Volkomen blut – en wie wil dan nog helpen?

Particuliere hulp beleeft een renaissance. Geld van NRC-lezers biedt „een tegengif tegen moedeloosheid”, aldus de Stichting Urgente Noden.

Foto’s Anouk Bleumer, Marcel van den Bergh/HH

De nood onder armen is soms groter dan je denkt. Jaarlijks komt ongeveer één procent van alle huishoudens in Nederland, ondanks allerlei regelingen, in „klemmende financiële omstandigheden”, stelt de Stichting Urgente Noden Nederland, een samenwerkingsverband van twintig ‘noodhulpbureaus’ in Nederland. Bij deze bureaus kunnen hulpverleners, bijvoorbeeld maatschappelijk werkers, om geld vragen als hun cliënten volkomen blut zijn.

De regionale noodhulpbureaus zijn een bron van opluchting voor wie tussen wal en schip valt; mensen die om wat voor reden ook in acute, veelal financiële nood komen en een steuntje in de rug goed kunnen gebruiken.

„Ik noem onze hulp een tegengif tegen moedeloosheid”, zegt directeur Andries de Jong van de stichting. Noodhulp is een van de bestemmingen van de jaarlijkse Kerstactie van het NRC-lezersfonds. Het geld dat hiermee al sinds 1928 jaarlijks wordt opgehaald, vorig jaar bijna 136.000 euro, is bedoeld voor het lenigen van regelrechte nood onder armen. Voor hen is Kerstmis „geen reden voor bijzondere vreugde”, stelt Marie-Louise Tiesinga van de Stichting Fonds van NRC Handelsbladlezers.

De mensen bij wie noodsteun terechtkomt zijn veelal alleenstaande vrouwen met kinderen; jongeren tot ongeveer 23 jaar; oudere alleenstaande mannen; chronisch zieken of gehandicapten; en ouderen met alleen – soms gedeeltelijke – AOW. Zij hebben geen geld om hun kind met de bus naar het speciaal onderwijs te sturen. Ze zijn ontslagen uit een psychiatrische instelling maar hebben geen geld om een woning in te richten. Ze hebben geen geld om identiteitspapieren aan te schaffen waarmee ze een uitkering kunnen aanvragen. Of ze hebben geen geld om voor hun kind op school een blokfluit te kopen, een muziekinstrument waarmee ze aan een sociaal isolement zouden kunnen ontsnappen.

Al deze mensen, veelal van allochtone komaf, krijgen steun van bijvoorbeeld het Amsterdamse noodhulpbureau. Bij dit bureau heeft Ger den Heijer zich jarenlang gebogen over tientallen aanvragen die hulpverleners bij het bureau namens hun cliënten deden. Den Heijer: „Zonder sentimenteel te willen worden, wil ik wel zeggen dat de reacties van mensen die we hebben mogen helpen, soms ontroerend zijn. Mensen die zeggen: ‘Er is eindelijk naar me geluisterd. Er is onverwacht ‘ja’ tegen me gezegd’.”

Een van de uitgangspunten van noodhulp is dat niet wordt gevraagd hoe de nood is ontstaan en of de persoon in kwestie er zelf schuld aan heeft.

Andries de Jong: „Het is als wanneer er iemand in het water ligt en dreigt te verdrinken. Je gaat dan niet eerst vragen waarom iemand z’n zwemdiploma niet heeft gehaald. Zo iemand moet eruit.” Heel wat anders dan de houding waarmee in de loop der eeuwen de armen in het algemeen zijn bejegend, zo blijkt uit het boekje Honderd jaar individuele noodhulp in Nederland dat De Jong vorig jaar publiceerde. „Het is verbazingwekkend hoe intolerant het opinieklimaat jegens lage inkomensgroepen kan zijn”, schrijft hij. „Er is voortdurend de suggestie dat het om mensen gaat met het verkeerde gedrag en de verkeerde mentaliteit.”

Hoe urgent is de nood?

De afwezigheid van een moreel oordeel betekent niet dat aanvragen om steun altijd worden gehonoreerd. „Wij zijn geen alternatief inkomensloket”, zegt De Jong. Aan de toekenning gaat een weging vooraf. Hoe urgent is de nood? Waaruit bestaat de nood? Is de nood wellicht ook op andere wijze te lenigen?

