Sorry, ik woon al dertig jaar in Nederland

Reizend schrijver Lieve Joris is een Vlaamse met een harde g. Ze schreef het Groot Dictee der Nederlandse Taal, dat zaterdag wordt uitgezonden. „Goed spellen vind ik net zoiets als je kamer opruimen.”

Tekst Joke Mat Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak

Tollenaar

„Mijn vader was erg spellingsbewust, wat hij heeft overgebracht op zijn kinderen. Hij was naar een goede middelbare school geweest met Latijn en Grieks. Toen brak de oorlog uit. Hij is ambtenaar geworden, belastingontvanger, maar hij was een bijzondere ‘tollenaar’. Op zondagochtend las hij mijn moeder gedichten van Elsschot voor. Had een schilder moeite met belasting betalen, ging mijn vader zijn werk kopen. Uiteindelijk schreef hij het voorwoord van een boek over die schilder. Met de hand, een heleboel keer – hij bewaarde alle versies. Het is spijtig dat mijn vader niet meer leeft, hij had het geweldig gevonden dat zijn dochter het Groot Dictee mocht schrijven. Al zou hij vast aanmerkingen hebben gehad op de tekst.”

Van de gas gepakt

„Vlamingen zijn zich meer bewust van hun taal, misschien zijn ze daarom beter in het Dictee. Ze hebben hun taal moeten bevechten. Het Frans was lang de taal van de administratie. Mijn vader kon zich erg opwinden als een Nederlander het op tv weer had over dementíe. ‘Deméntie!’ riep hij dan. ‘Hoe kan het dat zelfs dokters in Nederland niet weten hoe je dat uitspreekt!’ De vader van mijn vader was in de Eerste Wereldoorlog ‘van de gas gepakt’, zoals ze dat noemden. Ik zag die uitdrukking laatst weer staan in een boek van Stefan Hertmans, Oorlog en terpentijn. De Duitsers deden aanvallen met gas, dat als mist de loopgraven in dreef, velen gingen eraan. ‘De officieren bleven op de achtergrond,’ zei mijn vader, ‘de infanteristen moesten naar voren. En dat waren wij, de Vlamingen.’”

Kantoor

„Mijn moeder schreef mooie brieven. Daar zaten geen fouten in. Die generatie, hè. Het werd erin gestampt. Schrijven dat kón je. Ze wilde verpleegster worden, dat mocht niet. Ze ging maar tot haar twaalfde naar school. Ze keek eeuwig op tegen mijn vader, iemand die op een kantoor zat. Zelf was ze de dochter van een molenaar. Als we allemaal in de auto zaten draaide ze zich soms naar ons om: ‘Weet je dat jullie vader een heel verstandige man is?’ Met een doekje met benzine liep ze achter hem aan om een vlekje te verwijderen voor hij naar zijn werk ging. Hij moest even opgepoetst worden om naar kantoor te gaan.”

Kousenbroek

„Thuis spraken we dialect. ‘Ich ben van Nèrpelt. Doa kom ik vandaan en zoe proat ich.’ Dan ga je naar school en spreek je ABN. ‘Op de letter’, zoals het heette: het Nederlands met een zachte g zoals het in Vlaanderen op radio en tv wordt gesproken. Sinds mijn 22ste woon ik in Nederland, waar ik moest leren dat hele gewone dingen anders heten. Een pintje heet geen pintje maar een biertje. Bená, zeggen wij. ‘Bíjna!’ riep Ischa Meijer dan, die net als ik bij de Haagse Post werkte. Of ik zei: ‘Dat heb ik niet bij.’ ‘Bij me!’ Die corrector zit nu in me. Ook in Vlaanderen. Daar zeggen ze niet dat iemand een jurk draagt, maar een kleedje. ‘Die heeft een schoon kleedje aan.’ Een panty of maillot heet bij ons een kousenbroek. Ik pas voortdurend op mijn tellen.”

Zachte g

„Ik sta met één been in Nederland, en één been in Vlaanderen. Als ik na mijn verhuizing bij mijn ouders kwam en ‘op de letter’ praatte, zei mijn moeder: Spreek maar gewoon dialect, anders denken ze dat mijn dochter een Hollandse is. Eén keer ben ik zó gekapitteld. Ik las in Brussel voor uit mijn boek De poorten van Damascus en sprak, zoals altijd aan de andere kant van de grens, met een zo zacht mogelijke g. In de pauze, ik zat te signeren, hoorde ik achter me een Belg tegen zijn vrouw zeggen: ‘Waarom praat zij Hollands?’ Even later zei hij het ook in mijn gezicht, woedend. Ik zei: ‘Sorry, ik woon al dertig jaar in Nederland.’ Hij: ‘Maar dat is toch geen reden om je moerstaal af te zweren!’ Een Vlaamse vriendin van me is in Nederland altijd met een zachte g blijven praten. Bij mij verdween die snel. Ik ben een kameleon. Zo werk ik ook, voor mijn boeken: Ik probeer de afstand tot anderen zo klein mogelijk te maken.”

