Lezen, luisteren én kijken: De Avonden van Gerard Reve

Voor liefhebbers van schrijver Gerard Reve (1923-2006) is het een traditie: in de laatste tien dagen van het jaar De Avonden (1947) herlezen. Dit jaar doet NRC mee. Van vandaag tot Oudejaarsdag elke dag een hoofdstuk.

Illustratie: Pepijn Barnard

Klik op de play-knop en beluister het begin van De Avonden, voorgelezen door de auteur.

Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing. ‘Kwart voor zes,’ mompelde hij, ‘het is nog nacht.’ Hij wreef zich in het gezicht. ‘Wat een ellendige droom,’ dacht hij. ‘Waar ging het over?’ Langzaam kon hij zich de inhoud te binnen brengen. Hij had gedroomd, dat de huiskamer vol bezoek was. ‘Het wordt dit weekeind goed weer,’ zei iemand. Op hetzelfde ogenblik kwam een man met een bolhoed binnen. Niemand lette op hem en hij werd door niemand begroet, maar Frits bekeek hem scherp. Opeens viel de bezoeker met een zware bons op de grond.

Luister hieronder het hele eerste hoofdstuk.

‘Was dat alles?’ dacht hij. ‘Wat gebeurde er verder? Niets, geloof ik.’ Hij sliep weer in. De droom ging voort, waar hij was opgehouden. De man lag, met de bolhoed over zijn gezicht gedrukt, in een zwarte doodkist, die in een hoek van de kamer op een lage tafel stond. ‘Die tafel ken ik niet,’ dacht hij, ‘zou die geleend zijn?’ Hij keek in de kist en zei luid: ‘Daar zitten we in ieder geval morgen nog mee opgescheept.’ ‘Dat hoeft niet,’ zei een man met een kaal hoofd, een rood gezicht en een bril, ‘wedden, dat ik de begrafenis nog op vanmiddag twee uur geregeld kan krijgen?’

Hij werd opnieuw wakker. Het was twintig minuten over zes. ‘Ik ben al uitgeslapen,’ zei hij bij zichzelf, ‘daarom word ik zo vroeg wakker. Ik heb nog een flink uur.’

Hij sluimerde langzaam in en trad voor de derde maal de huiskamer binnen. Er was niemand. Hij liep op de kist toe, keek er in en dacht: ‘Hij is dood en begint te bederven.’ Opeens was de gestalte bedekt met allerlei timmermanswerktuigen, die tot de rand van de kist lagen opgestapeld: hamers, grote boren, zagen, waterpassen, schaven, zakjes met spijkers en tangen. Alleen de rechterhand van de dode stak er bovenuit.

‘Er is geen mens,’ dacht hij, ‘in het hele huis is niemand; wat moet ik doen? Muziek, dat helpt.’ Hij boog zich over de kist heen naar het radiotoestel, maar zag op hetzelfde ogenblik de hand, die blauwachtig van kleur was geworden, met lange, witte nagels aan de vingertoppen, langzaam zich opheffen. Met een schok deinsde hij terug. ‘Ik moet me niet bewegen,’ dacht hij, ‘anders gebeurt het.’ De hand zakte langzaam weer neer.

Onze mediaredacteur Wilfred Takken vertelt over hoofdstuk I uit De Avonden.

Hij voelde zich, toen hij wakker werd, benauwd. ‘Tien voor zeven,’ mompelde hij, op het horloge turend. ‘Wat een beroerde dingen droom ik.’ Hij draaide zich om en sliep weer in.

Door dikke, groene gordijnen liep hij weer de huiskamer binnen. De bezoekers waren weer aanwezig. De man met het rode gezicht trad hem tegemoet, glimlachte en zei: ‘Het gaat niet. Het wordt Maandagmorgen tien uur. We zetten de kist zo lang in de studeerkamer.’ ‘Studeerkamer?’ dacht Frits, ‘studeerkamer? Is die in ons huis? Natuurlijk, hij bedoelt de zijkamer.’ Zes personen namen de kist op hun schouders. Hijzelf liep vooruit om de deur open te zetten. ‘Er zit een sleutel in,’ dacht hij, ‘dat is een goed ding.’

De kist was uiterst zwaar en de dragers liepen langzaam, in gelijke tred. Opeens zag hij, dat de bodem begon door te zakken en uitboog. ‘Het gaat breken,’ dacht hij, ‘verschrikkelijk. Van buiten is het lijk nog gaaf, maar van binnen is het een dunne, gele brij. Het slaat op de grond tot moes.’

Toen ze halverwege de gang door waren, boog de bodem zo ver door, dat er een spleet ontstond. Hieruit schoof langzaam dezelfde hand, waarvoor hij was teruggedeinsd, te voorschijn. Geleidelijk kwam een hele arm naar buiten. De vingers tastten en naderden de hals van een van de dragers. ‘Als ik schreeuw, valt alles,’ dacht Frits. Hij keek toe, hoe de bodem steeds dieper doorboog en de hand steeds dichter bij de keel van de drager kwam. ‘Ik kan niets doen,’ dacht hij, ‘ik kan niets doen.’

Hij werd voor de vierde maal wakker en richtte zich op in bed. Het was vijf minuten over half acht. In de slaapkamer was het zeer koud. IJsbloemen bleken, toen hij, na vijf minuten te zijn blijven zitten, was opgestaan en het licht had aangestoken, de onderste helft van de ruiten te bedekken. Hij liep huiverend naar het closet.

‘Ik moet savonds voor het naar bed gaan even een eindje wandelen,’ dacht hij, toen hij zich in de keuken stond te wassen, ‘dan wordt de slaap dieper.’ De zeep glipte hem uit de vingers en hij moest geruime tijd in de schemerige ruimte onder de gootsteen er naar rondtasten. ‘Het begint goed,’ mompelde hij.

‘Het is Zondag,’ dacht hij opeens, ‘dat is een meevaller.’ ‘Ik ben veel te vroeg op, stom,’ zei hij daarop bij zichzelf. ‘Nee,’ dacht hij, ‘op deze manier wordt het geen bedorven dag; dit keer eens niet om elf uur opgestaan.’ Hij begon bij het afdrogen van zijn gezicht te neuriën, ging zijn slaapkamer binnen, kleedde zich aan en kamde zijn haar voor de kleine spiegel, die vlak naast de deur half boven het bed hing. ‘Het is nog krankzinnig vroeg,’ dacht hij, ‘ik kan nog niet naar binnen. De schuifdeuren staan open.’

Hij ging aan een kleine schrijftafel zitten, nam een konijntje van wit marmer, ter grootte van een lucifersdoosje, in de hand en klopte er zacht mee op de stoelleuning. Daarna zette hij het weer terug op het stapeltje papier, waarvan hij het had opgenomen. Hij rilde, stond op, liep weer de keuken in en nam uit de broodtrommel twee kadetjes, waarvan hij het eerste in een paar happen in de mond propte en het tweede tussen de tanden zette, terwijl hij de gang inliep om zijn overjas aan te trekken.

