Kliek rondom Orbán spekt zichzelf met EU-geld

Dankzij de Europese Unie krijgt Hongarije moderne straatverlichting. De entourage van de premier profiteert van dit soort miljoenenprojecten.

Viktor Orbán met zijn dochter Ráhel in 2008. Orbáns partij, toen nog in de oppositie, had een referendum afgedwongen over afschaffing van collegegeld. Foto Karoly Arvai/Reuters

Het moest Ráhel (26), de oudste dochter van de Hongaarse premier Viktor Orbán, even van het hart. Dat journalisten in hun verslaggeving over de riant levende entourage van haar vader ook inzoomden op haar levensstijl – zoals het torenhoge collegegeld voor haar studie aan een hotelschool in Lausanne – vond ze kwetsend. „Mijn echtgenoot en ik hebben een onafhankelijk gezin”, schreef ze een jaar geleden op Facebook. „We staan op eigen benen, we redden het met onze eigen middelen en we leven ons eigen leven.”

Daarmee sneed de Hongaarse first daughter zichzelf in de vingers. Voor journalisten was haar verzuchting het signaal om maandenlang te graven in de financiën van haar echtgenoot, István Tiborcz. En wat bleek? Een reeks dubieuze aanbestedingen, waarbij miljoenen euro’s aan Europees subsidiegeld betrokken waren, waren uitgemond in het voordeel van het bedrijf dat schoonzoon Tiborcz in 2009 als 23-jarige oprichtte. Het Europese anticorruptieagentschap OLAF stelde een onderzoek in. Tiborcz trok zich terug uit het bedrijf. Maar het kwaad was geschied. De zaak voedde de kritiek op de wijze waarop getrouwen van de premier, die de EU affakkelt als een club ‘imperiale bureaucraten’, hun zakenimperia juist uitbouwen met geld van diezelfde EU.

Het begon zo mooi voor Ráhels man, lid van een welgestelde familie. De keuze van zijn bedrijf – ES Holding en later Elios genaamd – om zich toe te leggen op milieuvriendelijke technologie, zoals led-straatverlichting, bleek een schot in de roos. Nog geen jaar later won het bedrijf in de stad waar Orbáns huidige stafchef burgemeester was een contract voor „Europa’s grootste led-straatverlichtingsproject”, zoals Elios het zelf noemt.

Eind 2013, kort nadat Tiborcz met de dochter van Orbán trouwde, begon de regering met de verdeling van 8,89 miljard forint (28 miljoen euro) onder lokale overheden die hun straatverlichting moderniseerden. Dit programma werd grotendeels betaald met Europese subsidies. Die geldstroom van West-Europa naar de armere lidstaten in het oosten en zuiden is een levensader voor de Hongaarse economie: in 2014 waren de subsidies goed voor 5,7 procent van het nationaal inkomen.

Ruif voor regerende elite

De Brusselse fondsen zijn ook een bron van inkomsten voor ondernemers in de kleine kring van de Hongaarse elite. Tiborcz is een van hen. Van de totale waarde (23,7 miljoen euro) van de contracten voor de straatverlichting die het onderzoekscollectief Direkt36 in het aanbestedingsregister kon vinden, vloeide maar liefst 72 procent naar Elios. Ook in de volgende aanbestedingsronde kwamen de miljoenen binnen. Eind vorig jaar bleek Tiborcz genoeg middelen te hebben om zich in te kopen in nevenactiviteiten, zoals een jachthaven bij het Balatonmeer, met badhuis en gastenfaciliteiten.

Die weg naar de top was soepel. Bij het uivlooien van de contracten die Elios in de wacht had gesleept, kwamen de onderzoekers van Direkt36 tot de conclusie dat de specificaties in de aanbestedingsprocedure er mede toe hadden geleid dat Elios amper competitie ondervond: bij sommige aanbestedingen was Elios de enige bieder, bij andere had het bedrijf slechts een handvol concurrenten. Hun vermoeden van doorgestoken kaart werd verder gevoed door onderzoekswebsite Atlatszo, die aantoonde dat een reeks procedures mede voorbereid was door een adviesbureau geleid door een zakenman die in 2013 mede-eigenaar was van Elios.

Zowel Elios als de overheid spreekt de verdenking van vriendjespolitiek tegen. „Elke aanbesteding is geheel conform de regels verlopen”, verklaart het bedrijf aan deze krant. Het kabinet van premier Orbán schrijft in een reactie: „Berichten die stellen dat de technische criteria van de aanbesteding werden geformuleerd om een bepaald bedrijf te bevoordelen zijn onwaar.” Maar de zaak lijkt toch niet te verdwijnen: naast OLAF begon ook de Hongaarse justitie een onderzoek.

