Column

Krediet

De kiezer heeft een slecht geheugen, hoor je vaak, maar de euforie toen dit kabinet aantrad, die herinnert iedereen zich echt nog wel. Het midden is terug, kopte de Volkskrant verzaligd. Wilders hing in de touwen, het CDA was in crisis, de SP was onderuitgegaan, eindelijk konden er weer zaken gedaan worden. De bromance van de paarse wonderboys Samsom en Rutte werd gezien als het bewijs van zakelijk elan. Geen ideologie, geen blauwdruk, geen normen en waarden, gewoon aanpakken. Wie zijn vinger opstak en opmerkte dat er iets niet klopte, aangezien de verkiezingsstrijd tussen de twee partijen juist fel ideologisch was gevoerd, om de flanken op links en rechts leeg te trekken, en de kiezer zich genaaid zou voelen als die strijd abrupt zou eindigen met het kwartetspel van Wouter Bos – pfft, het was ook nooit goed.

Drie jaar later. Diederik Samsom is al maanden bezig aan zijn afscheidstournee en Mark Rutte heeft in een laatste poging om zijn premierschap te redden het masker van de deemoed opgezet. Na afloop van wat hij „het zwaarste debat van mijn politieke carrière” noemde, beloofde hij zijn best te doen „krediet terug te winnen”.

Krediet. Waarmee? Voor wat? Bij wie? Het zwaarste debat van Mark Rutte ging niet over de vluchtelingencrisis. Het ging niet over de toekomst van een wankelend Europa, niet over het gevoel van radicale vervreemding van zoveel immigranten tot in de derde generatie, niet over de sleaze in de semipublieke sector, niet over de blinde expansiedrift van bestuurders die tot kostbare debacles heeft geleid. Het ging zelfs niet over de NS of de Nationale Politie. Het zwaarste debat uit de loopbaan van Mark Rutte ging over een bonnetje.

Dat bonnetje stond wel ergens voor. Afgestraft werd de vlerkerige bravoure van een partij die overmoedig is geworden, die te goed denkt te weten hoe het spel gespeeld wordt en dus het spel helemaal verkeerd speelt – twee ministers weg, plus een hopeloze Kamervoorzitter, en een kabinet dat naar de finish strompelt. Intussen is overal kwaad bloed gezet – bij de oppositie, bij de journalistiek („de berichtgeving van Nieuwsuur klopt niet”) en bij de burger, die getuige was een Haags spektakel dat zogenaamd van nationaal belang was, maar opnieuw volkomen zelfgericht was.

De kroon op dit cynisme spant minister Edith Schippers. In maart suggereerde ze stellig dat er een complot tegen de VVD gaande was, terwijl zij heel goed wist dat het de VVD zelf was die driftig complotteerde om hun „crimefighters” voor een afgang te behoeden. Nadat de commissie-Oosting haar insinuatie als totale onzin afdeed, verklaarde Schippers met droge ogen dat dit „goed nieuws voor Nederland” was.

Voor Nederland.

Je kunt al dit gesjoemel niet langer afdoen als noodzakelijk om overeind te blijven in een politiek gefragmenteerd landschap, waarover de gure wind van het populisme blaast, zoals enkele uitgebluste oudgedienden in het Haagse blijven volhouden. Ja, dit kabinet heeft veel dossiers opengebroken, de weeffout in het kabinet (geen meerderheid in de Eerste Kamer) is opgevangen door ontzagwekkend kunst-en-vliegwerk. Maar daarachter gaapt de leegte. Het vertrouwen in de politiek is verder uitgehold. Dat is niet de schuld van het populisme, dat maakt er alleen misbruik van. Het is de schuld van Mark Rutte en zijn manier van politiek bedrijven.

In Trouw legde filosoof Paul van Tongeren uit wat er mis is met dit soort haalbaarheidspolitiek: „Vanouds gaat het in de politiek om het verwezenlijken van idealen, idealen die zijn gevormd tot een visie op mens en maatschappij, een ideologie. Om die idealen te realiseren heb je pragmatisme nodig, natuurlijk. [Maar] problemen oplossen zonder dat je te werk gaat vanuit een ideaal, betekent dat je de problemen enkel kan oplossen vanuit de heersende vanzelfsprekendheid. Als de gezondheidszorg bijvoorbeeld te duur blijkt te zijn, ga je kijken hoe je er het slimst op kunt bezuinigen. Maar je vraagt je niet af: wat is gezondheid eigenlijk? En zorg? Wat wil ik daar eigenlijk mee? Dat vereist namelijk een ideaal, een ideologie.”

Iedere leegte wil gevuld worden. Dat vulsel, kijk naar de peilingen, heet Geert Wilders.

De volgende verkiezingen zullen de regeringspartijen deze kaart trekken: willen we deze stoker, die hater, die geniepige bruggenbreker als premier van Nederland? Ik ben bang dat het te laat zal zijn. Het krediet is op.