Op proza moet wat schimmel zitten

Moet een schrijver zijn eigen geluk nastreven of de lezer iets bieden? Kees ’t Hart houdt een pleidooi voor zeurpraat.

Het gezicht van Mae West 1934-1935 - Salvador Dali Tekening Paul van der Steen

In een verhaal van Leonard Roggeveen schaatst een oud mannetje met een lange witte baard, Daantje geheten, terwijl het buiten veel te koud is. Daantje is ondanks de waarschuwingen van zijn vrouw toch op pad gegaan. En wat de lezer al van ver ziet aankomen: dat gaat mis. De baard van Daantje raakt vastgevroren aan een hek. Het duurt even tot Daantje wordt ontdekt, maar dan is de oplossing ook rigoureus: de slager pakt een schaar en knipt de baard af. Het verdriet om de baard is groot, zowel bij Daantje als bij de lezer (die intussen ook blij is dat Daantje is gered), maar niet bij zijn vrouw. Zij vindt dat Daantje zijn verdiende loon heeft gekregen.

Toen Kees ’t Hart een klein jongetje was, schrijft hij in zijn essaybundel Het gelukkige schrijven, las zijn moeder hem de hele Daantje-reeks voor. Het zijn lieve verhaaltjes over een man en zijn vrouw in een dorp waar niets gebeurt, behalve dat er af en toe een klomp breekt of een ei zoekraakt. De verhalen geven een idyllisch beeld van de jaren dertig van de vorige eeuw. Bij Daantje is de grootste crisis het wegwaaien van de was. Niks geen engagement of een poging de tijdgeest te vatten.

Kees ’t Hart gaat niet echt op de boeken in, maar ze moeten hem gevormd hebben tot wat hij zelf een ‘gelukkige schrijver’ noemt. Hij mikt weliswaar niet op hetzelfde effect als Roggeveen – die vooral rust en empathie wilde kweken – maar in de Daantje-reeks wordt geluk nagestreefd. Tegelijkertijd is het zo dat waar Roggeveen de braafste kinderboekenreeks ooit schreef, ’t Hart proza wil maken dat ‘bol staat van de scheefpraat, zeurpraat, contaminaties, omkeringen, stennismakerij zonder stennis. Proza waar schimmel op zit, waar een lachbui in rondhangt, waar de paradoxen als vogeltjes in rondzwermen. Proza dat waxinelichtjes naar de Gouden Koets gooit.’ Het is een van de vele poëticale zinnen in Het gelukkige schrijven – een verzameling essays die draait om de vraag wie de gelukkige schrijver is. Opvallend – en uitgeverij Querido onwaardig – ontbreekt daarbij overigens elke verantwoording over de herkomst van de eerder gepubliceerde essays (in De Groene Amsterdammer, De Revisor en een bewerking van zijn Kellendonk-lezing uit 2010).

Literatuur is ‘gelul’

Proza dat waxinelichtjes gooit naar de Gouden Koets: het is een schitterende omschrijving van wat een roman kan doen. In afwisselend leuke, schmierende, maar ook boze stukken zien we een wereld waarin Herman Gorter, Mark Twain en Herman Brusselmans de hemel in worden geprezen domweg omdat ze niet op de gebaande paden lopen. Zo legt ’t Hart in een geestig stuk uit waarom Brusselmans openingszin ‘Ik had jeuk aan mijn penis’ het basisprincipe van de literatuur ondergraaft: niks geen duurdoenerij, maar het besef dat literatuur ‘gelul’ is. Auteurs als Arnon Grunberg, Adriaan van Dis en Dimitri Verhulst worden neergezet als schrijvers van ‘evidentieliteratuur’. Ze begaan volgens ’t Hart zo’n beetje de grootst mogelijke zonde: ze willen hun romans maatschappelijk nut geven en met oplossingen komen; inzicht geven in de realiteit. Deze auteurs ‘beseffen te weinig dat de heersende moraal steeds opnieuw bevestigd wordt wanneer de schrijfwijze van de roman zelf buiten schot blijft.’ Reden voor ’t Hart om een schrijver te willen zijn die dromerigheid nastreeft en onderweg is in zijn werk. ‘Ik wil wel actievoeren maar alleen tegen mezelf in mijn eigen werk. Dan maar een asociale eikel.’ Ook wil hij ‘een arrogante eikel zijn, die alleen in zichzelf celebreert en daarom met succes faalt’, want een gelukkige schrijver is een pretentieloze veelschrijver die durft te falen.

