Column

Onderzoek naar aanpak ramp MH17 bevat pijnlijke boodschap voor crisisbeheersers overheid

Dat na een ramp de hulpverlening moeizaam of chaotisch op gang komt, is eerder regel dan uitzondering. Niet verwonderlijk, want een ramp heeft nu eenmaal een grote mate van onvoorspelbaarheid in zich. Zich voorbereiden op een ernstige calamiteit kan wel en dat gebeurt ook, maar de werkelijkheid zal bijna altijd anders zijn.

Duidelijk is dat er hier een taak is voor de overheid. Daarom werd in 2013 de ministeriële commissie crisisbeheersing ingesteld. Tegelijk werd toen het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming gepubliceerd, een vervolmaking van eerdere rampendraaiboeken van de overheid. Zoals in de inleiding valt te lezen, legt het handboek „op hoofdlijnen de bevoegdheden, verantwoordelijkheden en kerntaken vast van de belangrijkste actoren binnen de nationale crisisstructuur”. Anders gezegd: iedereen moet vooraf weten wat hem of haar te doen staat ten tijde van een crisissituatie.

Een jaar later kon het handboek op zijn zinvolheid worden getest. Boven Oekraïne was de MH17 neergehaald, het vliegtuig van Malaysia Airlines dat uit Amsterdam was vertrokken met merendeels Nederlanders aan boord. De voor de buitenwereld ogenschijnlijk goed geoliede machine die al snel op gang kwam, was gebaseerd op het besluit dat in 2013 in werking was getreden. Maar werkt een blauwdruk als er sprake is van een passagiersvliegtuig dat boven oorlogsgebied is neergeschoten en waarvan de brokstukken zijn neergekomen in een gebied vlak bij de Russische grens dat door rebellen werd beheerst?

Niet optimaal, zo blijkt uit een onderzoek van de Universiteit Twente. Het handboek schrijft voor dat dergelijke evaluaties na een crisis worden uitgevoerd. De eerste reactie vanuit de overheid verliep, schrijven de onderzoekers, „onnodig moeizaam en complex, omdat de nationale crisisbeheersingsorganisatie onvoldoende gericht was op samenwerking met en tussen betrokken organisaties en de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie”.

Dit is een pijnlijke constatering. Want was het toen nog maar één jaar oude handboek niet juist bedoeld om dit te voorkomen? Het crisisteam leunde in de eerste fase vooral op de eigen herkenbare omgeving, waardoor het onvoldoende gebruikmaakte van de informatie en expertise van externe deskundigen, bijvoorbeeld in Oekraïne. De bepalingen hoe te handelen bij een crisis in het buitenland, blijken onvoldoende in praktijk te zijn gebracht.

Dit is des te pijnlijker omdat als gevolg hiervan nabestaanden onnodig lang hebben moeten wachten op uitsluitsel over het lot van hun verwanten. Gelukkig zijn later zaken wel goed gegaan. Dat neemt niet weg dat in het begin beter gehandeld had kunnen worden. De overheid mag zich dit aantrekken.