Uitgedanst, maar niet uitgewerkt

Voor dansers bestaat een wereldwijd unieke omscholingsregeling. Het kabinet vraagt zich af: kan de regeling ook elders worden ingezet?

Carolina Manusco

Er zijn beroepen die je niet je hele leven kunt uitoefenen. Stratenmaker bijvoorbeeld. Of profvoetballer. Danser. Sommigen raken na verloop van tijd arbeidsongeschikt, anderen kunnen stoppen omdat ze miljonair zijn geworden. Weer anderen laten zich omscholen.

Dat laatste doen bijna alle dansers: speciaal voor hen is er een omscholingsregeling die uniek is in de wereld. Sterker, dat deze regeling bestaat maakt de Nederlandse arbeidsmarkt voor dansers aantrekkelijker, 70 procent van hen komt uit het buitenland.

Wat is dat voor regeling die zo bijzonder is dat directeur Paul Bronkhorst van Omscholing Dansers Nederland daarover vertelt in Barcelona, Warschau en Stockholm? En dat kabinet en Sociaal-Economische Raad zich afvragen: kan de regeling ook in andere sectoren worden ingezet, nu de arbeidsmarkt steeds sneller verandert?

Eerst even dit: dansers stoppen gemiddeld op hun 33ste. Dan is het op. Zij en hun werkgevers – dansgezelschappen of dansinstellingen – weten dus van meet af aan dat er een andere tijd zal komen. En dat het belangrijk is om daar rekening mee te houden.

Op dat gevoel is de omscholingsregeling gebaseerd. Dansers, werkgevers en overheid betalen er elk jaar premie voor. Dansers 1 procent van hun brutosalaris, werkgevers 3 procent van datzelfde salaris. Nog eens 4 procent wordt bijgelegd door de overheid.

Met andere woorden: dansers sparen voor hun omscholing. Hoe langer ze sparen, des te meer rechten bouwen ze op: bij tien jaar sparen niet alleen een vergoeding van de studiekosten maar ook een tijdelijke uitkering.

Meer freelancers

De regeling bestaat bijna dertig jaar. En zoals dat gaat, is die regelmatig aangepast aan nieuwe politieke werkelijkheden. Zo verplicht het kabinet de werkgevers niet meer om de bijdrage van de overheid te gebruiken voor omscholing: het geld mag ook naar producties, decorstukken of salarisverhogingen.

Toen een paar jaar geleden enorm werd bezuinigd op de cultuursector, werd het voor gezelschappen dus aantrekkelijk die bijdrage van de overheid inderdaad anders in te zetten. Temeer daar de tijden intussen waren veranderd: meer kleine gezelschappen, meer freelance dansers. Sowieso is de regeling versoberd, de uitgekeerde bedragen zijn sinds twee maanden kleiner.

Over al deze zaken werd onlangs op een symposium gepraat met dansers, oud-dansers, beleidsmakers en directeuren van gezelschappen en instellingen. Terwijl buitenland en kabinet de regeling met steeds meer interesse bekijken, was hier de belangrijkste vraag: hoe modern is eigenlijk nog een collectieve omscholingsregeling voor een individueel beroep in een sector met weinig geld? Daar kon je over van mening verschillen, zo bleek.

„Het was de eerste envelop die op de mat viel toen ik een paar jaar geleden bij onze club begon: willen jullie meedoen aan deze regeling”, zei Harmen van der Hoek, zakelijk leider van het Groningse dansgezelschap Club Guy & Roni. Ze vroegen het de dansers, van wie de meesten freelancer zijn, en een aantal uit het buitenland komt. Het antwoord was nee. Club Guy & Roni ondersteunt dansers die zelf sparen voor omscholing nu door een bijdrage in hun fees.

‘Ik geloof in collectiviteit’

Directeur Aukje Bolle van Korzo Theaterin Den Haag aarzelde ook, maar draagt wel bij aan de omscholingsregeling: „Ik geloof in collectiviteit. En hoe minder mensen dan meedoen, hoe meer deuken je slaat in het systeem.”

Wat iedereen vond: er is waarschijnlijk geen makkelijker om te scholen beroepsgroep dan die van dansers. „Van de omgeschoolde dansers vindt viervijfde binnen een jaar een andere baan”, zei Paul Bronkhorst, „maar dat is niet onze verdienste: ze werken allemaal even hard”.

Geen wonder, zei Anna Seidl, voormalig danser bij het Nationale Ballet, gepromoveerd in Duitse taal en letterkunde en nu universitair docent aan de UvA. „Dansers geven zich helemaal, dat vinden we normaal. We zijn gedisciplineerd, want we weten wat een deadline is. En dan weten we ook nog eens hoe we ons moeten presenteren.”