‘Ik dacht dat alle ouders verslaafd waren’

(38) groeide op in een Moluks woonoord. Werkloosheid, drugs, criminaliteit – hij dacht dat het normaal was. Onlangs vond hij videobanden uit die tijd. Die vertellen een nieuwe geschiedenis, die moet worden doorverteld, vindt hij.

Jeftha Pattikawa (1977) werd geboren in het Molukse woonoord Vaassen, bij Epe. Hij studeerde Communicatie- management in Amsterdam. In 2011 ging hij voor het eerst naar de Molukken. Hij werkt in het bedrijf van zijn vriendin. Foto Anaïs López

De vader van Jeftha is geboren in kamp Westerbork. Zijn moeder in een officiershuis in kamp Teuge. Tijdelijke opvanglocaties voor de 3.500 Molukse soldaten en hun gezinnen die in 1951 naar Nederland kwamen. Tijdelijk, want het was de bedoeling dat ze op een dag weer zouden terugkeren naar hun thuisland. De soldaten hadden onder Nederlandse vlag in Indonesië gevochten. Een strijd die Nederland verloor. Op de Molukken was een eigen staat uitgeroepen, maar Indonesië wilde niet dat daar duizenden goed getrainde militairen naar terug gingen. In Indonesië konden ze ook niet blijven, dus besloot de Nederlandse overheid de soldaten en hun gezinnen, in totaal 12.500 Molukkers, voor korte tijd naar Nederland te halen. Eenmaal in Nederland werden ze uit militaire dienst ontslagen en ondergebracht in negentig woonoorden, waaronder de eerste jaren ook voormalig concentratiekamp Westerbork. 

Later verhuisden Jeftha’s grootouders naar woonoord Vaassen, bij Epe op de Veluwe. De plek waar Jeftha in 1977 werd geboren als oudste van een gezin van uiteindelijk vier kinderen. Er woonden nog ongeveer 175 andere Molukse gezinnen. „Om het woonoord stond aanvankelijk een hek met prikkeldraad”, vertelt Jeftha (38). „Het was min of meer afgesloten van de samenleving.” Het woonoord had veel eigen voorzieningen. Van een basisschool tot een ziekenhuis en kerk. „Het stond bekend als het ‘Ambonezenkamp’, daar ging je als buitenstaander niet naar toe. Werken mochten de bewoners niet, want je kon immers ieder moment terugkeren. Hoe wrang ook, mijn opa’s en oma’s hebben tot aan hun dood de hoop gehad op een dag terug te gaan naar een vrije Molukken.’”

Bij geboorte al verslaafd

Het liep anders. De houten barakken werden vervangen voor stenen huizen, er kwam een officiële woonwijk, Berkenoord 2. Jeftha was toen vijf. „Het was alsof ik in een ander land opgroeide”, zegt hij. „Onze woonwijk was net een dorp op de Molukken. Alle families kenden elkaar en ik kon altijd overal terecht. De ouders van vriendjes noemden we ooms en tantes. Een beleefde, traditionele manier om iemand die ouder is aan te spreken. Ik had dus ontzettend veel ooms en tantes”, glimlacht Jeftha. „Mijn moeder was een warme, lieve vrouw die meer zong dan dat praatte. Er was veel sociale controle. Ze had negen broers en zussen. Eén grote, creatieve familie, er werd altijd muziek gemaakt. Ik speelde gitaar. Heerlijk was dat.”

Er was ook een andere kant. Isolatie, werkloosheid, het gebrek aan integratie ging in de jaren zeventig hand in hand met andere problemen, zoals drugsgebruik, ook hard drugs. Jeftha’s ouders ontsprongen de dans niet. „Mijn vader was voor mijn geboorte al verslaafd aan heroïne, een opkomende drug in die tijd. Hij was niet de enige.” In woonoord Vaassen was ongeveer 15 procent van de inwoners verslaafd. „Je kon goed zien wie het waren, ze waren mager en ze zochten elkaar op. Als kind vind je dat normaal, je gaat denken dat alle ouders verslaafd zijn. Al merkte ik wel dat sommige vriendjes niet bij mij thuis mochten spelen van hun ouders.”

Toen Jeftha negen was, ging hij definitief bij zijn oma wonen. Zijn moeder was intussen ook verslaafd geraakt. Als adolescent begon hij te beseffen wat er speelde. „Soms waren mijn ouders even clean. Dan ging het beter, maar steeds ging het toch weer mis. Ontelbare keren. Ik werd er wanhopig van. Toen ik ouder werd ging ik me afzetten, ik raakte gefrustreerd. Het begon met vechtpartijen op straat. We kregen de reputatie van ‘daar moet je geen ruzie mee krijgen’. We bekogelden auto’s met stenen, terroriseerden de buurt. Als er een reportage aan gewijd werd op televisie, waren we trots. Raddraaiers waren we. En mijn ouders waren er niet om me terug te fluiten.”

