Column

Grote oren

Ze is een ram, net als mijn moeder. Ze schrijft boeken, net als ik. Haar zoon heet Raul. En de hond waarmee ze opgroeide, had dezelfde naam als de hond uit wiens naam ik in 2012 naar Marseille liep: Puck.

Ik ontmoet haar op Leiden Centraal, terwijl het buiten regent en dondert en stormt. Ze zou van alles kunnen zijn: Creools, Chinees, Hindostaans, of Indiaans. Ze is het allemaal. Ze lacht, de komende vier uur zal ik zien: dat doet ze altijd. Ze heet Rita Dulci Rahman, is een nazaat van de familie met wie mijn Surinaamse familie 117 jaar geleden een plantage kocht. En alles aan haar blijkt mooi en verrassend en interessant.

Ze was de zus van Leslie Rahman en de vrouw van Bram Behr, twee van de vijftien mannen die op 8 en 9 december 1982 in Suriname werden vermoord. Rita was een van de mensen die er achttien jaar later voor zorgden dat een gerechtelijk vooronderzoek begon, een maand voordat de zaak zou verjaren.

De afgelopen dertig jaar werkte ze voor ontwikkelingsorganisaties en de Nederlandse overheid. In Griekenland, Namibië, Bangladesh, Malta, Tunesië en de Dominicaanse Republiek. Meestal als enige vertegenwoordiger met een kleurtje. „There’s still hope for Europe!” lachten de mensen die haar van het vliegveld haalden vaak. En in een Indonesisch dorp werd ze onder haar balkon begroet door driehonderd gehurkte dorpelingen. Ze riepen: „Suriname! Suriname! Suriname!”

Ze zit vol mooie verhalen, bijvoorbeeld over wat een Afrikaanse man haar zei, na afloop van een conferentie van Europese ontwikkelingsorganisaties in Zambia. „Wat wil uw regering van ons?” vroeg hij. Rita antwoordde: „Ze willen beter naar u luisteren.” Waarop hij precies verwoordde wat er niet klopt aan hoe het Westen omgaat met de wereld: „Al die jaren hebben we hier naar u geluisterd, onze oren werden groter en groter en onze mond werd zo klein dat die verdween. Terwijl jullie zoveel praatten, dat jullie oren eraf vielen. Dus hier zijn we: u met uw grote mond, zonder oren, wij met onze grote oren zonder mond. Dit vraagt om een enorme chirurgische ingreep! Bent u werkelijk bereid om deze pijnlijke operatie te ondergaan?”

In haar vrije tijd schrijft ze boeken, artikelen en filmscripts. Momenteel over het regenwoud van Suriname. Ze zegt: „Het best geconserveerde stukje regenwoud van het Amazonebekken. Een gebied dat steeds belangrijker wordt voor het voorbestaan van onze planeet.”

En oja, de plantage. Dit is wat zij weet: de plantage werd in de zeventiende eeuw gesticht door Nederlanders. Na de afschaffing van de slavernij gaven de planters de grond terug aan de gouverneur. Een kleine gemeenschap indianen die er voor de planters gewoond had, keerde terug. En in 1898 kregen onze families een stuk van de plantage in hun bezit.

Net als ik weet Rita dat er op de plantage ‘iets’ is gebeurd. Zij denkt dat het te maken had met het kerstenen van haar overgrootmoeder, een volbloed Indiaan: in 1906 verliet zij de plantage en haar man, en nam haar kinderen mee.

In 1965 is Rita’s vader er nog geweest. Het land was overwoekerd. Maar hij kwam terug met koffiebonen en vruchten, de planten die onze voorouders hadden geplant, groeiden er nog.