Onze man met het zesde zintuig

In de nieuwe roman van K. Schippers wordt geen van de verhalen écht afgerond.

K. Schippers is de schrijver van de radicale kalmte. Kalmte om zijn rustige en eenvoudige verteltrant en omdat amper een mens in zijn meer dan 35 boeken omvattende oeuvre zijn zelfbeheersing verliest. En radicaal omdat de schrijver voor geen onmogelijkheid terugdeinst. Aan conventies of realismen laat hij weinig gelegen liggen. Zo is hij het omgekeerde van de B-film, die bol staat van de opwinding, maar waarin uiteindelijk nooit iets voorvalt dat buiten de orde valt. (Je kunt hetzelfde zeggen over het gros van de hedendaagse romans.)

Schippers’ nieuwste roman, met de verraderlijk eenvoudige titel Niet verder vertellen, begint met twee mensen. De een is de verteller, een zeer Schipperse hardopdenker. De tweede is een zekere Simone, een vrouw die zo weggelopen lijkt uit een schilderij van Botticelli en dat misschien ook wel is – je weet het nooit. De hoofdpersoon wil naar Turijn ‘voor de ruimte’, ‘de ruimte tussen de gebouwen’. Dat komt niet als een verrassing: ruimte en licht en de pogingen om daar de vinger op te leggen keren terug in Schippers’ werk met de vanzelfsprekendheid van een zonsopgang.

Dat de dingen die hij zoekt niet tastbaar zijn, toont zich in de vorm van de roman, die vooral in het begin wordt gedragen door dialogen, waarbij haast geen zin wordt afgemaakt, zonder dat de begrijpelijkheid geweld wordt aangedaan: in het echt maken we ook veel zinnen niet af. Naar Turijn gaat het, waar de verteller met grote belangstelling de plaatselijke lijkwade bekijkt en zich een voor de Schipperslezer heel herkenbaar spel ontrolt met een glasnegatief van het hoofd van ‘JC’, waarvan hij dan weer een afdruk laat maken. Het doet denken aan hoe Schippers in zijn vorige boek Voor jou de magie van het fotorolletje opriep – met de laatste foto’s van zijn gestorven vrienden J. Bernlef en G. Brands: je hebt zo’n klein buisje in je zak, waarmee als door een wonder iemands beeltenis kan worden opgeroepen. De ontwikkeling van een foto is bij Schippers altijd een wederopstanding.

Wonder of boerenbedrog?

De aandacht voor de lijkwade is toch al tekenend. Waar die doek bij de ene helft van de mensen staat voor een goddelijk wonder en voor de andere helft voor al te menselijk boerenbedrog, blijft Schippers gewoon kijken en denken. Vanuit Turijn gaat het naar de vallei in het Zwitsers-Italiaanse grensgebied waar schilder en beeldhouwer Alberto Giacometti (1901-1966) vandaan kwam en waar hij een atelier had: een dal waar in de winter geen zonlicht komt – dáár komt hij voor, al is het nog niet helemaal winter. Hij beeldt in het boek Giacometti’s sculptuur ‘Het plein’ af: vijf spijkerdunne mensfiguren op een dikke plak brons; Schippers hoeft er niet eens bij te vertellen dat het niet om die mensen gaat, maar om de poging om de ruimte tussen hen in te tonen. Hij voert gesprekjes in de vallei, waarbij Giacometti zelf schittert door afwezigheid. (Als je veel Schippers hebt gelezen kun je die uitdrukking niet meer zonder bijgedachten gebruiken – ruimte is aanwezigheid en afwezigheid tegelijk.)

Het verhaal verplaatst zich naar het Amsterdam van honderd jaar geleden. De jonge Dien, er wordt gesuggereerd dat zij de moeder van de verteller is, laat zich bloot schilderen (niet verder vertellen!) en reist naar Den Helder. Daar ziet ze het wad (‘Wat mooi’) – ook al zo’n plaats waar licht en ruimte zich tonen. Dat deel van het verhaal is minder sterk dan de Italiaanse bedevaart, wat ook geldt voor scènes met een biograaf, foto’s en jurken in Amsterdam. Af en toe staat er een vormgrapje te veel. Soms ontglipt Niet verder vertellen je, maar dat komt óók omdat de titel programmatisch is: echt afgerond zijn de deelverhalen niet, dat zou de suggestie van licht en ruimte tenietdoen. ‘Aftasten van de grenzen van wat nog waarneembaar is, verdampen, verbleken, verkleuren, (ver)smelten.’

Prijswaardige zinnen

Veel meer is er sprake van wat Schippers ‘voorvalduetten’ noemt. Dingen die op elkaar lijken of die met elkaar te maken hebben – waarbij hij er niet voor terugdeinst om hetzelfde personage in verschillende eeuwen in de trein te zetten. Je zet veel streepjes in dit boek. Bij ‘sluimerloopje’, bij ‘het is een mooi ontwerp, maar voor wat’ (de slotzin, over een in de was onleesbaar geworden papiertje dat Dien in haar zak vindt – je denkt aan de lijkwade). Of bij een prachtzin als: ‘Verder schikt alles zich naar z’n eigen stilte en blijft zo van zichzelf af dat de vaagste geluiden uit de winkel hier aankomen.’ Wat zou het mooi zijn als de vaak vuurwerkgestuurde Tzumprijs voor de beste zin van het jaar naar Schippers ging.

Al die ruimte en al dat licht hebben natuurlijk te maken met verdwijning en afwezigheid – aan het begin van het verhaal loopt de schrijver (Schippers wordt volgend jaar tachtig) door Amsterdam-West, de buurt van zijn ouders. Hij wil eigenlijk niet aanbellen, maar wordt door Simone aangespoord dat toch te doen.

Niet verder vertellen.

Ergens in de roman beschrijft iemand het zesde zintuig, dat op de tast lijkt. Het ‘leidt je naar elke verandering, waar nooit echt goed naar is gekeken, de verdwijning vlak voor de verandering, met de schnitt als vergrootglas’. Je zou kunnen zeggen dat Schippers dat zesde zintuig heeft, maar ik denk dat het eenvoudiger is: K. Schippers ís ons zesde zintuig.

    • Arjen Fortuin