Lingala

„Op mijn reizen heb ik me altijd kunnen redden met Engels en Frans. Ooit heb ik een cursus gesproken Arabisch gevolgd, maar ik heb nooit echt een taal bijgeleerd. In Congo, waar vier van mijn boeken zich afspelen, spreken mensen onder andere Lingala en Swahili. Als ik dat ergens hoor denk ik soms: ‘Hè? ik begrijp gewoon wat ze zeggen.’ Ik heb nooit met een officiële tolk gewerkt, er waren altijd wel vrienden of bekenden in de buurt die iets konden vertalen. In 2009 had ik in China een eerste ontmoeting met een personage dat heel belangrijk zou worden in mijn laatste boek, Op de vleugels van de draak. Zijn vader had zelfmoord gepleegd tijdens de Culturele Revolutie. Hij sprak nauwelijks Engels maar ik had nooit het gevoel dat we elkaar niet konden begrijpen. Als hij een glaasje had gedronken werd zijn Engels beter. Op het laatst hadden we zoveel glaasjes gedronken dat ik alle details over de dood van zijn vader kende.”

Verleden

„Mijn hele leven heb ik naar de verhalen van anderen geluisterd. Al die tijd ben je ook om iets heen aan het reizen en dat is je eigen verhaal. Daar zit veel in waardoor je de verhalen van anderen kunt begrijpen. Mijn nieuwe boek, waar ik in januari aan begin, speelt zich af in mijn eigen verleden. Het verleden is een soort oceaan, heel anders dan een verhaal waar je op af reist. Ik moet voor mijn gevoel drie generaties terug, en kom dan in de Eerste Wereldoorlog terecht. Daar ben ik nu veel over aan het lezen. Je moet als schrijver veel meer weten dan wat je opschrijft, ergens stuit je op iets wat vertelbaar is. Het kan zijn dat ik over een half jaar besluit: Het is beter om daar niet aan te komen. Maar zo gaat het eigenlijk elke keer. Je denkt: ‘Ik ga op iets af’, maar gaandeweg verandert het.”

Cold turkey

„Ik woon met een Pool in Amsterdam. We kennen elkaar sinds de jaren 70, in het begin spraken we Frans. Hij had als vluchteling de ‘B-status’ gekregen en deed een taalcursus met Koerden, Marokkanen, Paraguayanen en andere Zuid-Amerikanen. Ze ruzieden over het communisme, Nederlands werd daar echt niet geleerd. Op een dag heb ik besloten cold turkey Nederlands tegen hem te gaan spreken. Alleen bij stevige discussies schakelden we over op Frans. Dat heeft geholpen. Hij heeft nog wel een accent. Wijn en veen of worst en vorst – dat klinkt bij Marek allemaal hetzelfde. Hij heeft nu vooral nog moeite met ‘als’ en ‘dan’. Zijn taal wordt steeds beter – dan beginnen die dingen op te lichten. Eerst was gewoon alles fout.”

Spelfout

„Goed spellen vind ik net zoiets als je kamer opruimen. Als er op dat gebied geen orde is, hoe kun je dan nadenken. En communiceren. Mijn vader heeft eens op de eerste bladzijde van een manuscript van mij een spelfout gevonden. Daar was hij heel trots op. Dat woord zit in het Groot Dictee. Mijn vader en ik maakten het Dictee vaak samen, hij in Hasselt, ik in Amsterdam, en achteraf fouten vergelijken. Ik vond altijd wel dat er veel woorden in stonden die je nooit gebruikt, die alleen voor de gelegenheid geserveerd worden. Vorig jaar was ik erbij als deelnemer; ik had 21 fouten. Na afloop praatten ze erover wie de tekst de volgende keer zou schrijven, en dat het nog maar één keer door een vrouw was gedaan. Plotseling keek iemand naar mij en zei: een Belgische wonend in Nederland, eigenlijk ben jij heel geschikt. Toen ik dit voorjaar werd gevraagd heb ik meteen ja gezegd. Het is prettig om in deze barre tijd bezig te zijn met zoiets ouderwets als een dictee.”