Wij brengen lucht in donkere dagen

Zes cartoonisten praten over hun vak en over terreur, sinds dit jaar nauwer dan ooit verbonden.

Van linksboven met de klok mee: Joep Bertrams, Peter van Straaten, Stefan Verwey, Jos Collignon, Len Munnik, Siegfried Woldhek Foto: Bastiaan Heus

Er zit voor meer dan tweehonderd jaar tekenervaring aan tafel. Peter van Straaten (80), Len Munnik (70), Stefan Verwey (69), Joep Bertrams (69), Jos Collignon (65) en Siegfried Woldhek (64). Stuk voor stuk zijn het mannen met een lange, imponerende loopbaan, opgetrokken uit grafiet. Maar wat tijdens het uitvoerige gesprek het meeste opvalt, is het volstrekt ontbreken van animositeit. De complimenten rollen rijkelijk naar alle hoeken van de tafel. „Wat had jij weer een mooie prent vorige week.” Tekenaars zijn vooral bewonderaars van elkaar, en zeker geen concurrent. „Wij zijn geen bedreiging voor elkaar”, zegt Joep Bertrams (van onder meer De Groene Amsterdammer). „Je wordt ingehuurd door de krant omdat ze jouw toon willen. Die is uniek. Daardoor hebben we allemaal onze eigen plek.”

Juist omdat de cartoonisten zo vriendelijk zijn, was het zo onbegrijpelijk dat het ongekende geweld van moslimterroristen zich op die woensdag de zevende januari van dit jaar uitgerekend tegen tekenaars richtte. Ze weten alle zes nog precies hoe ze over de aanslag op Charlie Hebdo hoorden. Stefan Verwey (De Volkskrant) begon direct te bellen. „Ik probeerde mijn vriend Bernard Holtrop (‘Willem’, tekenaar van Charlie Hebdo) te bereiken. Hij zat gelukkig nog in de trein. Bij de aanslag op Charlie Hebdo was ik twee keer verbijsterd. Allereerst door de gebeurtenis zelf. Daarna door mensen die serieus beweerden: ‘Ze hebben het er ook wel zelf naar gemaakt.’ Dan zei ik: ‘O ja? Ze hebben ook politieagenten neergemaaid. Hebben die het er dan ook zelf naar gemaakt?’ Woedend werd ik daarvan. Mensen die nog nooit een Charlie Hebdo hadden opengeslagen!” 

Voelde het voor jullie als cartoonisten ook als een persoonlijke aanslag?

Ze schudden allemaal nadrukkelijk ‘nee’. Stefan Verwey: „Die Charlie-tekenaars werken vanuit een totaal andere traditie dan bij ons, met een andersoortige felheid. Ze hekelden zowel links als rechts.” Het lukte Verwey niet om een tekening over de aanslag zelf te maken. „Dat zou een keiharde tekening geweest zijn. Zoiets past niet bij mij.”

Joep Bertrams ging wel direct nadat hij over de aanslag hoorde aan het werk. „Het zijn collega’s; je voelt je verplicht er iets mee te doen.” Hij maakte een tekening van een onthoofde cartoonist die vanuit zijn nek nog zijn tong uitsteekt tegen een terrorist. „Juist omdat het Charlie Hebdo was vond ik het makkelijker om te tekenen. In andere gevallen zou ik gedacht hebben: ‘Is dit niet te hard?’. Maar dit paste geheel in hun eigen stijl.”

Stefan Verwey: „Zo hard vond ik ’m niet, hoor.”

Joep Bertrams: „Sommigen namen er aanstoot aan. Maar ik wist dat dit kon.”

Peter van Straaten heeft bijna veertig jaar politieke prenten getekend, onder meer voor Vrij Nederland, maar is daar sinds een jaar mee opgehouden. Hij was in het geval van Charlie Hebdo erg blij dat hij niet hoefde. „Dit soort gebeurtenissen zijn voor een cartoonist zo verschrikkelijk moeilijk. Ik zoek toch altijd naar de lach, neem graag mensen in de maling. Met Charlie Hebdo of de moord op Theo van Gogh weet ik me geen raad. Ik kwam niet verder dan het tekenen van een paar stomme potloodjes.”

Jos Collignon, cartoonist van De Volkskrant: „Het knappe was dat Charlie Hebdo na de laatste aanslagen in Parijs, op 13 november, zelf wél met iets kwam. Ze gebruikten een oude strip-truc: je giet ergens iets in en het spuit er aan alle kanten uit. Met als onderschrift: ‘zij hebben de wapens, wij de champagne’.”