‘Een heerlijke, verkwikkende ochtendwandeling,’ mompelde hij. Bij het afdalen van de trap kefte een hond bij de benedenburen, toen hij hun deur passeerde. Hij trok de straatdeur zacht dicht en volgde de met ijs bedekte gracht tot de rivier, die, uitgezonderd in het midden, met een donkere ijslaag was toegevroren. Er was weinig wind. Het was nog niet goed licht, maar de straatlantaarns waren al uit. Op de dakgoten zaten rijen meeuwen. Hij wierp het laatste stuk van het kadetje, dat hij tot een balletje had gekneed, op het ijs en tientallen van de vogels daalden neer. De eerste, die het wilde oppikken, miste. Het stuk brood kwam in beweging, rolde in een klein wak en zonk, nog voor een volgende meeuw er naar had gepikt.

Een kerktoren gaf één slag. ‘Een vroege dag, een welbestede dag wordt het,’ dacht hij, rechts afslaand en de rivieroever volgend. ‘Het is koud en vroeg en niemand is nog buiten, maar ik wel.’

Hij liep de grote brug over, om het zuidelijk station heen en wandelde onder het viadukt door terug. ‘Het is uitstekend smorgens heel vroeg te wandelen,’ zei hij bij zichzelf. ‘Men is buiten geweest, voelt zich fris en krijgt een goed humeur. Dit wordt geen bedorven en verprutste Zondag.’

Toen hij de gang weer binnentrad, zong er water in de keuken. In de huiskamer vond hij zijn moeder bezig met het gereedmaken van de ontbijttafel. ‘Je bent waarachtig niet laat,’ zei hij. ‘Vader heeft een bevlieging,’ antwoordde ze. ‘Hij wou vroeg opstaan en vandaag hard werken.’ Frits keek haar scherp aan. Haar gezicht stond effen.

Illustratie: Pepijn Barnard

Illustratie: Pepijn Barnard

Zijn vader kwam uit de keuken binnen in borstrok en met zijn bovenbroek reeds aan; de bretels hingen tot op de grond. Zijn gezicht was nog vochtig.

‘Morgen, vader,’ zei Frits. Hij had het gevoel, alsof hij voor het uitspreken van deze woorden door de hele luchtpijp een steen omhoog had moeten duwen, die nu voor zijn voeten viel. ‘Morgen, mijn jongen,’ antwoordde zijn vader. Ze gingen aan tafel.

‘Ik moet opletten,’ dacht hij, ‘ik moet scherp toezien.’ Van het eerste ogenblik, dat zijn vader begon te eten, bleef hij naar hem kijken. ‘Hij kauwt zonder geluid,’ dacht hij, ‘maar de mond gaat er telkens bij open.’ Hij bekeek de nek en voelde woede in zich opstijgen. ‘Zeven wratten,’ zei hij bij zichzelf, ‘waarom heeft hij die nooit laten wegnemen? Waarom althans niet die dingen weg?’

Zijn moeder schonk thee in. Bij het drinken slurpte ze zacht. Zijn vader bracht het kopje maar halverwege de mond tegemoet: hij stak het hoofd vooruit, spitste de lippen en dronk luid. ‘Heb je wel naar de kachel gekeken, meisje?’ vroeg hij. ‘Ja,’ antwoordde Frits’ moeder, ‘hij praat al.’

Zijn vader kleedde zich, toen ze klaar waren, in de achterkamer verder aan en ging na een diepe zucht in een stoel bij de kachel zitten, met een boek in de hand. Frits bekeek hem bij het zitten gaan. ‘Waarom die enorme zucht?’ dacht hij, ‘waarom voor blaasbalg spelen?’ Hij keek naar het hoofd met het zwarte, hier en daar vaal gekleurde haar, dat achterover was gekamd, de dikke lippen van de mond, die vermoeid glimlachte en de bruine handen met korte, dikke vingers, die langzaam, na voorzichtig tasten, de bladzijden omsloegen.

Zelf zat hij op de divan, dicht bij het raam. Zich iets bukkend, zette hij de radio aan en zocht de stations af. ‘Een sonate van Bach,’ mompelde hij, legde de handen verstrengeld in de nek, leunde achterover en luisterde. Zijn vader rookte een pijp en blies langzaam, in dunne straaltjes, de blauwe rook uit.

‘Frits,’ riep zijn moeder uit de keuken, ‘waar heb je de zoldersleutels gelaten?’ ‘Ik heb ze niet gehad,’ antwoordde hij, toen ze binnenkwam. ‘Wie heeft ze dan gehad, dacht je?’ vroeg ze. ‘Ik heb ze niet gehad,’ zei hij. ‘Heb je gisteren geen kolen gehaald?’ ging ze voort. ‘Gisteren heb jij toch kolen gehaald.’ ‘Nee,’ zei hij, ‘ik heb geen kolen gehaald. Misschien ben jij boven geweest en heb je de sleutels naderhand ergens op een tafel gelegd.’ Hij stond op en ging de keuken binnen. Zijn moeder volgde hem. ‘Liggen ze werkelijk niet op de vensterbank?’ vroeg hij, tilde de gordijnen op en tastte onder de ramen de hele plank af.

‘Jij hebt de sleutels gehad,’ zei zijn moeder. ‘Ze moeten terecht komen, anders gaat de kachel uit. Jij hebt gisteren de sleutels gehad, jij hebt het laatst kolen gehaald.’

Hij bekeek haar, het schrale gezicht, de grijze haren, de lichte beharing om mond en kin en de steeds bewegende armen. ‘Help ons,’ dacht hij, ‘de stem is te luid; waar is uitkomst?’ Zijn vader kwam de keuken binnen op kousevoeten. Hij hield het boek toegevouwen in de hand, met de wijsvinger tussen de bladzijden. ‘Wat is er weer?’ vroeg hij, ‘kalmeren jullie je toch.’ ‘Stel je niet zo aan,’ zei Frits’ moeder, ‘ga toch naar binnen; wie maakt hier lawaai?’ ‘Dat gegrauw en gesnauw,’ zei zijn vader, ‘waarvoor is dat in godsnaam nodig?’ Hij draaide zich om en verdween met gebogen hoofd in de gang.

‘Ga eens kijken, of de sleutel er nog in zit,’ zei zijn moeder. Frits ging de trap op tot de verdieping van de zolders, vond in het slot de sleutel, waaraan met een ijzerdraadje een tweede was vastgemaakt, opende de deur en nam een papieren zakje met anthraciet mee. Beneden wierp hij de sleutels in de keuken rinkelend op de vensterbank. ‘Nu heb je natuurlijk geen kolen gehaald,’ zei zijn moeder, die net uit de huiskamer binnenkwam. ‘Jawel,’ zei hij, ‘hier is een zakje.’ ‘Dat was de bedoeling niet,’ zei ze. ‘Je moet ze altijd op zolder uit het zakje in de kit doen, anders krijg ik hier al dat stof.’

