Column

‘Schiet mij maar voor m’n donder’

Justus van Maurik (1846-1904) was een Amsterdamse sigarenfabrikant, zijn zaak zat op het Damrak, en daarnaast was hij krantenverslaggever, een van de eerste moderne krantenverslaggevers van Nederland. Hij werkte voor het in 1877 opgerichte dagblad De Amsterdammer, nu weekblad De Groene Amsterdammer. Met modern bedoel ik dat hij met pen en opschrijfboekje de straat op ging en noteerde wat hij hoorde en zag. Ook modern: hij had een voorliefde voor de verhalen van mensen uit wat toen nog ‘de mindere stand’ heette.

En populair dat hij ermee werd! Zijn bundels – Van allerlei slag, Uit het volk en vele andere – waren bestsellers. De lezende stand griezelde kennelijk graag bij zijn reportages over de diepe doffe ellende waarin die mindere stand toen verkeerde. Alleen al de kelderwoningen waarin tienduizenden Amsterdammers uit armoede woonden. Het gebrek aan daglicht. Het vocht. De muggen. De malaria. De dode kinderen.

Een van de aangrijpendste verhalen gaat over Willem Bossers, een scheepstimmerman die in de crisisjaren rond 1880 werkloos is geraakt. ’s Ochtends gaat hij om vijf uur de deur uit, ’s avonds komt hij verkleumd weer terug. Weer geen werk gevonden, weer geen eten. De kinderen zijn met een korst brood gaan slapen. Zijn vrouw, ziek en mager, zit bij het koude fornuis hun vodden te verstellen. Bijna alle huisraad, ook het beddegoed, is al naar de lommerd gebracht.

Na drie maanden moet Bossers ook de laatste deken wegbrengen. In zijn dunne jasje – „de Noordenwind blaast er nijdig doorheen” – loopt hij langs koffiehuizen met warm beslagen ruiten, de geur van eten doet hem het water in de mond lopen. Hij ziet in bont gehulde dames en heren de schouwburg binnengaan en hij mompelt in zichzelf: „’t Is toch verdomd erg; zij alles en wij niks.” Van het geld dat hij ontvangt, koopt hij brood en een half ons koffie. En een borrel. Hij komt dronken thuis.

Dan breekt er oproer uit in de stad. Het leger rukt uit en Bossers – geen socialist , geen anarchist – gaat de barricaden op. Zijn jongste kind is gestorven, zijn vrouw ligt dood te gaan in het gasthuis, de andere kinderen lopen te bedelen. „Kom maar op!”, schreeuwt hij. „Ik heb toch niks meer op de wereld. Schiet me maar voor m’n donder.”

Willem Bossers – maar dit verzint Van Maurik – wordt doodgeschoten. „Zoo is het niet, zo kan het worden”, schrijft hij. De moraal is natuurlijk dat de rijkdom eerlijker verdeeld moet worden om radicalisering van de have-nots te voorkomen. In Van Mauriks belevingswereld was dat alleen nog geen welbegrepen eigenbelang, maar een christenplicht.