VVD snakt naar einde ‘klote jaar’

Door de aaneenrijging van incidenten was 2015 voor de VVD een absoluut rampjaar. VVD’ers zijn doorgaans optimisten, geen zwartkijkers. Hierin ligt volgens henzelf ook een deel van de verklaring: VVD’ers neigen tot nonchalance en tot wegwuiven.

Deel van VVD-fractie, woensdag tijdens het Tweede Kamerdebat over het rapport van de commissie-Oosting over de afhandeling van de Teevendeal.

Iedereen kent de Wet van Murphy: als iets mis kan gaan, dan gaat het ook mis. „Maar ken je ook de Wet van de VVD?” vraagt Ed Nijpels. „Die luidt: ‘Murphy is een optimist’.”

De oud-VVD-leider brengt het met een grap, maar zijn boodschap is niet om te lachen: 2015 was een rampjaar voor zijn partij. De VVD werd door een enorme hoeveelheid tegenvallers geteisterd. Twee bewindslieden (Opstelten, Teeven) en de Tweede Kamervoorzitter (Van Miltenburg) die moesten opstappen. Twee fractieleden (Verheijen, Leegte) die het veld ruimden wegens onterechte declaraties en een onvermelde nevenfunctie. Nieuwe bewindslieden (Van der Steur, Dijkhoff) die meteen alweer beschadigd zijn door de ‘Teevendeal’ met drugscrimineel Cees H. De fractieleider in de Eerste Kamer (Loek Hermans) die weg moest wegens wanbestuur als toezichthouder in de zorg.

Ho, stop, we zijn er nog niet. Een premier die opnieuw een verkiezingsbelofte brak: geen geld meer naar Griekenland. Peilingen die steeds slechter werden. Minder zichtbaar, maar ook vervelend: de Tweede Kamer die VVD-minister Kamp (Economische Zaken) herhaaldelijk tot een ander energiebeleid dwong en de hoogste bestuursrechter die zijn gasbesluit over Groningen vernietigde.

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de vluchtelingencrisis, het belangrijkste politieke onderwerp van dit jaar. In dat debat verloor de VVD het initiatief aan Geert Wilders met zijn retoriek van ‘grenzen dicht’ – ondanks plannen voor opvang in de regio en sobere voorzieningen voor asielzoekers. Het slotstuk: een motie van afkeuring tegen het kabinet, gesteund door de hele oppositie, over de afhandeling van de Teevendeal.

‘Zo is de politieke cyclus’

Hoe kan de grootste regeringspartij in zo’n korte tijd zoveel rampspoed over zich heen krijgen? VVD’ers aan het Binnenhof willen best praten over dit ‘klotejaar’, zoals eentje het noemt, maar liever niet met naam en toenaam. Ook komen ze eerst met sussende woorden. „Het was een onwaarschijnlijke samenloop van incidenten”. „Onze hervormingsagenda stuit nu eenmaal op weerstand”. „Zo is de politieke cyclus, eens in de zoveel jaar overkomt een partij dit”.

Europarlementariër Hans van Baalen zegt het zo: „Ja, Mark Rutte moet in de spiegel kijken, maar het is ook allemaal geen ramp. Uiteindelijk heeft hij het land door een moeilijk jaar met grote crises geloodst”. Ter verklaring van de tegenspoed wijst Van Baalen op de „verschuivende normen” voor bestuurders, en „de snelheid van het internet”.

Als je even doorvraagt, willen VVD’ers wel toegeven dat ze de ellende ook aan zichzelf te wijten hebben – in ieder geval deels. En komen ze met drie verklaringen aanzetten – die ook weer met elkaar te maken hebben.

Drie verklaringen

De eerste verklaring ligt in het karakter van de VVD’er. Liberalen zijn doorgaans positieve, opgewekte mensen. Ze torsen niet het leed van wereld op hun schouders of wentelen zich niet eindeloos in de eigen nederlaag, zoals PvdA’ers gewend zijn. „We zij nu eenmaal geen zwartkijkers of beroepspessimisten”, zegt Ed Nijpels. „Aan het eind van de dag drinken we een biertje en proberen we alle ellende te vergeten.”