Er kwam een kentering. Zelf denkt Jeftha dat het te maken heeft met de organisatie Waspada, dat gevestigd zat in „een mysterieus gebouw” aan de rand van Vaassen. „Mijn ouders gingen naar Waspada. En de ouders van vriendjes die verslaafd waren. Meer dan dat wist ik niet als kind. Wat daar gebeurde, was taboe. En over drugs werd al helemaal niet gesproken.”

Waspada – het betekent ‘alert zijn’ – was een hulpverleningsinstantie met alles in huis om af te kicken. Van methadon tot intensieve begeleidingstrajecten. Het werd op initiatief van de Molukse gemeenschap opgericht en gerund door niet-verslaafde Molukse vrijwilligers uit het woonoord, met subsidie van de overheid. Nederlandse hulpverleningsinstanties waren te hoogdrempelig, de cultuurverschillen waren groot.

Rebelse tienerjaren

Het zegt iets over de gemeenschapszin van de Molukkers, vindt Jeftha. Zijn verslaafde ouders konden niet bij hun eigen ouders terecht, maar wel bij hun vrienden die bij Waspada werkten. „Mijn oma en opa wisten zich er geen raad mee, ze spraken er niet over. Hun eigen leed was groot genoeg. Ze waren een eiland gewend aan de andere kant van de wereld, en nu zaten ze hier met verslaafde kinderen. Ik neem het ze niet kwalijk. Mijn oma heeft goed voor ons gezorgd.”

Toen Jeftha in zijn rebelse tienerjaren een HALT-traject moest volgen om te voorkomen dat hij ‘op het verkeerde pad belandde’, kwam ook hij bij Waspada terecht. „Ik kreeg workshops over hoe je je agressie in toom kunt houden. We bezochten een keer een gevangenis. Dat maakte wel indruk. Daar wilde ik niet terechtkomen.”

Jeftha zag in zijn kindertijd in Vaassen de harde onderkant van de samenleving voorbijkomen. Toch liet hij zich, op de rebelse jaren na, niet in die wereld meezuigen. Misschien omdat hij al zijn hele leven boeken las, hij wist dat er andere werelden bestonden. Of omdat broers van zijn moeder hem waarschuwden voor de gevolgen van drugs dealen.

Hij ging Communicatiemanagement studeren in Amsterdam, maakte carrière in de modewereld en werkt nu mee in het modebedrijf van zijn vriendin. Hij is bezig met een verhalenbundel over zijn jeugd in Vaassen.

In 2011 ging hij voor het eerst naar de Molukken. Prachtig vond het hij, al zou hij er niet kunnen wonen. Hij voelt zich thuis in Nederland, maar realiseerde zich des te meer dat aarden generaties kan duren. „Vooral door de manier waarop er met het Molukse volk in Nederland is omgegaan.”

Onbreekbare liefde

„Als ik terugkijk op mijn jeugd, denk ik vaak wow, ben ik daar echt onderdeel van geweest? Die tijd voelt als een parallelle wereld.” Jeftha’s ouders werden beiden nog geen 52. Afkicken was nooit gelukt. Iets wat Jeftha al op jonge leeftijd voorzag. Ondanks hun verslaving brak hij nooit met hen. „Ik voel een onbreekbare liefde voor hen. Bovendien is in de Molukse cultuur de verbondenheid heel sterk, dat blijft altijd”, legt Jeftha uit. „Het masohi-en muhabbat-gevoel noemen wij dat, wat betekent dat we voor elkaar zorgen en elkaar liefhebben. Dat is iets in mijn cultuur waar ik heel trots op ben. Waarden die we in deze westerse maatschappij nodig hebben. Waar we van kunnen leren.”

Een jaar geleden zat Jeftha foto’s te kijken uit zijn kindertijd. Op één foto staan een paar oude vrienden van zijn vader. Opeens valt Jeftha iets op dat hij niet eerder zag. Enkele vrienden poseren met professionele camera- en geluidsapparatuur. Vagelijk herinnert hij zich dat hij als kind die mannen ook in het woonoord heeft zien rondlopen met hun apparatuur. Als hij gaat zoeken, stuit hij al snel op een videogroep van ongeveer vijftien man die deel uitmaakte van Waspada. Zeventien jaar lang filmden de mannen het wel en wee in de gesloten Molukse gemeenschap in Vaassen. Veelal door middel van interviews die als reflectie dienden voor therapieën.

Jeftha spoort de filmgroep op en komt uiteindelijk terecht bij een man die de banden op zolder blijkt te hebben. Jeftha: „Dit is een schatkamer, dacht ik toen ik al die videobanden zag. Echt een vondst.” Jeftha heeft nog niet alles kunnen zien, slechts een deel is al gedigitaliseerd, maar hij weet nu al: „Deze video’s vertellen de verhalen die nooit eerder verteld zijn. Sla de Nederlandse geschiedenisboeken maar eens open. Afgezien van de treinkaping is er bijna niks geschreven over de Molukkers. Er is nauwelijks iets bekend over de manier waarop wij hier al die jaren leefden. Afgesloten van de rest. En misschien zal ik, als alles gedigitaliseerd is, zelfs het verhaal van mijn ouders nog kunnen horen.”