‘Wat ons drijft? Liefde en fascinatie’

De Franse dirigent en organist (35) is een van de nieuwe smaakmakers in de oude muziek. Zijn cd Le Concert Royal de la Nuit is een leuke uitdaging voor wie rond Kerst eens wat anders wil dan Wham! en Mariah Carey.

Foto Thomas Dorn

Het operatheater van Versailles ligt naast het paleis. De gangen – duister, ongepleisterd – lijken onveranderd sinds de opening in 1770. Wie twee eeuwen later is geboren, vouwt zich met moeite op in de dwergkrappe logebankjes. Maar de zaal zit voor het ‘spectacle’ bomvol en de rij voor het laten signeren van cd’s na afloop is imposant. Dirigent, klavecinist en organist Sébastien Daucé is hier een fenomeen. De cd’s die hij opnam wonnen prijzen. De jongste, tevens het programma dat hij hier vandaag uitvoert, heet Le Concert Royal de la Nuit en werd net Editor’s Choice of the Month van het muziektijdschrift Gramophone.

Drie jaar onderzoek gingen aan dit project vooraf. In de bibliotheek van Parijs ligt het manuscript met de muziek die op 23 februari 1653 klonk bij het ‘Ballet Royal de la Nuit’, waarmee kardinaal Mazarin zijn petekind, de toen 15-jarige Lodewijk XIV, in een artistiek én politiek statement lanceerde als Zonnekoning (zinnebeeld van de dag die volgt op de nacht).

Over de muziek die er klonk is veel bekend. Een tachtigtal (!) korte dansen, een vijftal gezongen scènes van personages als Nacht, Dag en Venus. Maar van die scènes zijn alleen de bovenstem en de becijferde bas overgeleverd, „terwijl we weten dat er een publiek van drieduizend man bij was, en het orkest dus wel uit honderd musici moet hebben bestaan om een beetje hoorbaar te zijn”, zegt Sébastien Daucé – vroeg grijs, hoodie, polsveter – de volgende ochtend in het hippe Hotel Amour in Parijs.

Daucé vulde die tussenstemmen zelf in. Niet voor honderd man, want zijn eigen Ensemble Correspondances, in 2008 opgericht en vernoemd naar een gedicht van Baudelaire, telt maar dertig musici. „In grootte zijn we niet authentiek”, beaamt hij. „Maar ik heb wel de oorspronkelijke opzet behouden. Dat wil zeggen dat ons orkest bestaat uit families van instrumenten, en dat velen van onze dertig musici meer dan één instrument bespelen.”

Op het podium in Versailles weerspiegelt die opzet zich in een keur aan ongewone instrumenten. Prominent is de slagwerker, die met vogelfluitjes, een windmachine en klankmachientjes de nacht (oehoe!) onderscheidt van de dag (prrt!). Maar ook de blazers en de strijkers houden de zintuigen bij de les. Betoverend is de zink, een houten blaasinstrument dat even aan een saxofoon doet denken. En er zijn ook ongewone strijkinstrumenten: tenorgamba’s, schootviolen.

We zijn nu vrijer

Toen het Ensemble Correspondances deze muziek voor het eerst speelde, zegt Daucé, was de aanpak stroever dan nu. „We waren als studenten van een nieuwe taal: gretig maar onwetend. Nu we de muziek intiem kennen, zijn we vrijer in de ritmische uitwerking van de voortdurend wisselende maatsoorten en de versieringen van de melodieën.”

Een beetje verwarrend is het allemaal wel. Het muzikale programma dat Daucé reconstrueerde, wijkt her en der af van de oorspronkelijke line-up van 1653. Toen waren het vooral instrumentale dansen die klonken, nu voeren vocale scènes, soms hevig contrasterend in stijl, de boventoon. ‘Authentiek’ is (naast vier andere vocale scènes) de openingsaria van de Nacht, gezongen door de prachtige alt Lucile Richardot. Maar de zinnelijke, in timbre fluwelig aansluitende begeleiding van gamba’s is een vondst van Daucé.

De overige vocale werken die klinken op de dubbel-cd voegde Daucé zelf toe. „Wat ons drijft om ons te beperken tot een beperkt deel van de oude muziek: de Franse zeventiende eeuw? Liefde en fascinatie! De Franse opera ontstond veel later dan de Italiaanse: de eerste was van Lully, rond 1675. Dat maakt het lyrische genre in Frankrijk van voor die tijd uniek en interessant. Er waren heel veel goede, nog steeds heel onbekende componisten in dat genre actief.”

Veel van de muziekstukken die Daucé op Le Concert Royal de la Nuit bijeenbracht, komen eigenlijk uit een eerder ballet, het Ballet d’Apollon (1621). Maar het assemblagewerk an sich is wél ‘authentiek’. „Balletten waren een politiek genre, men besloot op korte termijn er één op te voeren. De tussenliggende periodes waren te kort om nieuwe muziek te laten componeren, dus werden bestaande stukken samengebracht. Maar ik wilde ook een beeld geven van muzikaal Parijs rond 1650; een kosmopolitisch centrum waar ook Italianen als Rossi en Cavalli componeerden, en de Duitser Froberger.”

Een volledige reconstructie, mét dans, was wel het plan, maar werd uitgesteld tot 2017; het muzikale speurwerk eiste alle energie al op. Wie de dansen hoort – op de cd nog altijd vijftig – vraagt zich wel af hoe die dans er straks dan uit gaat zien: ritmes wisselen elkaar weerbarstig af en een dans duurt vaak maar een minuut.

„Wat we weten van Franse barokdans betreft de achttiende eeuw”, zegt Daucé. „Maar die menuetten zijn zeer regelmatig, en dansen uit de zeventiende eeuw juist niet. We weten wie er dansten – mannen van 15 tot 80 – en dat ze bonte kostuums droegen en dat een en ander werd opgevoerd in enorme zalen. Ik vermoed dat het pantomimeachtige defilés waren, waarbij je als danser in korte tijd indruk moest maken op de koning.”

Kerstmuziek

Met zijn ensemble koestert Daucé de beperking voor dit veronachtzaamde hoekje van de oude muziek, zegt hij. „Neem de kerstmuziek van Marc Antoine Charpentier. Die is gecomponeerd voor Charpentiers beschermvrouwe, die een kleine kapel van musici onderhield. De bezetting maakt de muziek uniek, opvallend inventief.” Bovendien maakt een specialisme dat je dieper kunt graven, voegt hij toe. „In onze niche hebben we expertise opgebouwd. Die is nodig om vertrouwen op te bouwen, zodat mensen geloven dat we in andere muziek ook iets eigens toe te voegen hebben. Ooit zou ik graag Purcell doen, of andere Engelse muziek die door de Franse is beïnvloed. Maar dat komt wel. We hebben geen haast. Er is nog zoveel te ontdekken.”