat deze al bijna vijftig jaar lopende discussie wordt afgerond, het liefst met vooroordeelvrije ondersteuning vanuit het vakgebied van de bestuurskunde.