Spelen met een overspelige kleptomaan

Meteen in de eerste twee regels van zijn nieuwe roman geeft John Banville (1945) zijn literaire visitekaartje af: ‘Noem me Autolycus. Nou, doe dat toch maar niet.’ Lezers die bekend zijn met Banville’s oeuvre komen hier direct al een aantal vertrouwde kenmerken tegen: mythologische verwijzingen (Autolycus was een zoon van Hermes), literaire verwijzingen (naar ‘Call me Ishmael’, de eerste zin van Moby Dick), en een geaffecteerde plechtstatigheid die door de verteller zelf weer meteen op ironisch-onverschillige wijze wordt onderuitgehaald.

In Banville’s nieuwste, De blauwe gitaar, is die verteller Oliver Orme, een schilder die lijdt aan painter’s block. Ooit was hij succesvol en resideerde hij in Zuid-Frankrijk, nu is hij teruggekeerd naar zijn Ierse geboortedorp en bedriegt hij zijn jonge vrouw Gloria met Polly, de vrouw van Marcus, de plaatselijke klokkenmaker. Dingen in het geheim doen is Orme’s specialiteit: al sinds zijn jeugd drukt hij kleine objecten achterover – niet voor het bezit, maar voor de daad zelf. Vandaar ook die verwijzing naar Autolycus in de eerste regel: net als zijn vader Hermes was Autolycus een begenadigde dief.

Orme is een vertrouwd nummer uit de Banville-catalogus: een oudere buitenstaander die met geamuseerde verbazing naar het menselijk bedrijf kijkt, die zijn zelftwijfel vertaalt in gespeelde nederigheid (‘Ik neem altijd aan dat alles heel eenvoudig en duidelijk is, en dat ik de enige ben die niet begrijpt wat er allemaal speelt’), en zijn bevindingen met ons deelt in bloemrijk proza vol dubbele bodems en ontsnappingsluikjes. Eerder kwamen we dergelijke vertellers bijvoorbeeld tegen in De zee, waarmee de Banville in 2005 de Booker Prize won, en zijn voorlaatste roman Ancient Light (2013).

Orme is een wel heel mooi en tragisch voorbeeld van zo’n typische Banville-verteller. Ondanks zijn nederigheid voelt hij zich stiekem toch superieur, maar hij heeft totaal niet door hoezeer andere mensen hem door hebben. Zijn huwelijksbedrog en kleptomanie die hij op sluwe wijze voor de buitenwereld verborgen denkt te houden, blijken algemeen bekend, terwijl het hem ontgaat dat de plaatselijke grootgrondbezitter achter zijn geliefde Polly aanzit. Maar als de buitenstaander die hij is, legt Orme zich uiteindelijk overal bij neer, als een berustende Icarus die zelf al nooit helemaal in zijn ontsnapping geloofde.

Banville lees je niet voor het plot, maar om je te laten meevoeren door de toon, de schijnbaar achteloze manier waarop mensen in al hun heroïsche kleinheid worden beschreven, de mooie, liefdevolle beschrijvingen van landschappen en interieurs, en door goed getroffen beelden als ‘de roeken cirkelen lukraak rond, als verkoolde stukjes boven een vreugdevuur’.

In De blauwe gitaar weet Banville meer uit die toon te halen dan ooit tevoren. Je kan je alleen maar overgeven aan Orme’s monoloog, hij is afstandelijk en verleidelijk tegelijk. Het is alsof Banville met Orme onderzoekt hoe ver hij met dit type verteller kan gaan. Sommige zinnen laat Orme onvoltooid en hij strooit met badinerende terzijdes als ‘Kan mij het schelen, hier komt nog een uitweiding’.

Zijn hele oeuvre: een spel

Hoe vertrouwelijk Orme zijn ontboezemingen ook in je oor fluistert, de geaffecteerde ironie zorgt toch altijd voor afstand, en die afstand weet Banville deskundig te vergroten doordat hij De blauwe gitaar situeert in een wereld die net iets anders is dan de onze, een parallel universum dat raaklijnen heeft met de wereld van zijn meesterlijke roman De onsterfelijken (2009). Vliegtuigen en computers zijn zeldzaam en de grenzen in Europa zijn anders getrokken dan bij ons. Voor het verhaal is het niet van belang, het is een spel, waarmee Banville de kunstmatigheid lijkt te willen benadrukken van élke romanwereld. Je zou het hele oeuvre van Banville een spel kunnen noemen, een spel met lezers en literatuur, een spel waarin de boeken ook met elkaar spelen, door onderlinge verwijzingen en terugkerende personages.

Maar het zou onterecht zijn Banville van oppervlakkigheid te beschuldigen. Zijn vorm heeft wel degelijk inhoud, onder de speelse ironie sluimeren wanhoop en eenzaamheid. Je moet het alleen willen zien. Orme haalt instemmend Cézanne aan die stelt dat emoties ‘niet rechtstreeks door het werk kunnen worden uitgedrukt, maar moeten worden uitgezweet, als een geur, door de zuivere vorm.’ Het lijkt alsof Orme hier namens zijn schepper spreekt. Banville schrijft voor goede verstaanders. ‘Ze noemden me kil,’ zegt Orme, ‘omdat ze te stompzinnig waren om de hitte te voelen.’