Rijk is de school niet, wel voorzichtig

Scholen hebben weinig geld, maar ze zijn niet allemaal armlastig. Soms is het bestuur gewoon te voorzichtig, vindt D66.

Achterstallig onderhoud aan een schoolgebouw. Vooral in het basisonderwijs komen scholen geld tekort. Foto Jan de Groen / Hollandse Hoogte

De kleuterjuf kocht bij de Action zelf knutselspulletjes voor de kinderen. Omdat de school er geen geld voor had. Onzin, dat geld was er wel, ontdekte Frank Willems uit Bladel toen hij een paar jaar geleden in de medezeggenschapsraad van de basisschool van zijn dochter zat. „Het bestuur had miljoenen in kas.”

En laatst zag hij in een regionale krant een artikel over ouders in Nieuwegein die geld inzamelden voor een nieuw schoolplein. Toen hij de jaarcijfers van het desbetreffende bestuur opzocht, zag hij ook hier miljoenen op de rekening staan.

Schoolbesturen potten geld op. Maandag bleek dat weer eens uit het rapport Financiële situatie in het onderwijs 2014 van de onderwijsinspectie. Uit hun balansen valt op te maken dat onderwijsinstellingen, van basis- tot hoger onderwijs, vorig jaar bijna een miljard meer aan liquide middelen hadden dan in 2012. Het geld vloeit grotendeels voort uit het Nationaal Onderwijsakkoord en het Begrotingsakkoord, die in 2013 werden gesloten.

Vooral basis- en voortgezet onderwijs hielden de afgelopen twee jaar veel geld in kas; respectievelijk 215 miljoen en 258 miljoen euro.

Dat geld moet in de klas terechtkomen, vindt D66-Kamerlid Paul van Meenen. Hij maakte zich sterk voor het extra miljard dat de twee akkoorden het onderwijs opleverden. Die extra middelen heeft het onderwijs hard nodig, zegt Van Meenen – die voor zijn politieke carrière docent en schoolbestuurder was. „Want het merendeel van de scholen bulkt niet van het geld. Zeker basisscholen niet.”

Hij schetst een genuanceerd beeld: er zijn besturen die veel centen hebben en geld oppotten. Maar er zijn ook besturen die het financieel zwaar hebben. Dat blijkt ook uit het inspectierapport; vorig jaar gaven scholen meer geld uit dan er binnenkwam. Het basisonderwijs stond 50 miljoen euro in de min, het voortgezet onderwijs 5 miljoen.

En daarom zijn scholen waarschijnlijk niet zo happig om het extra rijksgeld meteen uit te geven, denkt Van Meenen. „Ze zijn voorzichtig. En voor sommige geldt: te voorzichtig.”

Er zijn meer factoren die een rol spelen. De PO-raad (de vereniging van basisschoolbesturen) en de VO-raad (de vereniging van middelbareschoolbesturen) zeggen dat ze het extra rijksgeld pas eind 2013 kregen. Toen waren de begrotingen voor 2014 al gemaakt. Dus ze konden het geld simpelweg nog niet uitgeven.

Overbodige docenten

En wat ze wel uitgaven, ging inderdaad niet altijd naar onderwijs. Het werd gebruikt om financiële gaten te dichten. Want al jaren, zeggen PO- en VO-raad, stijgen de kosten van scholen veel harder dan de bedragen die het ministerie van Onderwijs stuurt. Daarbij komt dat door de krimp minder leerlingen het onderwijs instromen. Dat betekent minder inkomsten, overbodige docenten en hoge kosten aan uitkeringen. Vooral in het basisonderwijs.

De PO-raad is dan ook niet blij met de conclusie van ministerie en onderwijsinspectie dat het primair onderwijs er financieel gezond voor staat. Er moet juist nog meer geld bij, zegt de raad.

Om ervoor te zorgen dat schoolbesturen hun geld goed besteden, pleit Kamerlid Van Meenen voor instemmingsrecht van medezeggenschapsraden op basis- en middelbare scholen. „Laat docenten, ouders en leerlingen begrotingen goedkeuren. Het zorgt ervoor dat iedereen het hele jaar door kan nadenken over waar het geld het beste heen kan. Er zijn echt schoolbestuurders die dit tegenwicht nodig hebben.”

Voormalig medezeggenschapsraadslid Frank Willems vindt dat ook een goed idee. „Al moeten mensen die meekijken wel een financiële achtergrond hebben.” Overigens is zijn ervaring dat schoolbesturen niet zitten te wachten op bemoeienis van kritische ouders. „Ze zeggen: wij weten het beter. En veel mensen denken: laten we maar ja knikken en de lieve vrede bewaren.”