Dat is prettig voor de politiek: met VVD’ers doe je makkelijk zaken en ze dragen je weinig na. Maar het kan ook leiden tot nonchalance en gebrek aan scherpte. Bij vrijwel alle affaires van dit jaar was de eerste reactie: ‘het valt wel mee’. In tweede instantie bleek het helemaal niet mee te vallen. Zo is het beeld ontstaan van een partij die alles wegwuift – en dat is niet geheel onterecht, zeggen VVD’ers.

Neem de kwestie rond Tweede Kamerlid Mark Verheijen. Toen hij in februari in het nieuws kwam over onterechte declaraties in zijn tijd als gedeputeerde in Limburg, was de eerste reactie van de VVD-top niet: dat gaan we zelf nog eens goed uitzoeken. Er werd meteen teruggeduwd. Premier Rutte en fractieleider Zijlstra spraken van „kleine, dunne feitjes” en een „opgeblazen” verhaal. Twee weken later concludeerde een overhaast ingeschakelde partijcommissie dat Verheijen wel degelijk de integriteitsregels van de partij geschonden had. Hoewel Verheijen uiteindelijk niet wordt vervolgd, bleef de indruk hangen: de VVD praat gesjoemel goed. Stom, vonden ze in de partij zelf ook na afloop.

De euforie van 2010

Die neiging tot wegwuiven lijkt alleen maar groter geworden door wat sommigen VVD’ers ‘de euforie van 2010’ noemen – verklaring nummer twee. In dat jaar werd de VVD voor het eerst de grootste partij van Nederland en trad Rutte aan als eerste liberalere premier sinds 1919. En met succes. Dat zorgde voor een „explosie van eigenwaarde”, zoals een VVD’er het omschrijft. Kijk ons eens lekker bezig zijn! Die stemming werd versterkt toen de kiezers de VVD bij de verkiezingen van 2012 nog eens tien zetels cadeau gaven. „De hele partij was ervan doordrongen, van hoog tot laag”, zegt een ingewijde. „Als je zoveel succes hebt, dan gá je ook op de banken staan.”

Vrij snel na de verkiezingszege van 2012 volgde de ontnuchtering, toen de achterban in opstand kwam tegen de inkomensafhankelijke zorgpolis. Er volgde nog meer tegenslagen, er was gedoe in de partij, de peilingen waren niet al te best. Toch bleef diep van binnen het gevoel: wij komen hier wel mee weg. Zeker toen de VVD bij de Provinciale Statenverkiezingen van maart dit jaar, ondanks een rampzalige campagne en twee aftredende bewindslieden, toch weer als grootste partij uit de bus kwam.

Ruttes loyaliteit als probleem

Let op, zeggen VVD’ers: dat gevoel van onoverwinnelijkheid moet je niet verwarren met ‘we run this country’. Die slogan staat symbool voor de manier waarop het CDA decennialang als machtspartij opereerde: het pluche komt ons vanzelfsprekend toe. Nee, het was eerder een soort roes: wie had ooit gedacht dat wij de belangrijkste partij van Nederland zouden worden – en blijven?

De enige die zich niet laat meeslepen door die euforie, is Rutte zelf. De premier en VVD-leider blijft altijd kalm en hecht niet aan status en decorum. Maar hij wordt wel in toenemende mate in de weg gezeten door een andere karaktereigenschap: zijn extreem sterke loyaliteitsgevoel – verklaring nummer drie.