Siegfried Woldhek, van NRC Handelsblad: „Als je een tekening maakt over moslimextremisme dan is de vraag: voor wie maak je die nou? Om de lezers van je krant te plezieren en nog ’ns te bevestigen in hun verontwaardiging of hun gelijk? Maak je ’m voor die extremisten? De kans dat ze je werk zien is door de social media groter dan ooit. Of maak je je werk vooral voor onze leiders?”

Joep Bertrams: „Ik maak ’m voor mezelf. Al is het wel leuk als wat je zégt ook gehóórd wordt. Wij zijn waakhonden; het zit in onze natuur om aan te slaan als er onraad is.”

Grote gebeurtenissen zoals de aanslagen in Parijs zijn voor tekenaars ronduit onaantrekkelijk, zegt Jos Collignon. „Je begint bij dit soort grote dingen toch met een van-dik-hout-zaagt-men-planken-tekening, die uitschreeuwt: ‘erg hè?’. Dat willen de mensen op zo’n dag ook zien. Leg het er vooral duimendik bovenop. Daar heb ik een hekel aan. Ook omdat het geen enkel intellectueel niveau heeft.”

Maar toch kan een tekenaar er niet om heen, zeggen ze in koor. „Je moet wel”, zegt Len Munnik van Trouw. „Je probeert je eigen visie erop te geven. Het fijne van grote gebeurtenissen is wel dat je wat groter kunt tekenen. Grover, met minder lijnen. Want iedereen begrijpt direct waar je het over hebt.”

Siegfried Woldhek: „Ik teken meestal portretten. Koppen. En de moslimterrorist heeft geen herkenbaar gezicht. Voor mij is dat erg lastig. Je hebt niet één duidelijk Gezicht van het Kwaad, zoals met Hitler. Ik heb dus na de aanslagen van november een IS-man getekend met blauwe ogen, voor de vervreemding.” Woldhek heeft de tekening meegenomen. Zijn collega’s laten ’m bewonderend door hun handen gaan. „Mooi, man!”

Stefan Verwey: „Dat vond ik na de moord op Van Gogh zo hinderlijk. Steeds maar weer diezelfde idiote vraag: ‘durft u de Profeet nog wel te tekenen?’. Dat is zo makkelijk scoren van journalisten.”

Len Munnik: „Nou ja, als het in een tekening past…. Waarom niet? Toen het mij uitkwam heb ik het gewoon gedaan.”

Joep Bertrams: „O ja? Hoe tekende je hem dan?”

Len Munnik: „Ik wilde de controverse tussen de oprechte moslims en IS naast elkaar zetten. Toen heb ik de Grote Barmhartige op een wit paard door de woestijn laten rijden, terwijl hij wordt ingehaald door een zwarte IS-Jeep. Met als enige onderschrift: ‘De Barmhartige’.”

Siegfried Woldhek: „Wel een mooi beeld.”

Len Munnik: „Ik heb er helemaal niets over gehoord.”

Peter van Straaten: „Dat heb ik altijd zo raar gevonden aan de opwinding over die Deense cartoons. Je ziet een Arabier met een baard, met een bom in zijn tulband. Er staat nergens: ‘Dit is de Profeet’. Hoe komen ze er dan bij dat het Mohammed is?”

Len Munnik: „Jos, jij hebt toen toch ook Mohammed getekend?”

Jos Collignon: „Beetje laffe tekening was dat. ‘Durft u Mohammed nog te tekenen’. Ja hoor. Tekende ik een pizzabezorger die Mohammed heette.”

Siegfried Woldhek: „Ik heb me het meest gestoord aan wat ik allemaal voor onzin op televisie voorbij zag komen. Al die verzetsstrijders die nog steeds durfden. Dieptepunt was een uitzending van Jinek, waar (burgemeester van Hilversum) Pieter Broertjes te gast was. Die was echt door het oog van de naald gekropen. Want Charlie Hebdo was een krant. En hij was tot voor kort, een paar jaar geleden nog maar, hoofdredacteur van De Volkskrant geweest. Moet je nagaan! Nou, dan komt het opeens wel héél dichtbij!” Aan alle kanten van de tafel wordt hard geschaterd.