Juist toen ze de huiskamer binnenkwamen, draaide zijn vader de radiomuziek, een fuga voor viool en clavecimbel, af. ‘Dat gezeur,’ zei hij, ‘laten we een ogenblik rust hebben.’ Hij liet zich met een half ingehouden zucht in zijn stoel zakken, sloeg het boek open en las verder. Frits keek op de klok op de schoorsteenmantel. Het was twintig minuten over tien. ‘De morgen schiet op,’ dacht hij. ‘Op andere Zondagen zou ik nu nog in bed liggen, dus er is nog weinig tijd verloren.’ Hij ging naar zijn slaapkamer, trok boek na boek uit een kastje, bladerde er in en zette ze telkens weer op hun plaats. ‘Het is hier te koud,’ mompelde hij, keerde naar de huiskamer terug, nam een krant uit het rekje en ging bij het raam zitten. Buiten zag hij de voorbijgangers snel lopen met strakke, gespannen gezichten. De hemel was effen en had een vuile, gele tint. Op de divan gezeten, volgde hij de gebeurtenissen buiten. In de twee uren, dat hij, zonder te lezen, de krant vasthield, passeerden in verschillende richtingen vier soldaten, twee vrouwen, elk met een kinderwagen, een jong paar, waarvan de man een kindje droeg, een jongen met een meisje achter op zijn fiets en een groep kinderen onder geleide van twee heren. Hij zag hoe een buurman zijn hond, die niet in huis wilde komen, met lokroepen en dreigementen probeerde te vangen. ‘Ik zit hier en blijf hier zitten en doe niets,’ dacht hij. ‘De helft van de dag is om.’ Het was kwart over twaalf.

Zijn ouders trokken hun jassen aan. ‘Jij let wel op de bel,’ zei zijn moeder, ‘we gaan een eindje om.’ Daarop keek ze uit het raam en vervolgde: ‘We mogen wel voortmaken; je zou zeggen, dat er sneeuw komt. Vlug vader, vooruit maar. Tot straks. Doe je de deur achter je op slot, als je weggaat?’

‘Doe je de deur achter je op slot, als je weggaat,’ herhaalde Frits enige malen in zichzelf. Toen zijn ouders langzaam de trap waren afgedaald en hij de buitendeur had horen dichtslaan, zette hij de radio aan. De omroeper gaf juist de tijd: zes minuten voor half één. Hij haalde een ovale, vernikkelde tabaksdoos uit zijn zak, rolde een sigaret, zocht de verlichte schaal van de golflengten af, maar vond niets, dat hem beviel. Hij zette het toestel weer af, liep door de gang naar de zijkamer, waar over het schrijfbureau kriskras bladen papier en opengeslagen boeken lagen, opende een houten tabakspot, greep er wat uit tussen de vingertoppen en deed het in zijn eigen doos, die hij weer in zijn zak liet glijden.

Op weg naar de huiskamer bleef hij voor de grote spiegel in de gang staan, vertrok de mond naar links en daarna naar rechts; vervolgens de bovenlip opwaarts en de onderlip, binnenstebuiten geslagen, naar beneden. Hierna bekeek hij zijn gezicht van opzij, haalde een kleine, ronde scheerspiegel uit de keuken, hield deze naast zich en bekeek zo, met beide spiegels, zijn hoofd van boven, van achteren en volledig aan de zijkanten. Vervolgens deed hij het licht in de gang uit en opende de deur van de zijkamer. ‘Bij daglicht,’ zei hij zacht. Toen hij opnieuw volledig zijn hoofd had bekeken, kamde hij zijn haar en stak het licht weer aan. ‘We moeten zien, hoe de uitwerking van daglicht met een gloeilamp samen is,’ zei hij bij zichzelf. ‘Het heeft iets van een koolraap,’ zei hij hardop, ‘maar er valt scherpzinnigheid aan te wijzen.’

Hij zuchtte, hing de scheerspiegel weer op aan de knop van het keukenraam en ging de huiskamer binnen. Het was bijna één uur. Hij ging op de divan zitten. ‘We zijn over de helft,’ dacht hij, ‘de middag is al een uur geleden begonnen. Kostbare tijd, die niet meer te achterhalen is, heb ik vermorst.’ Hij zette de radio aan, maar nog voordat de lampen warm waren geworden, weer uit, stond op, opende de schuifdeuren en betrad de achterkamer. Hij schoof de lange vitrage opzij en drukte zijn gezicht tegen een ruit. Zijn voorhoofd liet een vette plek achter op het glas. Hij duwde het er opnieuw tegen aan en keek naar beneden.

In de tuin van het rechts aangrenzende huis zat een keeshond onder een rododendron zijn behoefte te doen. Er hingen drie jassen te luchten aan een waslijn. Op het betonnen straatje van de tuin onder hem zat een witharige man houtjes te hakken. Af en toe sprong bij een slag een stuk een eind de hoogte in.

Hij beet met zijn hoektanden in een spant tussen twee ruiten, liet zijn tong over het glas gaan en liep naar de keuken. Hier nam hij een handvol kachelhoutjes uit een papieren zak in de hoek, legde ze op de keukentafel en opende geruisloos de naar binnen openslaande ramen. Even nadat de hakkende man had toegeslagen, wierp hij telkens een stukje hout ver verwijderd in de tuin, op verschillende plaatsen: op het grint, de stenen van de rotspartij of tegen de omheining; elke keer met kracht, zodat het flink geluid gaf. Bij de vierde maal stond de man na het oprapen het hout lang en aandachtig te bekijken. Frits wierp nog één keer een stuk, op het linker eind van het straatje, sloot toen het raam en zuchtte. ‘De lege uren,’ mompelde hij, zich omdraaiend.

Juist toen hij de gang inliep, hoorde hij de stemmen van zijn ouders op de trap. ‘Heb je gesnoept?’ vroeg zijn moeder bij het binnenkomen. ‘Hoei, boei, ik moet hier even zijn,’ ging ze voort, hing snel haar mantel op de kapstok en stoof het kloset binnen. Zijn vader liep langzaam, met diepe ademhaling, naar de huiskamer en duwde de deur met een korte, krachtige beweging open. Het was half twee.

Illustratie: Pepijn Barnard

Illustratie: Pepijn Barnard

‘Zullen we nu wat eten?’ vroeg zijn moeder, ‘zal ik thee of koffie maken?’ ‘Het is mij gelijk,’ zei zijn vader. ‘Het is venijnig koud buiten,’ ging ze voort, ‘er waait een echte Middenwegwind.’ ‘Oostenwind, oostenwind, bedoel je,’ zei Frits, ‘gebruik geen benamingen, die voor buitenstaanders onbegrijpelijk zijn.’ ‘Wat willen jullie?’ vroeg ze opnieuw, ‘thee of koffie? Er is nog koffie trouwens.’ ‘Thee, geef maar thee,’ zei Frits. ‘Koffie,’ zei zijn vader bijna op hetzelfde ogenblik. ‘Ik zal maar koffie maken, goed Frits?’ besloot ze, ‘jij drinkt het wel mee, niet?’ ‘Geef mij maar koffie met heet water, zonder melk,’ zei Frits. ‘Nee,’ zei ze, ‘zwarte koffie geef ik niet.’

