Keek op de week was vreselijk goed

Kees van Kooten Hij schreef dit jaar over humor en zijn hartinfarct en is bezig zijn archief te ordenen. Kees van Kooten (74) wil vooral nog opa zijn. Tekst Arjen Fortuin

Foto's: Bastiaan Heus

Hoe het jaar was? Kees van Kooten staat op en loopt naar de zijkamer om zijn agendaverzameling te tonen, maar raakt onderweg afgeleid door de rij agenda’s van zijn vader. Dat zijn kleine boekjes waar vader Van Kooten („die heeft later nog bij Van Rijmenam agenda’s gewerkt”) poppetjes in tekende. In een lage kast staan de agenda’s van Van Kooten zelf: een dubbele rij zware New Yorker-agenda’s, teruggaand tot in de jaren tachtig. Het kastje is bijna vol. Van Kooten schat de overgebleven ruimte met zijn hand. „Er passen er nog zes of zeven bij. Als dit kastje vol is, ben ik er niet meer, dat weet ik nu wel zeker.”

Van Kooten is een eind opgeschoven richting de dood sinds wat hij even daarvoor „die toestand van augustus vorig jaar” heeft genoemd. Toen werd hij plotseling getroffen door een hartinfarct. Vijf bypasses verder werd hij wakker in een ziekenhuisbed en een jaar na dato publiceerde hij Leve het welwezen, een boek dat oorspronkelijk gepland was als een standaardwerk over humor en cartoons, maar uiteindelijk ook een verhaal werd over dat hartinfarct. En waarvan het meest treffende zinnetje wordt uitgesproken wanneer de schrijver doodgrijs de ambulance in wordt geschoven: „Eindelijk met pensioen.” Zo is het boek ook te lezen: aan het eind van Leve het welwezen heeft Van Kooten zijn abonnement op The New Yorker opgezegd en staat hij op het punt om zijn tweede huis in Zuid-Frankrijk van de hand te doen. In de slotscène staat hij te kijken bij zijn voetballende kleinzoon: een voltijdsopa.

Inmiddels heeft Van Kooten zijn agenda over 2015 gepakt. Het is eigenlijk meer een plakboek: er zitten theaterkaartjes en kindertekeningen in, recensies van voorstellingen van zijn kinderen. Afgelopen najaar heeft hij wekenlang de boekentoptien uit Het Parool geknipt – toen Leve het welwezen erin stond. In klein handschrift heeft Van Kooten genoteerd wat er op een bepaalde dag is voorgevallen – of een los idee voor een tv-format: bij mensen aanbellen en vragen of ze weten wie de persoon was naar wie hun straat is vernoemd.

Het eerste deel van dit jaar stond in het teken van opkrabbelen en zijn geplande cartoonboek. Een boek waar iedereen in zou staan, van Saul Steinberg tot Sempé. Maar een boek over alles is veel werk; en bovendien bleek er al een World Encyclopedia of cartooons te bestaan. Van Kooten staat op en haalt het kolossale boek. „Kijk, hier staat eigenlijk alles al in. Het is ook een beetje ingehaald door Google. Toen ik bezig was met het maken van korte biografietjes van tekenaars, met al mijn boeken hier op tafel, keek ik even bij Wikipedia. Daar staat alles dus óók.”

Bovendien was er die hartaanval. „Ik wilde dit verslaan,” zegt Van Kooten. „zoals ik altijd van alles verslag gedaan heb: de dood van mijn vader, de geboorte van mijn kinderen, de dood van mijn hond enzovoort.” Nog op de intensive care begon het te borrelen. „Wat zou ik opschrijven? Nu ik hartpatiënt was, zou dat grote cartoonboek er niet van komen. Dat besluit was heel logisch. Ik was verbaasd over mijn eigen nuchterheid. Weliswaar ben ik levend uit die ingreep gekomen, maar ik weet dat ik niet nog tien jaar door kan gaan. Die klap op mijn kop is in allerlei opzichten een zegen geweest. Ik ben er heel dankbaar uitgekomen, een stuk nederiger, blij met elke week die ik nog heb. Zoals ik in het boek schrijf: ik speel in de tweede helft van mijn verlenging.” Voor de zekerheid voegt hij eraan toe: „Ik weet dat het clichés zijn.”