Wat opvalt is dat ’t Hart weinig aandacht besteedt aan de lezer. Zijn literatuuropvatting is die van een schrijver, die zijn eigen geluk najaagt. De enige lezer die ertoe doet is hijzelf, als hij op zoek is naar materiaal voor het schrijven. Die schrijver moet (’t Hart presenteert zich in de bundel weliswaar vaak als lolbroek, maar is óók streng) bouwen aan zijn eigen wereld, niet alleen l'art pour l'art (wat nog iets gekwelds kan hebben), maar l'art pour de lol in l'art. Dus wee het gebeente van de schrijver die iets anders op het oog heeft dan zijn eigen genot. In de vorm-of-vent-discussie is ’t Hart de vent van de vorm, waarbij je de indruk hebt dat hij zijn schrijven liever als masturberen ziet dan als het bedrijven van de liefde.

Maar zonder lezer geen boek

Voor de arrogante schrijver die zich niets aantrekt van de lezer, is veel te zeggen, maar zonder de lezer ook geen boek, merkt Philip Huff in zijn boek Het verdriet van anderen droogjes op. Hoewel ook hij een essay schreef over de rol van literatuur, is het verschil tussen hem en ’t Hart groot. Huff gaat op zoek naar wat romans te bieden hebben, nadat hij in 2012 een hartoperatie onderging die hem bijna fataal werd. ‘Literatuur maakt je een goede lezer, ook van het leven’, stelt hij.

Dat wil niet zeggen dat Huff zoekt naar romans die troost bieden, zoals Alice Hoffman in haar boekje Lessen om te overleven. Toen zij de diagnose borstkanker kreeg, zocht ze een gids waarin ze troost kon vinden en waarin gezegd werd wat ze nu moest doen. Zelf had ze Green Angel geschreven, over een meisje dat haar leven weer oppakt nadat haar ouders bij een catastrofe zijn omgekomen. Het boek had anderen troost geboden, maar nu ze die zelf nodig had, was er niet zo’n boek. Hoewel ze meerdere knipogen naar de literatuur maakt – zoals wanneer ze zegt dat ze graag zou dineren met Edgar Allen Poe, de gezusters Brönte en Emily Dickinson – heeft ze toch de meeste behoefte aan praktische houvast. Het gaat haar puur om tips als: eet lekker zolang het kan, neem afscheid van vrienden die je niet steunen in deze momenten, kies zelf hoe je je tijd doorbrengt, etc. Anders dan bij Huff en ’t Hart, bieden romans haar geen inzicht, domweg omdat ze niet praktisch zijn. Over hoe teleurstellend het is wanneer zelfs je eigen boeken jou geen troost bieden, terwijl anderen er wel wat aan hebben, laat ze zich niet uit.

Waar het om gaat is dat de drie in feite de rol van de lezer tonen. Hoffman is puur gericht op de lezer, met alle nadelen van dien (het is een truttig gidsje). Huff stelt zich op als lezer én schrijver die op zoek is naar inbeelding, empathie en verbeelding: ‘De schrijver wekt begrip op voor het tragische, voor het menselijk tekort, voor de onvolkomenheid van het levenslot en uiteindelijk voor de onafwendbare sterfelijkheid van de mens, maar ook voor de mogelijkheden vóór zijn dood, de mogelijkheden die het gevecht de moeite waard maken, “om weer op stap te gaan” op het pad van zelfrealisatie.’ Bij ’t Hart geen zelfrealisatie, voor hem gaat het om de verbeelding van de schrijver. En de lezer? Die ziet zelf maar wat hij er mee kan.