Kloosterleven in de Kleiflat

In de Bijlmer staat een klooster. Je kunt de bewoners christenhipsters noemen. Zelf zien ze het zo: ze willen leven en geloven in één wereld, niet in twee.

Foto’s Niels Blekemolen

Berucht in de Bijlmerflats was de openbare binnenstraat op de eerste verdieping. Een brede doorloop met betonnen zuilen en weinig licht, bedoeld om in de honingraatstructuur, waar de huisnummers tot 1046 reiken, droog van parkeergarage naar woning te lopen. De binnenstraat was in de jaren tachtig het domein geworden van junks. 

Maar de flats werden opgeknapt, verbouwd en de binnenstraten opgeheven en in de flat Kleiburg stapt nu op diezelfde betonnen vloer, ooit vol spuiten en zilverfolie, een kind op blote voeten van de woonkamer naar het balkon.

„Jafeth, wil je de deur even achter je dicht doen?”

Op diezelfde vloer staat Gerrit Riemer vanmorgen alweer te roeren in een reuzenpan bolognesesaus, loopt Corine Waagmeester rond met een boor en kijkt Thomas Hermsen nog wat verwilderd in de koelkast.

„Hé, beetje uitgeslapen.”

„Mwah.”

Johannes van den Akker (31) en zijn vrouw initieerden het Kleiklooster.

Thomas. Ongelovige Thomas. Johannes van den Akker, net bezig met een rondleiding, glimlacht. Toen hij deze zomer in de Bijlmerflat het Kleiklooster stichtte, een protestants-christelijke leefgemeenschap, had Van den Akker aan bier brouwen helemaal niet gedacht. Maar als jullie een klooster beginnen, was de vraag uit de buurt, gaan jullie dan ook bier brouwen? Tja, waarom niet. Dus hup. Met crowdfunding tanks aangeschaft, viltjes, eigen glazen en thuisbrouwer Thomas Hermsen aangetrokken, die wilde graag een eigen merk. Beneden staat het nu vol kisten Dubbelblond, Winter Weizen en Tripel IPA. Kloosterbier uit de Bijlmer, prima pitch.

„We zijn al eens neergezet als christenhipsters”, zegt Gerrit Riemer, 38 jaar. De mannen van het Kleiklooster dragen inderdaad allemaal een baard en een spijkerbroek. „Maar wij doen ook maar gewoon mee met de tijd.”

Een officieel klooster mag je de nieuwe leefgemeenschap in Amsterdam-Zuidoost, acht volwassenen en vijf kinderen, niet noemen. Dat zouden de katholieken niet pikken. En zijzelf trouwens ook niet. Een celibatair leven, Johannes van den Akker, 31 jaar, moet er niet aan denken. Hier wonen ze met gezinnen in galerijwoningen naast elkaar. En alle bewoners hebben werk buiten de kloostermuren: ergotherapeut, landschapsarchitect. Midden in de samenleving staan was voorwaarde voor toetreding.

Bidden doen ze wel binnen, gezamenlijk, elke avond. En eenmaal in de week eten ze samen in de gemeenschappelijke woonkamer. Idee is dat mensen van buiten altijd kunnen mee-eten. De passant, de eenzame buurtgenoot, de vluchteling. Ze schuiven al regelmatig aan. Ook wordt hard gewerkt aan de inrichting van drie gastenkamers, straks deels bewoond door tienermoeders.

Ben ik wel zo barmhartig als ik denk?

Voor Johannes van den Akker was geloven het grootste deel van zijn leven vanzelfsprekend geweest. Hij groeide op in Roodeschool, een protestants-christelijk dorp in Groningen, en belandde in zijn studietijd, bouwkunde en theologie in Delft, als vanzelf in een netwerk van gereformeerd-vrijgemaakte kerkgenoten. Pas nadat hij getrouwd was en vanwege de baan van zijn vrouw Joanne naar Amsterdam-Zuidoost was verhuisd, los van alle zekerheid, pas toen rezen de vragen. Waarom ga ik naar de kerk? Ben ik wel zo barmhartig als ik denk te zijn? Komt het geloof wel verder dan mijn hoofd?

Hij verdiepte zich in de tientallen geloofsgemeenschappen in de buurt. Migrantenkerken in garages en op basisscholen, de Bijlmer heeft een verzamelgebouw met vijf zalen en vijftien diensten op zondag. Maar overal stond gezang centraal, terwijl Van den Akker de kerk bezoekt voor het verhaal. Een geloofsgemeenschap van jonge creatieve Amsterdammers was de meest logische keuze, maar die was een flink eind met de metro. Terwijl Van den Akker juist wilde leven en geloven in één wereld, niet in twee.

De wens van een tweede kind, behoefte aan meer slaapkamers. Van den Akker en zijn vrouw dachten na over een nieuwe leefvorm die spiritualiteit combineerde met ‘goed doen’. Een woongroep of buurthuis voelde te vrijblijvend en toen groeide het idee van een klooster. Samen reflecteren op het geloof, samen iets betekenen voor anderen. In een groep kun je meer dan alleen.