„Deze vorm vind ik heel aantrekkelijk voor een boekje – met af en toe een cartoon. Al met al heb ik er best lang over gedaan, een half jaar denk ik. Aanvankelijk was het te wijdlopig en het duurde een tijdje tot ik de balans vond tussen het serieuze verslag en de lach. Ik schrijf eerst met potlood – dan kan ’k vlakken – maar het lukt me nooit om door te gaan waar ik gebleven was. Elke dag begin ik met het aanpassen van het begin.”

„Schrijven is zitten blijven tot het er staat. Er is niets mooiers dan je laten verrassen door de mogelijkheden van de taal. Dat is als het geluk dat een rijmende dichter kan hebben als hij het perfecte woord vindt – dat niet alleen rijmt, maar ook inhoudelijk klopt. Dan zit ik hier om half twee ’s nachts te schrijven en zie ik ineens de zin die een hele passage goed maakt. Waarna ik heel snel begin te schrijven omdat ik bang ben om te vergeten wat ik heb bedacht. En dan schiet je in je eentje in de lach.”

Soepel gemopper

Behalve ironisch-autobiografisch is Van Kooten ook streng in het boek. Over de matige cartoons van Bob Mankoff (de man die de tekeningen voor The New Yorker uitkiest) of over de oubollige smaak van zijn kamergenoot (‘Hartman’) in het ziekenhuis. Er wordt zelfs ernstig gebekvecht over wat een goede grap is. „Vind je me streng? Dat was wel mijn stemming. Ik was impulsief, lichtgeraakt en snel reagerend – de kaas in het ziekenhuis vond ik ook niks. Ik ben natuurlijk ook een grumpy old man aan het worden. Hoorde je die knal net buiten? Wat zou er eenvoudiger zijn om vuurwerk gewoon te verbieden. Gooi het desnoods op het gevaar!”

Hij moppert door, zo soepel dat je niet meer weet of je nu naar Kees van Kooten luistert of naar een van zijn televisietypetjes: „Neem Evi van Lanschot, de ‘online beleggingscoach’ uit de reclame van de bank Van Lanschot: de toon waarop je wordt aangesproken! De wartaal is verschrikkelijk, ook in de Tweede Kamer. Als iemand een afwijkend woordje heeft gebruikt, gaat dadelijk iedereen dat óók doen – en vaak nog verkeerd gebruikt ook. Het is om crazy van te worden! Je kunt op een gegeven moment niet meer parodiëren, de dingen worden zelf een parodie. Als ik lees dat Gerrit Zalm na de pinball-automaat nu is gaan gamen, denk ik: die man is een stripfiguur geworden.”

Van Kooten is niet alleen streng in Leve het welwezen. Hij legt ook uit wat een cartoon wél goed maakt (bij Kamagurka en Sempé bijvoorbeeld, van wie hij werk prominent aan de muur heeft hangen). Hij vertelt hoe een goede cartoon in elkaar steekt en hoe een matige grap beter gemaakt kan worden – alsof het boek een testament is waarin de oude komiek nog eenmaal uitlegt hoe je dat doet: mensen aan het lachen maken. „Het is didactisch, inderdaad. Het vakmanschap dat je in die oude tekeningen in The New Yorker ziet, had je ook op andere gebieden. Als ik aan oude tekenfilms denk, zie ik oude dikke mannen voor me die zitten te tekenen. Zelf kunnen ze amper bewegen, maar ze hebben het in zich om Tom en Jerry in 24 beeldjes per seconde onweerstaanbaar grappig te laten vallen. Dat zie je bijna niet meer.”

