Kerstkindje

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Amerikanen denken graag dat Kerstmis een scène is uit de film It’s a Wonderful Life, die deze feestdagen non-stop op de kabelzenders wordt uitgezonden. Maar de werkelijkheid is meer als dit zwarte jongetje in het daklozencentrum, gewikkeld in een gehaakt dekentje in een plastic wiegje.

„Wat een lief kindje”, zeg ik tegen de moeder die hem er net heeft ingelegd.

Ze lacht flauwtjes en kijkt van me weg. Ze is zelf nog een kind, niet ouder dan een jaar of vijftien. Om haar pols draagt ze dezelfde gekleurde armbandjes als mijn even oude dochter. Dan loopt ze abrupt weg, zonder iets tegen haar zoontje te zeggen of hem nog even aan te raken.

„Hoe oud is hij?”, vraag ik aan een oudere dame die hier werkt. Ze loopt moeizaam en gebruikt een enorme staf als wandelstok.

„Drie dagen”, zegt ze.

Het jongetje heeft rode ruwe plekken op zijn gezichtje. Hij ligt diep te slapen. Af en toe bewegen zijn neusvleugeltjes. Ik kan mijn ogen niet van hem afhouden. Zijn babygezichtje is zo ernstig, zo teer. Hij heeft het magische dat alleen pasgeborenen hebben. Alsof ze niet helemaal geland zijn op aarde en nog in een tussenwereld zweven.

In de kamer naast ons klinkt uit een luidspreker Joy to the World. Een peuter gooit een toren met houten blokken om. De baby slaapt onverstoorbaar door alles heen.

Homefront, het opvangcentrum voor deze moeder en haar kindje, ligt niet ver van Princeton, waar de grote landhuizen versierd zijn met lampjes en men de laatste kerstinkopen doet in de chique boetieks. Het is confronterend hier te zijn. De kale kantine zit vol mensen die nergens meer in de maatschappij passen. Ze zijn verslaafd of weggestuurd van huis, zonder familie, werk of een extraatje op de bank. Ze kunnen nergens anders terecht. Alle mensen die ik hier ontmoet, kijken schichtig weg. Ze schamen zich voor hun armoede.

Dit opvanghuis is hun laatste redding, hun huiskamer, hun keuken, hun bed. In de Verenigde Staten wordt het in het algemeen als een schande beschouwd om arm te zijn. Armoede is voor sukkels, voor losers. Kijk naar de uitlatingen van Donald Trump en hoe hij door velen wordt aangemoedigd. De bewoners van dit centrum kunnen op weinig sympathie rekenen. Er is zelfs kritiek op de mensen die hen helpen. Opvanghuizen als deze houden de situatie juist in stand, wordt gezegd.

De leidster schudt haar hoofd. Wij zijn altijd aan het smeken om geld, vertelt ze. Voor eten, voor verwarming, voor kleding, voor medische zorg. Als dit jongetje een puppy zou zijn, was het geld allang binnengestroomd. Men geeft vijf keer meer aan in de steek gelaten huisdieren dan aan deze kinderen. Wie wil nu dit jongetje helpen, drie dagen oud en nu al gemerkt met een stempel van uitzichtloosheid?

Statistisch gezien kun je niet slechter beginnen: zwart, arm, een tienermoeder zonder schooldiploma, geen vader te bekennen.

„Hoe heet hij?”, vraag ik de moeder, als zij even terugkomt om een vergeten plastic tasje op te halen.

„Emanuel”, fluistert ze en legt dan de rug van haar hand tegen zijn wangetje. Zijn oogleden trillen, als vlindervleugels in een zuchtje wind.

Dag Emanuel. Dag mooi, lief kind. Vandaag slaap je veilig in een warm uithoekje van een harde wereld.