Inmiddels had ze de tafel gereedgemaakt en sneed brood. ‘Wie lust een zure haring?’ vroeg ze. ‘Ik alsjeblieft niet,’ zei Frits. ‘Jij, vader?’ vroeg ze. ‘Och nee, ik heb er niet zoveel zin in,’ antwoordde zijn vader. ‘Ze liggen al drie dagen in de keuken op hun schotel,’ zei Frits bij zichzelf ‘en ze zijn groen geworden. De gesneden ui is donker van kleur geworden.’
‘Dan moet ik die vissen weer weggooien,’ zei ze ‘Dan weer zeuren jullie, waarom ik nooit zure haring koop. Dan koop ik ze en dan blijven ze liggen en het eind is, dat ze in de asbak terechtkomen.’

‘Nou, breng ze maar,’ zei Frits. Ze gingen aan tafel. ‘Het is eigenaardig om te zien,’ zei zijn vader, ‘hoe slecht die vis tegenwoordig wordt schoongemaakt.’ ‘Ja,’ zei zijn moeder, ‘ze weten, dat je ze koopt.’ ‘Heb je een fris mes?’ vroeg Frits, toen hij zijn haring had stukgesneden en opgegeten, ‘ik wou jam nemen.’ ‘Pak het zelf maar, een fris mes,’ antwoordde ze. ‘De dag is voor tweederde voorbij,’ dacht hij, ‘en ik heb voor de verdere middag een vieze smaak in de mond.’

Na het eten bleven ze nog even zitten. ‘We roken even op ons gemak,’ zei Frits. Hij begon juist een sigaret te draaien, toen zijn vader hem uit een koker een sigaar aanbood. ‘Dat ziet er goed uit,’ zei hij, hem er uitnemend.

‘Draai mij een sigaret,’ vroeg zijn moeder. Hij rolde een dunne en reikte haar die aan. Ze stak hem, in het midden van de lippen, voor een vijfde van de lengte in de mond. Telkens nam ze hem, geklemd tussen wijsvinger en duim, er uit en rookte met korte trekjes, onmiddellijk gevolgd door uitblazen, nog voordat de rook in de gehele mondholte kon zijn doorgedrongen.

‘Je rookt ontzettend stuntelig en belachelijk,’ zei Frits. ‘Ten eerste moet je het eind tussen het droge, buitenste deel van de lippen houden. Ten tweede moet je hem in een hoek van de mond houden en niet zo dikwijls er uit nemen. Als je het doet, dan tussen wijsvinger en middelvinger.’ ‘Net doen of ik dit maar voor de grap zeg,’ dacht hij en ging verder met een hoge stem, zijn gezicht in een glimlach vertrekkend. ‘Zo,’ zei hij en probeerde haar de sigaret uit de mond te nemen, maar hij bleef aan de bovenlip kleven.

‘Au!’ riep ze. ‘Au!’ ‘Toe, schei uit,’ zei zijn vader, plotseling een grote rookwolk uitblazend. ‘Ze moet het toch leren,’ zei Frits. Zijn moeder doofde de sigaret en legde hem in de gleuf van het asbakje.

Terwijl ze de tafel afruimde, ging zijn vader op de divan liggen, richtte zich weer op om zijn schoenen uit te trekken, bleef even, voor zich uit starend, zitten en liep toen naar de boekenkast. Vlak daarvoor gleed hij uit, sloeg met zijn linker been in de lucht, maar herwon zijn evenwicht. ‘Hoei!’ riep zijn moeder, ‘hee!’ ‘Er is niets aan de hand,’ zei Frits, ‘je moet niet meteen zo schreeuwen.’

Zijn vader trok een boek uit de kast, ging weer op de divan liggen en woelde met zijn vrije hand door het haar. ‘Hoei boei, de kachel,’ zei zijn moeder. Ze keek in het vuur en zei: ‘Hij brandt goed. Denk eraan, dat jullie, dat je hem zo laat staan. Met de ketel net ertussen.’ Ze deed voor, hoe de aluminium waterketel tegen de bovenkant van de vulklep gezet moest blijven, zodat deze een eindje open stond. ‘Anders vliegt alles er in een uur door,’ zei ze. Ze ging naar de keuken.

Frits keek op de klok. ‘Alles is verloren,’ dacht hij, ‘alles is bedorven. Het is tien minuten over drie. Maar de avond kan nog veel vergoeden.’ Zijn vader tastte met de rechter hand tussen divan en muur. ‘Wat zoek je?’ vroeg Frits. ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘ik zoek iets.’ ‘Is er wat achter gevallen?’ vroeg Frits. ‘De aansteker,’ antwoordde zijn vader. Zijn moeder kwam binnen. ‘Ben je iets kwijt?’ vroeg ze. ‘Ja,’ antwoordde zijn vader, ‘ja.’ ‘Wat is vader kwijt?’ vroeg ze aan Frits. ‘De aansteker,’ antwoordde deze, ‘hij is er tussen gerold.’ ‘Sta eens op met je luie kont,’ zei ze en toen zijn vader was opgestaan, trok ze de divan van de muur. Er viel iets hards op de grond. Frits bukte zich, tastte, vond het koperen apparaatje en reikte het zijn vader aan. Deze boog zich reeds over de divan om te gaan liggen. ‘Eerst aanschuiven,’ zei zijn moeder. Frits duwde het meubel nauwkeurig aan de muur. Zijn vader liet er zich op neervallen, stak zijn uitgegane sigaar weer aan en ging liggen.

Frits ging in een stoel vlak voor het raam zitten en keek naar eenden, die over het ijs van de gracht waggelden. Hij bladerde in een spoorgids, die hij van de schoorsteenmantel had genomen. Zijn moeder zat naast de kachel witte wol te breien. ‘De pennen tikken als een snelle klok,’ dacht hij. Zo verliepen drie kwartier. Hij ging op een stoel naast de divan vlak voor de radio zitten en keek naar zijn vader. ‘Hij slaapt,’ zei hij bij zichzelf en schakelde het toestel in. Opeens begon in de keuken een waterketel te fluiten. ‘Laat dat geluid ophouden,’ dacht hij, ‘laat het in godsnaam ophouden.’ Zijn moeder snelde naar de keuken; even later hield het fluiten op. Ze kwam binnen met thee. ‘U gaat nu luisteren naar La Favorite van Couperin,’ zei de omroeper. Toen de muziek was begonnen, zei zijn moeder: ‘Dat is geen viool, hè? Maar piano is het ook niet. Het is zeker clavecimbel. Is dat nu clavecimbel?’ ‘Een verrukkelijk instrument, niet?’ zei hij. ‘Ik heb vergeten het gas uit te draaien,’ zei ze opeens, ‘doe jij dat even?’ Hij ging naar de keuken en sloot het kraantje. Toen hij terugkwam, was de radio afgezet. Zijn vader leunde, half zittend, op een elleboog. De klok wees twaalf minuten over vier.

Er werd gebeld. Frits ging opendoen. ‘Wie is daar?’ riep hij luid. Er kwam geen antwoord. ‘Wie is daar, godverdomme!’ schreeuwde hij. ‘Wie het is heb ik zin een pak op zijn donder te geven,’ zei hij hardop. ‘O, jij,’ zei hij, toen een jongeman met zwart haar en een bril om de laatste overloop kwam. ‘Dag,’ zei hij met een glimlach, die onmiddellijk weer verdween. ‘Het kon nog erger,’ dacht hij. De bezoeker was tenger van bouw en had vetpuistjes in het rode, benige gezicht.