Of ze de vermoorde tekenaars van Charlie Hebdo ook persoonlijk kenden? Stefan Verwey kende Georges Wolinski. „Oppervlakkig, hoor. Maar ik vond het een aardige kerel.” Joep Bertrams had weleens contact met Philippe Honoré. „Erg leuke man, die alleen wel heel snel Frans praatte. De helft van zijn grappen kon ik niet volgen.” En Jos Collignon bezocht in de jaren tachtig een redactievergadering van Charlie Hebdo. „Wolinski was er toen bij, en Cabu. Cabu was de reden dat ik Charlie Hebdo kocht. Die man kon zo fantastisch tekenen. En ook nog razendsnel. Hij hield het allemaal heel slordig en rechtstreeks.” Met een hoofdknik naar Van Straaten: „Dat heeft Peter ook een beetje. Die mannen kunnen zo goed tekenen dat het ook in razend tempo nog mooi blijft. De tekenaars van Charlie Hebdo waren bijna allemaal kerels die Parijs ’68 hadden meegemaakt. De sfeer van protest, barricades en revolutie hebben ze onderling gecultiveerd en behouden tot 7 januari 2015. Dat maakte ze in sommige kringen zo gehaat. Want ze bleven gewoon tekenen over Mohammed.”

Joep Bertrams: „Niet alleen Mohammed. Ze hekelden religie in het algemeen. Ze hadden geen specifieke focus.”

Jeuken jullie handen na zulke aanslagen als die in Parijs, of verlamt zoiets juist?

Peter van Straaten: „Ik vind zo’n gebeurtenis te gruwelijk. Daar kan ik niks mee. Het is gewoon te groot voor een tekening.”

Jos Collignon: „Nee, ik vind zoiets niet te groot voor een tekening. Je moet alleen net zo lang doorploeteren tot je de lach bereikt. Proberen gebalde vuisten en geheven pennetjes te vermijden, want die tekent iedereen al. Bij de laatste aanslagen had ik dat liedje in mijn hoofd.” Zingzeggend: „Paris, reine du monde. Paris, c’est une blonde. Die tekst heb ik uitgeschreven, met daarboven een blauw oog en een rood oog waar een traan uitkwam. Het mooie blondje dat nu treurt. Ik was er redelijk tevreden over. Ik kreeg wel een brief van een lerares Frans. ‘Ik heb uw tekening aan allerlei collega’s laten zien. Die tekst snapten we wel, maar die tekening niet. Zou u die kunnen uitleggen?’ Ik antwoordde dat ik in elk geval geprobeerd had om platitudes te vermijden.”

Siegfried Woldhek: „Het blijft enorm lastig. Wat kun je als tekenaar nou met zoiets verschrikkelijks? Wil je blijk geven van je afschuw? Wil je een inzicht laten zien? Na de aanslagen in Parijs kwam Jean Jullien met dat schitterende V-tekentje in die Eiffeltoren.”

Len Munnik: „Ja! Geweldig!”

Joep Bertrams: „Indrukwekkend. Prachtig dingetje. Zo simpel.”

Jos Collignon: „En nog dezelfde dag, he. Man, wat was ik jaloers!”

Siegfried Woldhek: „Dát is dus waar het om gaat. Iets maken wat mensen raakt.”

Stefan Verwey: „Daar komt ook beroepsdeformatie bij. Dat je denkt: ‘en nou zal ik ze ’ns even wat laten zien!’ En dan zo blij zijn als het gelukt is. Tegelijkertijd schaam je je ervoor. Dat je erin slaagt om als tekenaar je punt te maken is je vakmanschap. Maar verander je er ook iets mee? We denken zelf vaak van wel. Maar dat is natuurlijk onzin.”

Jos Collignon: „Voor mij telt dat wel. De enige reden dat ik dit werk doe, is dat je daarmee meedoet in de algehele opinievorming. Hoe sterk je invloed is, weet je niet. Maar ik zou nooit tekenaar zijn geworden als ik me niet ergens mee kon bemoeien. Juist daarom teken ik. Als dat er niet zou zijn zou ik geen potlood op papier zetten. Joep is een echte tekenaar. Die gaat ’s avonds na een lange dag werken nog heerlijk op z’n kamer een uurtje zitten tekenen. Die behoefte heb ik totaal niet.”

Joep Bertrams: „Ik weet niet of ik echt iets te melden heb, maar ik probeer het toch ook. Ik wil vooral een beetje lucht in alle zwaarte brengen. Voor mezelf, en in de hoop dat lezers dat ook zo voelen. Zo zie ik onze rol: wij zijn luchtbrengers in donkere dagen.”

Wat heeft de aanslag op Charlie Hebdo voor invloed gehad op jullie zelf?