Hij gaat verder. „De techniek is zo bepalend voor de artistieke uiting geworden. Ik ben opgegroeid met Wim Kan, Toon Hermans en Wim Sonneveld. Die hadden allemaal een eigen techniek. Kan zat achter een tafel, Hermans had een kruk en kon daardoor zijn arm over de microfoonstandaard heen leggen, Sonneveld stond te zingen achter een microfoon. Maar sinds de microfoon op de revers kan, zie je iedereen hetzelfde doen. Cabaretiers zijn motorisch op elkaar gaan lijken. Alles kan nu, maar ze maken juist dezelfde loopjes.” Koot staat op en doet het loopje voor. „Steeds zeggen ze iets, dan lopen ze weg, draaien ze zich om en komen ze terug: nog één ding...”

Hij gaat weer zitten. „Humor op tv houd ik eigenlijk niet meer bij. Al is de komst van LuckyTV aan het eind van De Wereld Draait Door echt een gebeurtenis. Dat vervangt heel veel satirisch cabaret, vind je niet? André van Duin deed ook dingen met stemmetjes, maar Sander van de Pavert heeft dat naar een hoger plan getild. ‘Dat heeft LuckyTV al gedaan’ moet een standaardkreet zijn in die business.”

Eigen YouTubekanaal

2015 stond voor Van Kooten ook voor een belangrijk deel in het teken van zijn eigen televisiewerk. Hij is samen met zijn oude kompaan Wim de Bie begonnen met de grote ordening. „Wim is weer in Den Haag gaan wonen en we zijn nu heel druk met ons archief. Hij heeft veel meer bewaard dan ik, maar we moeten ons realiseren dat onze kinderen maanden bezig zullen zijn als wij het niet hebben gedaan. Al ons materiaal gaat naar Beeld en Geluid in Hilversum, dat er een tentoonstelling mee gaat inrichten. Inmiddels hebben we ook een eigen YouTubekanaal om de wildgroei van wazige half afgeknipte filmpjes tegen te gaan. We zetten er elke maandag een aflevering van Keek op de Week op. Ik vind ze vreselijk goed. Dan bellen Wim en ik elkaar vol enthousiasme op en zeggen we: het is nog precies zo!” Van Kooten begint in detail een twintig jaar oude zwartepietensketch na te vertellen, waarin De Bie, terwijl hij zich zwart schminkt, uiteenzet dat donkere Nederlanders geen goede zwarte piet kunnen zijn. „We zijn al die dingen vergeten.”

In januari dit jaar plakte Van Kooten de cover van het eerste nummer van Charlie Hebdo ná de aanslagen bij in zijn agenda: de profeet Mohammed die een bord met de tekst ‘Tout est pardonné’ vasthoudt. Dat is een mooie door de dubbele betekenis: ‘Alles is vergeven’, maar ook: ‘Alles is geoorloofd.’ De naam van het tijdschrift komt alleen zijdelings aan de orde. „Tja,” zegt Van Kooten, „er is al zoveel over gezegd.” En de behoefte om overal iets over te zeggen is hij kwijt. „Tot dit jaar heb ik bij alles wat ik in mijn leven zag, me afgevraagd of er een nummer in zat. Voor tv, of voor een stukje in een boek. Dat gevoel ben ik kwijt.”

Een nieuw boek komt er dus niet? Ernstig: „Dat weet ik voorlopig even niet. Ik wil in elk geval geen deadlines meer. En ik ga ook niet meer avonden het land in om in mijn eentje in de regen door de stad te fietsen en dan met al dat reflecterende licht een stoeprand te raken…” Zoals hij niet meer in de bergen gaat fietsen („Daar ben je vier uur van het ziekenhuis”) en braaf de instructies van zijn cardioloog volgt: elke dag een dutje.

Hij wijst op de box in de erker. „Vanmiddag komt mijn jongste kleinkind. Er is niets mooiers dan zien hoe een kind grappen gaat begrijpen. Ik kan niet wachten tot we op de grond kunnen zitten en met een tennisballetje kunnen overrollen.”

„Ik eindig het boek opzettelijk bij het voetbalveld van mijn kleinzoon”, zegt hij. „Zo wil ik zijn, als een Sempémannetje dat glimlachend en gepensioneerd terzijde staat te kijken. Dat is het welwezen.”