De Jong: „Het mooie aan onze bureaus is dat ze onafhankelijk zijn van de overheid en een afspiegeling vormen van de samenleving, dat wil zeggen hulpverleners, bureaus en particuliere fondsen. Dat is cruciaal. Zo kunnen wij een afgewogen oordeel vormen over de vraag of het een urgente nood is als je bijvoorbeeld geen geld hebt voor één dag eten. Of voor twee dagen.”

Den Heijer heeft in de loop der jaren opmerkelijke verzoeken zien passeren. „Sommige aanvragen zijn cultureel bepaald”, vertelt hij. „Er zijn groepen die als ze verhuizen altijd alles helemaal nieuw willen kopen, maar daar geen geld voor hebben. Dat is natuurlijk ook niet nodig. Er zijn groepen voor wie het not done is om een fiets te gebruiken. En tja, je hoeft ook niet altijd het nieuwste van het nieuwste te kopen. Ik denk vaak mee. Ik hou de folders met aanbiedingen in de gaten.”

En nog iets: wat vroeger als een luxe werd gezien, is tegenwoordig een eerste levensbehoefte. „Het beeld daarover verschuift”, zegt Den Heijer. „Vroeger vonden mensen een stofzuiger niet echt noodzakelijk. Je kon toch ook vegen? Hetzelfde geldt voor een computer. Tegenwoordig kunnen mensen een computer soms echt niet missen.”

De noodhulpbureaus waren vóór de jaren zestig van de vorige eeuw een doodnormaal verschijnsel. Achthonderd bureaus waren er in de jaren dertig. En in de jaren vijftig waren er nog altijd tweehonderd. Maar vanaf de invoering van de Bijstandswet in 1965 werden hulpbehoevenden geacht alles van de overheid te krijgen.

Dat lukte de eerste jaren ook goed, stelt de Jong. Alles kon. Er was geld genoeg. En dat zonder de bevoogding waarmee de hulp door met name de kerkelijke hulpbureaus zo lang gepaard was gegaan, hulp waarvoor armen vooral ‘dankbaar’ moesten zijn. Vanaf de jaren zeventig begon echter ook de overheid regels aan de steun te stellen. Bovendien maakten bezuinigingen vanaf de jaren tachtig aan de gemakkelijk verstrekte steun door gemeentelijke sociale diensten veelal een einde.

Elke gemeente andere regels

Inmiddels beleven de particuliere noodhulpbureaus een renaissance. En dat is maar goed ook, zegt Andries de Jong. „Als er niet eindeloos veel geld beschikbaar is, en dat geld wordt verdeeld door gemeenten, dan kan er gemakkelijk willekeur ontstaan. Ik ken een middelgrote gemeente waar mensen bij de wethouder op bezoek komen en hulp vragen, en waar die wethouder vervolgens een ambtenaar opdraagt fondsen te werven. Dat kan natuurlijk niet.”

Wat een thuiszorgmedewerker in de ene gemeente wordt toegestaan, is een maatschappelijk werker in een andere gemeente verboden, en in een derde gemeente besluit een professioneel hulpverlener z’n vrije tijd eraan op te offeren.

De Jong: „Dat werkt willekeur in de hand. Gemeenten stellen dat ze ‘maatwerk’ willen leveren. Maar dat kan niet altijd. Een maatpak is altijd duurder dan een confectiepak. En de burger is in dit verhaal altijd de zwakste.”

Gemeenten erkennen steeds vaker dat ze het verstrekken van hulp niet meer alleen kunnen, merkt Andries de Jong. „Sociale diensten erkennen steeds vaker dat ze niet onfeilbaar zijn en iedereen weten te bereiken. Voor hen zijn wij een way out. Wij zijn niet een ‘noodzakelijk kwaad’, zoals sommige bestuurders wel eens denken. Wij kunnen een bemiddelende rol spelen, tussen gemeenten, hulpverleners en natuurlijk de fondsen, zoals van NRC-lezers, die willen weten wat er met hun geld gebeurt.”