‘Wel, wel, meneer Van Egters,’ zei hij, ‘hoe gaat het u?’ ‘Dank u, meneer Van Egters,’ antwoordde Frits, ‘en u?’ Daarop liepen ze samen naar binnen. ‘Komt Ina later?’ vroeg Frits’ moeder na de begroeting. ‘De zaak is, moeder,’ zei de jongeman glimlachend, ‘dat Ina zich niet zo lekker voelt. Zodat mijn bezoek geen ander doel heeft dan te zeggen, dat wij niet komen eten.’ Hij schudde het hoofd. ‘Iets kaler is hij al geworden,’ dacht Frits.

‘Ach jee,’ zei zijn moeder, ‘wat scheelt er aan?’ ‘Ja, niet zo goed,’ zei de jongeman. ‘Zal ik je, als je wacht, wat van het eten meegeven, Joop?’ vroeg ze. Ze ging naar de keuken.

‘Hoe gaat het hier?’ vroeg Joop. ‘Hoe zal het gaan?’ dacht Frits. ‘Hoe zal het gaan?’ zei hij. Er was even een stilte. ‘Sinds Joop uit huis is, vader,’ vervolgde hij op een luchtige toon, ‘kan ik uitstekend met hem opschieten.’ Joop glimlachte. Zijn vader schakelde de radio in en vond een wals. Hij tikte in de maat met zijn hand op zijn rechter knie.

Zijn moeder schonk thee in. ‘Neem een koekje,’ zei ze tegen Joop. ‘Wij hebben al gehad.’ Het was schemerig geworden. Frits stak het licht aan. Het gaf in de luidspreker een knarsend geluid. ‘Ben Beender zingt met orkestbegeleiding Op Het IJs,’ zei de omroeper. Zijn vader draaide de knop af.

‘Bij ons is de plee dicht,’ zei Joop tegen Frits. ‘Jezus,’ zei deze, ‘is hij helemaal dichtgevroren of half dichtgevroren en daardoor verstopt? Dan is er misschien nog wat aan te doen.’ ‘Wat kan het mij schelen,’ dacht hij, ‘wat gaat het mij aan?’ ‘Ja, zo zal het wel zijn,’ zei Joop. ‘Heb je ook iets duns, dat heel sterk is en gebogen kan worden?’ Frits ging de gang in en zocht in het berghok, tot hij het topeind van een hengel had gevonden. ‘Heb je hier iets aan?’ vroeg hij, binnentredend. ‘Nee,’ antwoordde Joop, ‘dat is zonde. Het is van een goede hengel.’ Frits bracht het eind weer weg. ‘Dat valt mee,’ zei hij bij zichzelf. ‘Waarom denk ik dat?’ dacht hij. ‘Welk recht heb ik om zo onverschillig te zijn?’

Zijn moeder kwam de huiskamer binnen met een pan. ‘Luister,’ zei ze tegen Joop, ‘hier zit in vlees met jus. Appelmoes heb ik in een jampot gedaan, die staat er tussenin, tussen de lof en de aardappels. Als je het nu in kranten in deze tas zet’ – ze hield hem een rieten boodschappentas voor – ‘dan staat het rechtop en wordt het niet koud.’ Joop trok zijn jas aan en kuchte. ‘Je begint aardig kaal te worden,’ zei Frits. Hij bekeek bij Joop voor op de schedel de haargrens, die aan beide zijden boven het voorhoofd een flink stuk was achteruitgedrongen. ‘Dat mag je graag met een zekere triomf zeggen, merk ik,’ zei Joop. Hij vertrok, de pan in de tas behoedzaam in evenwicht houdend. ‘De groeten en het beste,’ zei zijn moeder.

‘Dat hebben we weer gehad,’ zei Frits bij zichzelf. ‘Wat een drukte, de bel staat gewoonweg geen ogenblik stil.’ Zijn vader liep op de kachel toe, greep de knop van de vulklep en liet hem met een denderend geluid openvallen. ‘Hij gaat morsen,’ zei Frits bij zichzelf, ‘en ik moet kijken. Waarom kan ik niet laten te blijven kijken?’ Zijn vader sloeg zijn pijp enige malen hard uit op de rand van de kachelopening; een deel van de verkoolde tabak viel tussen klep en kachel op de vloer. Daarop wierp hij de klep met een luide slag dicht.

Zijn moeder maakte de tafel gereed en bracht het eten binnen. ‘Er zit misschien een enkele harde aardappel tussen,’ zei ze, toen ze aan tafel gingen, ‘maar dat kan ik ook niet helpen. Als je het ergens anders beter kunt krijgen, dan zie je maar.’ ‘Er zit geen een harde tussen, zover ik merk,’ zei Frits. ‘Kalm aan met de jus,’ zei ze, ‘maak er geen sloot van. Ik kan wel meer maken, maar dan wordt het waterjus.’ ‘Deze jus is verrukkelijk,’ zei Frits, ‘hij is werkelijk heel lekker. Je hebt er eigenlijk niet zo veel van nodig, want hij is lekker vet.’ ‘Het is beste jus,’ dacht hij, ‘hij is inderdaad uitstekend.’ ‘Vader, hoe smaakt het, als ik vragen mag?’ vroeg hij op een deftige toon, het hoofd scheef houdend. ‘Het smaakt best, dat moet ik zeggen,’ antwoordde zijn vader.

Na het eten ging deze bij de kachel zitten op de plaats, waar zijn moeder smiddags had zitten breien. Frits ging zijn jas aantrekken en kwam terug in de kamer. ‘Waar ga je naar toe?’ vroeg zijn moeder, die de tafel afruimde. ‘Blijf gezellig thuis.’ ‘Ik heb de onrust,’ zei Frits, ‘ik moet er uit. Ik denk dit keer naar Jaap Elderer of anders naar Louis.’ Hij overtuigde zich, dat er shag en vloei in zijn doos zaten, stak deze in zijn jaszak en vertrok.

Buiten was het vrij koud. Er woei een krachtige wind uit het zuidoosten. Aan de hemel was geen enkele ster te zien. Hij sloeg bij de rivier links af en ging over de granieten oeverrand lopen. Hij liep een brug met dikke stenen balustrades over, volgde de andere oever, passeerde een brede, drukke straat en sloeg tenslotte de straat langs een gracht in, aan welks begin pakhuizen stonden. Op nummer een en zeventig belde hij aan bij een deur met een smeedijzeren rooster voor het glas. Hij was een zeven treden hoge, leistenen stoep opgeklommen. De trekbel gaf eerst doffe geluiden; pas daarna liet de klepel twee heldere, doordringende tonen horen. Hij wachtte een halve minuut, schelde opnieuw en daalde toen de stoep weer af. ‘De kansen op het welslagen van deze avond zijn veel geringer geworden,’ zei hij zacht. ‘De tijden zijn moeilijk.’