Joep Bertrams: „Eigenlijk heel weinig. Wat ik wel merk is dat je omgeving wat nerveus wordt. Je kinderen die zeggen: ‘pap, doe je voorzichtig?’.”

Jos Collignon: „Wat dat betreft is ons vak sinds die Deense cartoon-rellen wel op de kaart gezet. Dat is versterkt door Charlie Hebdo. Nu realiseren krantenredacties zich dat het van belang is wat voor tekenaars je in huis hebt. Tekenaars hebben jarenlang helemaal onderaan de journalistieke pikorde gestaan.”

Stefan Verwey: „Toch hebben heel veel politici tekeningen van ons aan de muur hangen.”

Jos Collignon: „Dat is natuurlijk ook pure ijdeltuiterij.”

Peter van Straaten: „Ik weet dat Ed Nijpels veel tekeningen van mij verzameld heeft.”

Joep Bertrams: „Die kocht ze?”

Peter van Straaten: „Nee, ik gaf ze.”

Stefan Verwey: „Och jongen toch…”

Jos Collignon: „Maar tekeningen aan de muur, daar weet jij ook wat van, Joep. In Libië stonden tijdens de revolutie joelende volksmassa’s naar een tekening van jou te kijken.”

Joep Bertrams: „Ja, dat was leuk. Tripoli was net bevrijd. Heel veel mensen stonden voor een muur met cartoons. Daar hing ook een tekening van mij bij. Want via social media gaat je werk meteen de hele wereld over. Dat is wel heel bijzonder. Dan zie je opeens dat jouw tekening tijdens een demonstratie in Istanbul op een bord wordt meegedragen...”

Len Munnik: „Ik vond het destijds fantastisch dat iedereen bij die vredesdemonstraties met mijn tekening liep. Echt geweldig. Maar soms verzuip je in je eigen ijdelheid. Ik weet nog dat ik voor het Leidse studentenblad Mare tekende. In de trein zat een vrouw tegenover mij de Mare te lezen. Toen ze bij mijn tekening kwam, probeerde ik nog tegen mezelf te zeggen: ‘Len, hou je kop’, maar voor ik het wist riep ik: ‘Dat heb ik getekend’. Waarop die vrouw zei: ‘Ach ja, je moet toch wát...’ Ik kreeg zo’n kop!”

Peter van Straaten: „Ik teken vooral voor mezelf. Maar je publicéért voor een ander. Dat zijn echt twee verschillende dingen. Alhoewel ze soms samenvloeien: een goede tekening wil je toch graag laten zien.”

Joep Bertrams: „Maar als je werk niet gepubliceerd zou worden, zou je dan tekenen?”

Peter van Straaten: „Ik zou nooit een politieke prent tekenen die niet gepubliceerd werd. Maar ik zou wel andere tekeningen maken.”

Zijn jullie weleens bedreigd na een tekening?

Peter van Straaten: „Ik heb één keer een doodsbedreiging gehad. Na een tekening van een jongen met een crucifix in zijn anus. Ik was niet bang, maar ik heb toen wel mijn naambordje bij de voordeur weggehaald.”

Jos Collignon: „Ik heb eigenlijk maar van twee groepen last: van moslims en van Israël-fanaten. En dan vooral van die laatste groep. Israël wordt in mijn ogen geregeerd door een onzalig verbond van rechtse houwdegens en godsdienstfanaten. Zodra ik daarover teken wordt op sociale media direct de boodschap gelanceerd dat ik een antisemiet ben. Vooral vanuit de hoek van Westbank-plaatsen waar veel Nederlanders zitten. We kennen uit Rusland het fenomeen van trollen die op het internet actief zijn. Trollen zijn in Rusland in overheidsdienst. Ze zijn de Nederlandse taal goed machtig en proberen op Facebook en Twitter alle discussies over Rusland te beïnvloeden. Ik merk dat Israël ook dat soort trollen heeft. Niet gestuurd vanuit de overheid, het zijn kolonisten die het Nederlands perfect beheersen. Daarnaast heb ik op Facebook dus ook bedreigingen gehad vanuit de moslimhoek. Uiteindelijk dacht ik: wat moet je als tekenaar nou met die onderwerpen? Totdat ik ontdekte dat je ze het beste allebei tegelijk bij de kop kunt pakken. Ik heb een tekening gemaakt van een auto die op de snelweg rijdt. Op de ene stoel zit een traditionele jood, met hoed en krullen. Zo één waarvan de krant liever niet heeft dat ik ze zo teken. Daarnaast zit een moslim, met een lange baard. Ze rijden keihard. Ze hebben alleen geen voorruit. Daardoor waaien hun haren en baarden alle kanten op. De moslim zegt: ‘God wil ons zonder voorruit’. En de jood zegt: ‘Nee, zonder voorhúid!’. Als ik alleen een jood had getekend was de wereld te klein geweest. Nu kreeg ik niet één klacht!”