De grote Bijlmerflats uit de jaren zeventig werden gerenoveerd en in de flat Kleiburg kwamen voor weinig geld casco galerijwoningen te koop die je kon schakelen naar wens. Van den Akker maakte een plan en een website, zocht de publiciteit en kreeg tientallen reacties van geïnteresseerden. Gesprekken volgden over verwachtingen en verlangens en 17 oktober ging het Kleiklooster officieel open. Drie huishoudens, zonder gemeenschappelijke voorgeschiedenis, hebben een woning gekocht, twee zijn gehuurd.

Van den Akker loopt over de nog ongeverfde trap naar de achterkant waar, tussen flats van tien verdiepingen, de kloostertuin ligt. Ze verbouwen er groente. „Nou ja”, zegt hij turend door het raam, „verbouwen is een groot woord”. Daarna weer naar beneden, naar de kapel met overal knielbankjes en onder een leeslampje op de Bijbelstandaard Jesaja 2. De kapel heeft een houten achterwand met daaruit een groot kruis gezaagd. Gluur erdoorheen en je ziet metrostation Kraaiennest liggen. Verbinding met de buurt vinden ze belangrijk.

Bij de eettafel in de woonkamer houdt Van den Akker stil. De tafel, centraal in elk klooster als symbool van gemeenschapsviering en gastvrijheid, is een modern exemplaar van verlijmd multiplex vol kleurstiften, stempels en kindertekeningen. ’s Avonds wordt eraan gegeten, overdag vaak gewerkt achter laptops. De tafel toont licht en modern maar is zwaarder dan je denkt. „Voel maar.”

Wat is de monastieke manier van leven?

Een bewuste keuze, zegt Van den Akker. Hij wilde een tafel die past in een klooster: robuust, duurzaam, met eeuwigheidswaarde. Niet dat hij tegen vooruitgang is – hij heeft net een nieuwe iPhone gekocht en het Kleiklooster heeft een eigen Whatsappgroep – maar samen streven ze ook naar een stabiele plek met vaste waarden, trendongevoelig. Een plek waar het avondgebed altijd om 21 uur begint.

„Streven naar iets onvoorwaardelijks, dat is voor mij de monastieke manier van leven”, zegt Van den Akker. „Ik wil niet elke dag weer hoeven kiezen tussen Nieuwsuur of iets anders. Ik wil me niet laten leiden door de waan van de dag, door kortdurende gevoelens. Neem Steve Jobs. Die had altijd dezelfde trui aan, daar wilde hij geen hersencapaciteit aan verspillen. Het is prettig sommige keuzes niet elke dag te hoeven heroverwegen. Dat schept ruimte voor focus op het geloof en uiteindelijk, einddoel, focus op de ander. Die wil ik helpen, daar wil ik mijn aandacht op vestigen.”

Het valt best mee in de Bijlmer

Terwijl in de woonkamer de bolognesesaus rustig doorpruttelt hangen Gerrit Riemer en Corine Waagmeester in de zithoek. „Leuk project, dacht ik meteen, maar ik ga mooi niet in de Bijlmer wonen”, zegt Waagmeester, 31 jaar. Ook zij wilde haar geloof „meer handen en voeten geven”. Nu ze toch voor het Kleiklooster heeft gekozen valt het leven in de Bijlmer haar alleszins mee.

„Dit is onze zoektocht naar geloof in deze tijd”, zegt Gerrit Riemer, die theologie studeerde in Kampen. Zeker de helft van zijn generatiegenoten heeft Riemer, 38 jaar, zien afvallen van het geloof. Geloven is niet meer vanzelfsprekend en allemaal zag hij ze worstelen met dezelfde vraag: wat is de relevantie?

Wat hem betreft heeft de kerk die echt wel. Riemer haalt de Duitse filosoof Schopenhauer erbij. Die zag de samenleving als een stel egels: in de winter willen ze tegen elkaar aan kruipen, maar dan prikken ze zich en stoten elkaar weer af. „Ik zie een groot verlangen naar verbondenheid, een zoektocht naar elkaar. Weg van de onverschilligheid, de ik-gerichtheid. Maar telkens prikken mensen zich weer aan elkaar en worden schuttingen opgeworpen.” Als er één instituut is dat over schuttingen heen kan kijken, dan is het wel de kerk.

Waarom het dan niet lukt de nieuwe generatie hiervan te overtuigen? „Wij zijn op een andere manier bezig met geloven dan de vorige”, zegt Riemer. Dat zag hij al tijdens zijn studie in Kampen, waar docenten de bijbelse waarheid zagen als een vaststaand feit, een pakketje dat je doorgeeft, terwijl jonge studenten de waarheid juist zagen als een zoektocht. Het verhaal van de kerk is op dit moment onhelder.

En dus zien de kloosterlingen overal generatiegenoten zoeken naar hun eigen weg. In ‘hippe’ geloofsgemeenschappen of pop-up kerken waar gelovigen expliciet verbinding zoeken met de buurt. De zoektocht naar zingeving staat telkens voorop, dogma’s staan die zoektocht alleen maar in de weg. „Ik doe bijvoorbeeld ook aan mindfulness”, zegt Waagmeester. „Ik heb daar veel aan, zulke stiltemomenten. Ook al komt dat uit het boeddhisme.” Van den Akker: „Uiteindelijk doen we gewoon waar we zelf zin in zien.”