Hij liep dezelfde weg terug. Dicht bij huis gekomen, betrad hij aan de rivier de portiek van een hoog, breed huis en liet de drukbel overgaan. Toen de deur openzwaaide, riep hij naar boven: ‘Egters, jawel.’ Boven tuurde iemand, voorovergebogen, naar beneden. ‘Herhaling: Egters, Van,’ riep Frits. ‘Wel ja, vooruit maar, dat kan ook nog best,’ riep de persoon boven, ‘het is beter dan niets.’ Toen Frits boven was, wachtte hem een jongeman van zeer lange gestalte met dun, blond, achterovergekamd haar. Hij had geen kolbertjasje aan en droeg zijn slipover omgekeerd, zonder stropdas.

‘Ik kom even uit verveling,’ zei Frits. ‘Een drukke dag gehad, wil er soms eens uit. Verontschuldig me, dat ik je in je drukke werkzaamheden, je studie, je vorsende arbeid stoor. Wat doe je op het ogenblik?’

Ze gingen een kamer binnen, waar voor de ramen geen overgordijnen hingen. Hij was niet groot, zonder echter nauw te zijn. In de hoek brandde een groot model petroleumvergasser, maar de atmosfeer was niet bedorven. Er stond aan de linker muur een tafel, aan de andere zijde een opgeklapt bed en daartussen twee stoelen.

‘Fotografie,’ zei de jongeman en tilde een boek van de tafel. ‘Experimenten met de voor kleuren gevoelige film’ las Frits. ‘Vorder je hierin, Louis?’ vroeg hij. ‘Soms denk ik van wel,’ antwoordde de jongen, een broodkruimel tegen de muur schietend. ‘Weg kat,’ zei hij en gaf een zwart met wit gevlekte kat, die op zijn schoot sprong, een klap tegen de kop. Het dier sprong haastig op de grond en kroop bij het raam onder de stoel, waarop Frits juist was gaan zitten. ‘Ze leren het al,’ zei de ander. ‘Ik dacht, Louis, dat de kat hier zwart was,’ zei Frits. ‘Er zijn er meer,’ zei Louis, ‘o ja, een heleboel.’ ‘Hoeveel?’ ‘Vijf, geloof ik,’ zei Louis. ‘Lopen die zo maar rond?’ vroeg Frits. ‘Woont er niemand ander?’

‘Nee,’ zei Louis. ‘Als Kade in zijn atelier zit, komt zijn vrouw eten brengen voor hem en voor de katten. Ze hebben een eigen kamer. In het atelier mogen ze niet meer komen, sinds ze een bundel tekeningen bekakt hebben.’ ‘O, juist,’ zei Frits.
‘Als je de kamer binnenkomt,’ ging Louis verder, ‘dan zitten ze deftig bij elkaar, op een tafel.’ ‘Draai je kachel wat lager,’ zei Frits, ‘hij brandt geel af en toe.’
Terwijl Louis de brander bijstelde, bekeek Frits de bloemen op de ruiten en bestudeerde de ijskristallen, die zich in dubbele bundels, in de gestalte van vogelveren, hadden afgezet.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Louis, toen hij zich had opgericht en weer aan de tafel was gaan zitten, ‘laat me even deze notities afmaken, dan sta ik tot uw beschikking.’ ‘Ja,’ zei Frits, maar het was niet tot hem doorgedrongen. Zijn ogen volgden de gestalten van de ijsbloemen en hij plantte telkens zijn wijsvinger in de figuren, waarbij door de smelting een rond gaatje ontstond. ‘Dat is lang geleden,’ dacht hij, draaide zich half om en bekeek Louis, die over het boek gebogen zat. Hij had een groot, plat horloge met een breed, grijs bandje aan de pols. Tussen zijn lippen bengelde een potlood.

‘Twaalf, of dertien was ik toen,’ dacht Frits. ‘We waren op het balkon. Wie waren er allemaal? Louis, Frans, Jaap, Bep en nog een paar, ik weet niet hoe die heetten.’ Hij sloot de ogen. ‘Ik weet het nog,’ dacht hij. ‘Ze liepen vier hoog, op de rand van het balkon heen en weer, Louis en

Frans. Die rand was niet veel breder dan mijn hand. En de anderen lachten maar. Hoe konden ze lachen?’ Hij opende de ogen, keek naar Louis en sloot ze weer. ‘Zoveel moed te hebben,’ dacht hij, ‘wat een rijkdom. Of zou het gebrek aan inzicht van het gevaar zijn geweest? Misschien. Ik werd misselijk en kreeg pijn achter mijn ogen; dat was ik. En een soort kieteling onder aan mijn stuitbeen. Bang was ik, bang ben ik gebleven. Zo is het.’ Hij zuchtte. ‘Louis te zijn, of Frans, dat dacht ik,’ zei hij bij zichzelf. ‘En naar ze kijken, en ontevreden zijn.’

‘Ik zoek een envelop,’ hoorde hij Louis zeggen. Deze zocht in mappen en vond tussen bladen papier iets, dat zijn aandacht vasthield, want hij ging het aandachtig doorlezen.

‘Ja,’ dacht Frits. ‘Dan die bloempot. Van vier hoog naar beneden gooien naar iemand en op het laatste ogenblik roepen: pas op! Dat ze nog net op tijd opzij springen konden. En er gebeurde nooit een ongeluk. Hoe was dat mogelijk? Verklaren kan ik het niet.’ Hij luisterde naar de stilte, waarin hij zijn horloge hoorde tikken. ‘Of op de wandelweg,’ zei hij bij zichzelf. ‘Met zijn vieren begonnen we tegen zes net zo sterken. Ze renden weg. Die ene vingen we, namen we mee en bonden we aan die paal vast en we lieten hem alleen, en het werd al donker. Louis kon het niets schelen.’

Opeens hoorde hij ritselen van papier. Louis was gereedgekomen, draaide zijn stoel naar hem toe en zei: ‘Juist, meneer Egters.’ ‘Sta me toe, naar de staat van uw gezondheid te informeren,’ zei Frits. ‘Als anders,’ antwoordde Louis, ‘als anders.’ ‘Het is nu wel bewezen,’ zei Frits, ‘dat je niet in een gezond vel steekt. Kennelijk een familie met veel bloedziekten. Beschrijf, als je wilt, nog even de symptomen.’ ‘Hoe kan ik deze dingen zeggen?’ dacht hij, ‘waarom zijn ze niet tegen te houden?’ ‘Die zijn bekend,’ zei Louis. ‘Houdt de hoofdpijn wel eens op?’ vroeg Frits. ‘Dat niet,’ zei Louis, ‘het spijt me, dat ik u op dit punt moet teleurstellen.’ ‘Zodra je werkt, of leest, of schrijft, komt het met alle kracht opzetten, niet?’ vroeg Frits. ‘Nu ook?’ ‘Zeker, nu ook,’ zei Louis.

‘Dus je gaat wel te gronde, het gaat wel gestaag bergaf?’ vroeg Frits, ‘en geduldig wacht je je einde af?’