Op zich valt die eigenschap te prijzen, zeggen VVD’ers: als je Ruttes vertrouwen hebt, raak je dat niet snel meer kwijt. Maar in het geval van Ivo Opstelten is Rutte té loyaal geweest. Hij durfde niet rücksichtlos afscheid te nemen van zijn minister van Veiligheid en Justitie, ook al was de VVD-top tot de conclusie gekomen dat hij beter weg kon. Was Opstelten eerder aan de kant gezet, dan was er een hoop schade voorkomen bij de Teevendeal. „Loyaal zijn in de politiek is mooi”, zegt oud-leider Ed Nijpels. „Maar je moet ook zakelijke afwegingen maken.”

Diezelfde nadruk op loyaliteit speelde een rol bij Ruttes hardnekkige verdediging van Fred Teeven zelf. Het leidde tot de „ongelooflijke stommiteit” (Ruttes woorden) om vorige week eerst in de aanval te gaan in plaats van deemoedig de harde conclusies van het rapport-Oosting te omarmen – zoals hij tijdens het Kamerdebat alsnog deed.

Meer interne tegenspraak

Dat moet anders, vinden ze in de partij. Maar hoe? Die onvoorwaardelijke loyaliteit vormt ook de hoeksteen van Ruttes leiderschap. Er zal in ieder geval meer interne tegenspraak moeten komen. Sommige VVD’ers hebben hun hoop gevestigd op oud-minister en oud-burgemeester Annemarie Jorritsma, die als opvolger van Loek Hermans in de Eerste Kamer nu deel uitmaakt van het ‘kernteam’ van de partij.

„Ze heeft er het karakter voor”, zegt een VVD’er. Afgelopen week nam Jorritsma vast een voorschot op die rol, toen ze ervoor pleitte om het ministerie van Veiligheid en Justitie, een VVD-bolwerk, te ontmantelen door de politieke aansturing van de de politie er weg te halen.

Anderen vinden dat Rutte tegenspraak zou moeten organiseren bij slimme denkers en bestuurders van buiten, zoals oud-VVD-leider Frits Bolkestein deed.

Ze vragen zich wel af of hij daar tijd voor heeft en überhaupt de behoefte. „Rutte is veel ongeduriger dan Bolkestein.” Hoe nu verder met de VVD?

Er zijn ook lichtpuntjes in deze moeilijke tijden, zeggen ze in de partij. Van onenigheid over de koers, zoals bij coalitiepartner PvdA, is geen sprake. Van nare, persoonlijke ruzies – zoals onder Ed Nijpels in de jaren tachtig of tijdens de strijd van Rutte tegen Verdonk – ook niet. Wel blijft de relatie tussen Rutte en Zijlstra gespannen. Tot twee keer toe verzette de fractieleider zich dit jaar tegen de concessies van de premier: eerst in de coalitiecrisis over ‘bed, bad, brood’ (april), later in Europa over het derde steunpakket voor Griekenland.

Met name het laatste – de zoveelste gebroken verkiezingsbelofte – zorgde voor veel chagrijn in de VVD-fractie. In twee sessies van acht uur moest Zijlstra zijn Kamerleden klaar masseren voor een politieke U-bocht die hij zelf niet steunde. Erg goed voor zijn motivatie is dat niet geweest, heeft hij in kleine kring gezegd. Tijdens de ‘bed, bad, brood-crisis’ overwoog hij naar verluidt zelfs om op te stappen.

‘Laat de tijd zijn werk doen’

Vooralsnog luidt het devies bij de VVD: stug doorgaan en hopen dat de tijd zijn werk doet. De Tweede Kamerverkiezingen zijn pas over ruim een jaar: als de economie verder aantrekt – daar ziet het naar uit – en de vluchtelingencrisis enigszins onder controle komt, volgt hopelijk alsnog een beloning van de kiezer.

Rutte blijft een fenomenale campagneman en uit onderzoeken blijkt naast veel kritiek ook waardering voor de moeilijke besluiten van het kabinet (‘ze doen het toch maar onder deze omstandigheden’). „Als dit kabinet de rit uitzit”, zegt Ed Nijpels, „kan de wereld er ineens totaal anders uitzien.”