Siegfried Woldhek: „Ik ben nooit bedreigd. Na een Poetin-tekening kreeg ik ook een mail van zo’n trolachtige figuur. Die legde mij uit hoe het wel zat, en dat Poetin een zegen voor Rusland was. Ik heb alleen met mijn allereerste tekening voor de NRC gedoe gehad, in 1980. Ik tekende Beatrix die nogal kittig op de troon zat, met die benen die ze ook echt hééft. Op de achtergrond verdwijnt Juliana zwaaiend, met een lijntje dat achter de troon blijft hangen, waar kennelijk nog een hondje aan vastzit. Wat denk je? Tweehonderd opzeggingen, een drol in een schoenendoos en scheldbrieven. ‘Hoe durft iemand zich na de oorlog überhaupt nog ‘Siegfried’ te noemen’?”

Kun je als tekenaar over alles tekenen? We hebben nu ‘Parijs’ gehad, maar stel dat we over een tijdje ook over ‘Amsterdam’ moeten spreken. Is dat dan toch een onderwerp voor een cartoon?

Jos Collignon: „Het blijft satire. En het mooie aan satire is: als het linksom niet gaat, dan ga je rechtsom. En anders er onderdoor of er overheen. Het is gewoon je plicht een manier te vinden om erover te tekenen. Als je lang genoeg nadenkt vind je wel een vorm. Dat is nou net wat het vak zo spannend maakt. Dingen die niet gezegd mogen worden toch zeggen. Op een manier die de lezer begrijpt. Als dát je lukt ben je in je vak geslaagd.”

Joep Bertrams: „Turkse of Egyptische tekenaars doen niet anders. Die maken dagelijks een politieke tekening, met een boodschap die iedereen begrijpt, zonder dat ze ervoor te pakken zijn.”

Siegfried Woldhek: „Uiteindelijk heeft een tekenaar maar één opdracht: de koning erop wijzen dat-ie minder kleren aanheeft dan hij zelf denkt.”

Durven jullie nog alles te tekenen?

Joep Bertrams: „Zeker. Ik teken geen Mohammed, nee. Maar dat deed ik voor die tijd ook al niet.”

Siegfried Woldhek: „Het ongerichte schelden van Charlie Hebdo en Theo van Gogh, die puberachtige lol, moet je liggen. Volgens mij ligt geen van ons dat. Als je permanent bezig bent om mensen voor de schenen te schoppen loop je risico. In Engeland hebben ze jarenlang het koningshuis te pakken genomen, zoals bij ons alleen Hans Teeuwen dat gedaan heeft, met dat anaal nemen van Beatrix op de Dam. De vraag is alleen: waarom zou je dat doen?”

Stefan Verwey: „Religies vind ik wat anders dan mensen die echt bestaan.”

Siegfried Woldhek: „Jawel, maar we hadden het over taboes. Als ik die tekeningen zag moest ik er wel om lachen, maar ik dacht ook: waarom zou je dat nou tekenen? Prins Philip die prinses Ann bestijgt, die verdacht veel weg heeft van een paard, en zegt: ‘I must close my eyes and think of England’.

Is er uit de gevolgen van zo’n verschrikkelijke gebeurtenis als op 7 januari nou ook nog iets goeds te destilleren?

Joep Bertrams: „Ik zou niet weten wat. Ik heb voor die tekening de Inktspotprijs gekregen. Dat vond ik hoogst ongemakkelijk. Zoiets wil je toch niet? ‘Waar heb je ’m voor gekregen?’ Voor een tekening over de moord op m’n collega’s. ‘Nou, gefeliciteerd, hè.’”

Jos Collignon: „Dat vind ik nou gelul. Wat is er nou beter dan over zo’n onderwerp een goede tekening te maken die zo breed gewaardeerd wordt.”

Joep Bertrams: „Die waardering is prima. Maar een prijs...”

Jos Collignon: „Een prijs is waardering voor je vakmanschap. Dat is toch de essentie van wat wij doen? Wij geven een vrolijke draai aan een verschrikkelijke werkelijkheid.”