‘Och, op den duur verveelt het wel, moet ik zeggen,’ antwoordde Louis, langzaam het vel van zijn voorhoofd samentrekkend. ‘Als dat al jaren is doorgegaan, nooit anders, dan kom je wel’ – zijn stem kreeg opeens een luchtige toon – ‘op de gedachte, dat het eind niet eens zo kwaad zou zijn. Op den duur, zie je, dan ga je twijfelen.’

Frits bekeek Louis’ hoofd, waarin de ogen een ontkleurde glans hadden. ‘Het is, of ze een tijd in heet water hebben gelegen,’ dacht hij. Het was warm geworden. Ten tweeden male sprong de kat bij Louis op schoot en opnieuw gaf deze hem een klap. ‘Hij doet, alsof hij maar een onachtzame tik geeft,’ dacht Frits, ‘maar deze keer is het een bestudeerde beweging. Precies met de vingerknokkels tegen de kop.’ Het dier sprong niet onmiddellijk weg. Louis haalde de hand een eind verder achteruit en sloeg krachtiger toe. De kat gaf bij het wegspringen een kreet. ‘Het klinkt net als: moeder,’ zei Frits. Ze lachten.

‘Hou jij van katten?’ vroeg Louis. ‘Jij?’ vroeg Frits. ‘Jij?’ ‘Nee,’ zei Frits, ‘ik vind het eigenlijk dieren zonder ziel.’ ‘Waarachtig, ik begrijp niet,’ zei Louis, ‘hoe iemand zulke beesten in huis kan hebben.’

Het geslagen dier was dicht bij de deur gebukt onder het opklapbed gekropen. Alleen de staart en een paar snorharen waren zichtbaar onder het gordijn. ‘Behandelt de dieren met zachtheid en spaart de vogels,’ zei Louis grinnikend. ‘Een hond,’ vervolgde hij, ‘dat kan ik me nog indenken.’ ‘Die zo trouw kan kijken,’ zei Frits, zijn gezicht in een grijns vertrekkend, waardoor hij moest gapen.

‘Heb ik jou dat gekke verhaal van die hond in Bloemendaal wel eens verteld?’ vroeg hij. ‘Nee,’ zei Louis, zich voorover buigend. ‘Een huis in Bloemendaal,’ zei Frits. ‘Een groot huis, een herenhuis. Er woont een oude kerel alleen. Helemaal alleen. Op een goede dag zeggen de buren: we hebben hem al in geen dagen gezien. Je begrijpt, de een maakt de ander gek. Ze lopen om het huis heen. Alles is stil. Alles is gesloten, ze kunnen er nergens in.’
‘Nee, natuurlijk,’ zei Louis.

‘Ze halen de politie,’ ging Frits door. ‘Twee rechercheurs komen, slaan een ruitje in, trekken het slot open en gaan voorzichtig naar binnen. Alles is stil. Helemaal stil binnen, geen geluid. Ze gaan over een dikke, zachte loper naar binnen. Dan komen ze onder aan een trap. En op de eerste tree staat netjes het hoofd van een oude man en het kijkt hen aan. Ze schrikken zich een beroerte en trekken hun revolvers, bekijken het hoofd en gaan verder.’ Hij wachtte even. ‘Ja, vooruit maar,’ zei Louis.

‘Een eind naar boven op de trap,’ vervolgde Frits, ‘vinden ze een arm en op de overloop een halve voet. Op nog twee andere plaatsen vinden ze stukken. Ze gaan geweldig voorzichtig verder en doorzoeken de bovenverdieping. En op het laatst horen ze een verschrikkelijk gekrijs, alsof ze mensen langzaam in stukken snijden. Ze gaan een kleine slaapkamer binnen. Op de grond, naast het bed, tussen verscheurd nachtgoed, ligt, wat ze nog misten om het kompleet te maken. En in de hoek zit een heel grote, zwarte hond. Hoe vind je het?’
‘Het is wel heel mooi,’ zei Louis langzaam, ‘dat is wel iets schitterends.’ ‘De man was ziek geworden,’ ging Frits voort, ‘en ik denk, dat de huishoudster net een week met vakantie was. Hij is toen ziek geworden. Dat is bij het onderzoek, de sectie, gebleken. Toen hij dood was, had de hond geen eten, alle kasten waren dicht. Wat blijft je dan te doen, niet?’

‘Ik vind het een vorstelijke geschiedenis,’ zei Louis. Hij zette telkens het potlood op de tafel, duwde het tussen de twee vingers en de duim door en liet het dan duikelen. ‘Het is net zoon prachtverhaal als van die dokter en die twee kinderen.’ ‘Hoe was dat?’ vroeg Frits.

‘Het is heel aardig,’ zei Louis, ‘en zo gewoon, helemaal niet gezocht. Een vader heeft een zoontje, een klein jongetje, en dat tilt hij wel eens aan het hoofd op. Hij doet het weer eens en – tik! – de nek breekt. Dood. Dokter gehaald, die zegt: het kind is dood, hoe is dat gekomen? Dat weet ik niet, zegt de vader, we stoeiden. Maar dan moet u toch iets bizonders gedaan hebben, zegt de dokter. Welnee, gewoon, zegt de vader, opgetild, – zo – en hij tilt het zusje, om het te laten zien, net zo oud, ook aan haar kop omhoog. Tik! Ook de nek gebroken. Toen wisten ze in elk geval waar het van kwam. Aardig hè?’ Zij lachten.

‘Hoe ziet dat atelier er eigenlijk uit?’ vroeg Frits. ‘We moeten aan de praat blijven,’ dacht hij, ‘het gesprek mag niet meer stilstaan.’ Ze stonden op en liepen de gang door. Voor de keuken gingen ze de laatste deur aan hun rechterhand in en kwamen in een ruime kamer vol schilderijen, die aan alle kanten tegen de muren waren gezet. In het midden lagen vijf stapels van mappen op de grond. ‘Wat is dat?’ zei hij bij zichzelf en liep naar de schoorsteenmantel, waarop een klein paneel stond. ‘Dat is bizonder,’ dacht hij. De afbeelding stelde een aan het raam zittende oude vrouw voor, uit een huiskamer gezien. ‘Verlamming,’ mompelde hij. De mond van het portret hing scheef naar beneden en de onderlip puilde, met de tong, een eind naar voren.

Hij bekeek het driehoekig gat in de ruit. ‘Hoe scherp, hoe zorgvuldig,’ dacht hij. ‘Het is verbijsterend.’

‘Ga je mee?’ vroeg Louis. Hij hield de deurknop vast. ‘Loop gauw door,’ zei hij, ‘anders schiet een van die beesten naar binnen.’ Op weg door de gang opende hij een andere deur. In een iets kleinere kamer zaten op een tafel vier katten, rechtop, de staart om de voorpoten geslagen. Op de schoorsteenmantel brandde een schemerlamp zonder kap. ‘Doe het licht eens uit, om ze te pesten,’ vroeg Frits. Louis knipte de schakelaar uit. In het donker keken hen acht groene ogen aan. Door het mikavenster van het kacheldeurtje viel zwak rood licht. ‘Een kachel brandt hier,’ zei Frits. ‘Natuurlijk,’ zei Louis, ‘anders krijgen ze het koud.’