Staat in handen belangengroepen

Veel verwacht József Martin, de Hongaarse directeur van Transparency International, daar overigens niet van. Op de internationale ranglijst van de corruptiewaakhond doet Hongarije het slechter dan Letland en Polen, maar beter dan Roemenië, Italië en Griekenland. Wat het land volgens een rapport uit 2012 echter onderscheidt, is „dat de Hongaarse staat is overgenomen door machtige belangengroepen.”

De diepgaande reorganisatie van de overheid, die Orbáns partij na 2010 doorvoerde, vergrootte de controle van de politiek op de subsidiemachine en maakte de justitie vleugellam, zegt Martin. „Het bureau van de aanklager is ingepalmd: veel zaken bereiken de rechtbank niet. Het Europese systeem gaat ervan uit dat lidstaten checks and balances respecteren, maar dat systeem is hier uitgehold.” Het kabinet van de premier stelt dat het de besteding van de Europese subsidies juist hervormde om „de uitgave van publieke fondsen in de handen te plaatsen van verantwoordelijke deskundigen” en dat het strijdt tegen corruptie „in voortdurende samenwerking met internationale organisaties.”

OLAF suggereert niettemin dat aan de Hongaarse bereidwilligheid om fraude te bestrijden het een en ander schort. Het agentschap kreeg uit Hongarije 28 meldingen over potentiële onregelmatigheden met Europese gelden. Die kwamen allemaal van privépersonen, nooit van de overheid. Ter vergelijking: in Nederland werden zes zaken gemeld door privépersonen, drie door overheidsinstanties. Van de dertien zaken die OLAF sinds 2007 terugverwees naar de Hongaarse autoriteiten, leidde er slechts één tot een aanklacht.

Transparency International wordt niet alleen gesteund door regeringskritische Hongaren. Ook Eleni Kounalakis, Amerikaans ambassadeur van 2010 tot 2013, erkende in haar Boedapest-memoires „dat de conclusie die werd getrokken door Transparency International [over de greep van de belangengroepen op de staat] fundamenteel, en jammer genoeg, grondig geworteld was in de feiten.”

Daarbij verwees ze naar een van ’s lands bekendste zakenlieden: Orbáns kamergenoot in de studentenflat, Lajos Simicska. De miljardair is zowel voormalig financieel directeur van regeringspartij Fidesz als voormalig hoofd van de belastingdienst en werd lang gezien als een van de meesterstrategen achter het systeem-Orbán. Zijn televisiezenders en kranten leken vaak een spreekbuis voor de regering. Zijn bouwbedrijf Közgép werd een van de giganten op de Hongaarse markt, bijzonder bedreven in het binnenslepen van nationale en Europese fondsen. Kounalakis: „Als ondernemers wilden bieden, hadden ze slechts één mogelijke partner: Közgép. En als ze niet akkoord gingen met de voorwaarden, liepen ze het risico dat ze hun zaak helemaal moesten opdoeken.”

Het bondgenootschap tussen Orbán en Simicska verwaterde, maar er zijn meer ‘baronnen’ met connecties. Een van de snelst groeiende zakenimperia in Hongarije behoort toe aan de burgemeester van Felcsút, het dorp van Orbáns jeugd. Hij is ook bestuurder van de voetbalacademie die de premier liet bouwen tegenover een huis dat hij er heeft, met een stadion voor 3.500 mensen – bijna het dubbele van het aantal inwoners. Toeristen die het allemaal even willen bekijken, kunnen straks een treintje nemen tussen voetbalacademie en bijbehorend hotel. Ook hier moet de EU gaan meebetalen.

Wijzen naar externe vijanden

Zorg voor de Heimat is een leitmotiv van Orbáns economische strategie. „We hebben Hongaarse bedrijven nodig die miljarden forinten bezitten”, zei de premier in het parlement. „Anders nemen de buitenlanders alles in dit land.” Dergelijke verwijzingen naar externe vijanden doen het goed. De Brusselse elites, die volgens Orbán het christelijke Europa van natiestaten ondergraven met hun tolerante migratie- en vluchtelingenpolitiek, zijn nu de laatsten in een rij doelwitten.

Bijt hij zo niet in de hand die hem voedt? Boedapest ziet het anders. In ruil voor alle steun krijgt Brussel gewoon broodnodige kritiek. Fidesz-fractieleider Lajos Kósa verwoordde het zo op een partijcongres: „Eén land in de Europese gemeenschap moet kunnen zeggen dat de keizer geen kleren aan heeft.”