Legerbasis niet alleen voor leger benutten

Malkit Shoshan bestudeert de relatie tussen oorlog en architectuur. Zij zal het Nederlands Paviljoen op de Architectuurbiënnale Venetië 2016 samenstellen. „Het was een openbaring voor de legeringenieurs.”

Samen met ingenieurs uit het leger buigt architect Malkit Shoshan zich over een luchtfoto van Gao, in het Afrikaanse Mali. De militaire basis van de Nederlandse missie is goed te zien: een gigantisch gebied afgesloten van de directe omgeving, opgebouwd met ingevlogen materiaal en klaar om na de missie weer tot op de bodem afgebroken te worden.

De sessie met de legeringenieurs heeft de Israëlische, in Amsterdam wonende architect zelf belegd, om met hen te praten over de relatie tussen architectuur en oorlog. Tot haar verrassing zijn alle genodigden gekomen. Later legt ze uit, aan de muntthee in een hoofdstedelijk café: „In Mali is de compound 180 hectare groot en vormt zo’n beetje een derde van de stad waar het tegenaan ligt, Gao. In de oorspronkelijke plannen had de basis geen enkele relatie met de stad. Totaal prefab en geïsoleerd. Erger: de militairen verbruiken schaarse natuurlijke hulpbronnen. Zo hebben ze drie waterputten voor het leger geslagen, terwijl de stad er negen heeft. Besef wel: het gaat om zo’n 500 tot 750 militairen en om 80.000 Malinese burgers.”

Blauwe mannen

Zo gaat het altijd met militaire bases, vertelt Shoshan, die sinds 2013 als fellow van Het Nieuwe Instituut in Rotterdam de relatie tussen oorlog, architectuur en ruimtelijke ordening bestudeert. Het instituut, dat in opdracht van het Ministerie van OCW de Nederlandse deelname aan de Architectuurbiënnale verzorgt, heeft dinsdagochtend bekendgemaakt dat Shoshan daarvoor is aangesteld als curator. Zij zal Camp Castor in Mali centraal stellen in het Nederlandse paviljoen, onder de titel ‘BLUE’, naar de Toeareg in het woestijngebied die vanwege hun indigokleurige kleding ook wel ‘blauwe mannen’ worden genoemd. ‘Blauwhelmen’ van de Verenigde Naties voeren de militaire operatie uit.

Shoshans onderzoek sluit goed aan bij het overkoepelende thema van de biënnale, ‘Reporting from the Front’. De relevantie van Shoshans onderzoek groeit: de uitgaven aan VN-vredesmissies zijn in de laatste tien jaar verdubbeld.

Het is gangbaar, legt Soshan uit, dat militairen en burgerbevolking op hetzelfde stuk grond compleet gescheiden levens leiden. In de Afghaanse provincie Uruzgan hadden de Nederlanders een basis gebouwd zo groot als een Hollands dorp. Nu kan alleen een getraind oog zien dat Kamp Holland er ooit gestaan heeft. Het was gebouwd om te verdwijnen.

Shoshan: „Een enorme verspilling van materiaal en inspanning. Gelukkig zien militairen dat ook, zeker de Nederlandse.”

Een drie meter dikke muur

De verspilling staat op gespannen voet met de zogenoemde 3d-aanpak van het leger, waarbij 3d staat voor ‘development, diplomacy, defense’. Ofwel: ontwikkeling, diplomatie en veiligheid. De aanpak komt voort uit het besef dat bij vredesmissies militaire en economische kwesties onontwarbaar met elkaar verbonden zijn. Het ontwerp is tot nu toe vergeten, zegt Shoshan: „Terwijl juist het ontwerp kan zorgen dat de plaatselijke bevolking beter kan profiteren van de aanwezigheid van buitenlandse militairen.”

Legerleiding plus ambtenaren op het ministerie van Buitenlandse Zaken staan volgens Shoshan open voor verandering. Zelfs generaal Kees Matthijssen heeft meegedacht over mogelijke ontwerpkundige veranderingen. Matthijssen leidde de militaire missie in Afghanistan. Shoshan: „De bijeenkomst met de landkaart waarop de compound in Mali te zien was, markeerde een mijlpaal. Toen legeringenieurs zagen hoe je voorzieningen zo kunt bouwen dat ook burgers er iets aan hebben, was dat voor hen een openbaring. Echt.”

De legeringenieurs reageerden ter plekke inderdaad enthousiast. Een van hen vatte de problematiek helder samen toen hij zich tijdens de Gao-sessie hardop afvroeg: „Hoe kun je voor veiligheid zorgen als je zelf achter een drie meter dikke muur zit?”

Het ziekenhuis aan de rand

Eén van die aanpassingen: alles wat puur militair van aard is, gaat naar het centrum van de nederzetting, terwijl faciliteiten als het ziekenhuis juist naar de rand gaan, met een ingang voor de lokale bevolking.

Shoshan, die eerder een boek publiceerde over de invloed van militaire strategieën op de ruimtelijke ordering in haar geboorteland Israël, is ervan overtuigd dat oorlog in toenemende mate in steden wordt gevoerd. Counterinsurgency speelt zich niet langer af in rijstvelden of oerwouden, als in Vietnam, of in lange stroken landbouwgrond, als in de Eerste Wereldoorlog. „Ze spelen zich af in de stad. En dus is het leger geïnteresseerd in stedelijke planning, hoe wij, burgers, onze ruimte vormgeven. Ik ben op mijn beurt geïnteresseerd hoe zij het doen, bases inrichten. En als Israëlische ben ik ook beducht voor militarisering van het publieke domein, waar zeer onaangename kanten aan zitten.”

Shoshan wil niet alleen bestuderen, ze hoopt dat haar bouwkundig onderzoek ook invloed heeft: „Neem de Sahel. Op 150 plaatsen is de VN aanwezig. Wat nu als we bij de bouw van die plaatsen net even iets beter over de infrastructuur nadenken? Dat zou enorm belangrijk kunnen zijn voor de levenskwaliteit van de lokale bevolking.”