Toen ze in de kamer van Louis terug waren, liet deze het opklapbed neer. ‘Ik ga nu slapen,’ zei hij, kleedde zich uit en stapte in ondergoed het bed in. Frits nam een groen vaasje van de vensterbank, hield het even met de opening aan zijn oor, tikte met zijn nagels op het glazuur en ging zitten. Hij keek op zijn horloge. Het was kwart over negen. ‘De helft van de avond is voorbij,’ dacht hij.

Na enige minuten stilte zei Louis: ‘Nu moest je maar eens weggaan.’ ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Frits. ‘We vertrekken.’ ‘Doe de lichten uit,’ zei Louis, zijn hand uitstekend. ‘Meneer Egters, het was me zeer aangenaam.’

‘Wanneer we zakelijk rekenen,’ zei Frits bij zichzelf, toen hij buiten stond, ‘kunnen we zeggen: we hebben nog een halve avond. Dit is echter een ongegronde voorstelling van zaken. De avond is verloren, er is niets meer aan te veranderen.’

Toen hij thuiskwam, zat zijn vader in een stoel bij tafel te lezen. ‘Enig nieuws?’ vroeg hij in het Engels. ‘Nee, niets,’ antwoordde Frits. Er hing een zware walm van pijptabak. Op de leuning van een stoel bij de kachel lagen de kleren van zijn moeder. ‘Ja,’ zei hij bij zichzelf, ‘we zijn thuisgekomen.’ Zijn vader keek roerloos voor zich uit. Zijn rechter hand lag op een klein boek uitgestrekt. Langzaam richtte hij zijn blik op Frits. ‘Als hij maar niet iets gaat zeggen,’ dacht deze. Uit de achterkamer klonk af en toe, verstikt, een snikkend geluid. ‘Het is verstikt en onduidelijk,’ zei Frits bij zichzelf, ‘het is niet zo hard, dat ik het horen kan. Ik kan het niet horen.’ Hij trok zijn schoenen en kousen uit, legde ze achter de kachel en liep op zijn tenen de kamer uit. In de keuken poetste hij zijn tanden. Hij hoorde gestommel in de huiskamer; even later ging het licht er uit. Hij hoorde de leeslamp in de slaapkamer inschakelen en een halve minuut daarna weer uitdoen. ‘Ik ben zeker in geen weken zo vroeg naar bed gegaan,’ dacht hij. ‘De heer is onze herder,’ zei hij hardop, schoot in een lach en moest hoesten.

In de scheerspiegel bekeek hij zijn tanden, zijn adem inhoudend tegen het beslaan. Daarna betrad hij zijn slaapkamer, sloot het raam, dat op een kier had gestaan, schoof de overgordijnen toe en kleedde zich uit. Hij ontdeed zich ook van zijn ondergoed en bekeek zich, naakt, nadat hij de spiegel van de muur had genomen en tegen een tafelpoot op de grond had gezet. Hij veranderde de belichting door de bureaulamp omhoog te buigen en de kap een kwart slag naar boven te draaien. Na deze beschouwing plaatste hij de spiegel zo, dat hij na enige achterwaartse passen het hele lichaam kon zien.

Daarop nam hij de spiegel in de hand en betrad de gang. Hij huiverde. Zonder geluid te maken, haalde hij de lichtschakelaar over en keek naar de grendel van de trapdeur. ‘Die is dicht,’ mompelde hij, tilde de zware gangspiegel van de spijker en zette hem tegen de deur.

Hij liep achteruit en weer naar voren, telkens de spiegel in een iets gewijzigde stand schikkend. Toen hij zijn hele gestalte onderscheidde, trok hij zijn buik in en hield de kleine spiegel zo in de linker hand, dat hij zijn lichaam eerst van opzij en toen van achteren geheel kon zien. Daarop hing hij de grote spiegel weer op, deed het licht uit en keerde naar zijn slaapkamer terug. ‘Een mislukking,’ mompelde hij zacht, ‘een volledige mislukking. Hoe kan dat? Een totaal vergooide dag. Halleluja.’ Bij het laatste woord volgde hij de bewegingen van zijn lippen in de kleine spiegel, terwijl hij deze weer naast de deur ophing. Na zijn ondergoed te hebben aangetrokken, stapte hij in bed en sliep spoedig in.

Hij wandelde op een weg door een bos. ‘Dom, dat ik geen schoenen heb aangetrokken,’ zei hij tegen twee dames, die aan weerszijden naast hem liepen. Hij had blote voeten en de takjes en scherpe stenen op de smalle bosweg noodzaakten hem behoedzaam te lopen. ‘Een verrukkelijke zomer,’ zei een van de dames. ‘Dat is de vraag,’ antwoordde hij, ‘het is zelfs niet geheel zeker, dat het zomer is. Kijk maar naar die beuk.’ Hij wees op een dikke beuk, die, terwijl de omringende bomen groen gebladerte droegen, in bruine en gele herfsttinten stond. ‘Hoe kan dat?’ dacht hij, ‘hoe is dat te verklaren?’

Even later waren ze in een drukke stadswijk en klommen de trap naar een hoge flatwoning op. Boven werden ze ontvangen door een in het zwart geklede dame met grijs haar. Terwijl er thee werd ingeschonken, stelde hij zich aan de aanwezigen voor. Nadat hij twee oude dames de hand had geschud, kwam hij bij een divan. Er zaten drie jongemannen op, die achterover leunden. Twee van hen droegen zwart avondkostuum; de derde had een grijze overall aan. Hij kwam dichterbij en zag dat de twee in het zwart gekleden melkwitte hoofden hadden, als van kalk of gips; hun gezichten waren onbeweeglijk en de ogen staarden zonder uitdrukking naar de zoldering. Ook hun handen waren van dezelfde, steenachtige samenstelling, die korrelige sporen op het divankleed achterliet.

‘Er is geen uitkomst,’ dacht hij en drukte hen de hand, die ze langzaam hadden opgeheven. Bij elk viel de arm als een eind hout terug. Ze bewogen hun romp niet.

Toen stond hij voor de derde persoon. ‘Hij heeft de grootte van een kind van een jaar of acht,’ dacht hij, ‘maar hoe komt dat hoofd er zo gruwelijk uit te zien?’ Het hoofd was bijna even groot als de romp en van boven afgeplat. Het was ook wit, van dezelfde kalkachtige stof gevormd. ‘Die hals, verschrikkelijk,’ dacht hij. Het hoofd begon te wiegen op een hals, zo dun als de slang van een stofzuiger. De ogen, dik en uitpuilend, bewogen zich onafhankelijk van elkaar in verschillende richtingen. Toen Frits zijn hand uitstak, tilde het wezen de rechter arm op. Er zat geen hand aan, maar een zwarte kreeftenschaar. ‘Hulp!’ dacht Frits, ‘waar is redding? Wat moet ik doen?’ Hij werd zwetend wakker. ‘Hoorde ik een bons?’ dacht hij. ‘Nee, het is niets,’ zei hij bij zichzelf. Hij stond op en ging in de keuken water drinken. Het was half twee. Hij bleef even stilstaan om naar de stilte te luisteren en kroop toen snel onder de dekens. Na enkele ogenblikken sliep hij weer in.