‘Ik denk wel dat ik een groot ego heb’

Hij brak op zijn zeventiende met zijn ouders en trok de wereld in. Nu is hij de topman van Dangote Cement in Nigeria.

Drie keer moet Onne van der Weijde (51) onze afspraak afzeggen – „sorry, sorry, sorry, ik ben toch weer op reis” – maar de vierde keer ontmoeten we elkaar in zijn Rotterdamse pied-à-terre. Negende etage, uitzicht over de Maas. Vanochtend is hij uit Zürich komen vliegen, samen met zijn vrouw, Judith. Gisteren was hij in Lagos. Vorige week: Boston, Londen.

Sinds maart van dit jaar is hij chief executive officer van Dangote Cement, 15.000 werknemers en op weg naar een beursnotering in Londen. Dangote Cement bouwt cementfabrieken in heel Afrika.

Hij vlijt zich op de bank, zijn vrouw pakt de boodschappen uit die ze op Schiphol nog even snel heeft gehaald. Vanmiddag krijgt hun zoon zijn bachelordiploma bedrijfskunde van de Erasmus Universiteit. Morgen gaan ze terug naar Lagos, waar ze het grootste deel van hun tijd wonen.

Wat een leven.

Hij: „Ja, haha.”

Zij: „Hectisch.”

Hij: „Maar leuk. Afrika is de last frontier, grotendeels onontgonnen. Voor onze industrie heel interessant. Uitvinden, bouwen, pionieren. Daar hou ik van. Nieuwe dingen doen als er nog helemaal niks is.”

Zij: „Ook dingen voor de samenleving.”

Hij: „Ja, ja, je bouwt een cementfabriek, maar je bouwt ook een dorp. Een school, een ziekenhuis, een kerk. Of een moskee. Je bewaakt de vrede, de veiligheid, alsof je de burgemeester bent.”

Of de missionaris.

Hij verslikt zich bijna in zijn koffie. „Nee, nee, dat niet. Dat wil ik niet. Ik heb mijn overdosis christendom al gehad toen ik jong was.”

Hij begint te vertellen over zijn vader en moeder, hoe diepgelovig ze waren, orthodox gereformeerd. De een kwam uit Zeeland, de ander uit Friesland, en voor de oorlog kwamen ze in Rotterdam terecht. Zijn vader was binnenvaartschipper, maar er was te weinig werk en daarom werd hij monteur. Vijftig jaar werkte hij in loondienst, op twee maanden na. Hij was diep teleurgesteld dat zijn baas hem die niet liet volmaken.

Onne van der Weijde: „Dat arbeidsethos, dat hard zijn voor jezelf, dat plichtsbesef. Ik heb heel wat wilde pogingen gedaan om me van zijn waarden en normen te bevrijden. Het is me niet gelukt.”

Voor zijn achttiende was hij de deur al uit. „Bekijk het maar, ik hoef jullie niet meer te zien. Maar dat” – hij lacht hard – „zeiden mijn ouders ook tegen mij. Ik had een vriendin die katholiek was. Ze vonden het zo erg, dat ze mij ook niet meer hoefden te zien.”

Judith lacht ook. Zij was niet die vriendin, maar ze was vroeger wel katholiek.

Hij: „Ze zeiden dat ik hun zoon niet meer was. Of eigenlijk zeiden ze: als we moeten kiezen tussen onze ongelovige zoon en God, dan kiezen we voor God. Nou, ik had al ergens een kamer, zonder dat ze dat wisten, en ik verdiende mijn eigen geld als afwasser en krantenbezorger. Dus toen was ik weg.”

Was het zo gemakkelijk?

„Nee. Het was een knak voor mijn ego. Je gaat aan jezelf twijfelen.”

Bang voor de straf van God, toch?

„Nee. Of eigenlijk ja. Dat hele zondebesef, daar had ik wel last van. Maar ik dacht ook: ik geloof er niet in. Dat gezeur over de duivel en je bent slecht. Ik geloofde er op mijn twaalfde al niet meer in. Ik wilde het niet, ik deed het niet, ik accepteerde het niet.”

Je was onhandelbaar?

„Nee, ik was heel rustig. Ik was eigenlijk een heel rustig, aardig, introvert en integer kind.”

Judith kijkt naar hem alsof ze hem voor het eerst ziet. „O ja?” Ze lacht.

Hij: „Maar op school ging het ook niet. Ik heb heel wat middelbare scholen van binnen gezien, zeker acht of negen, en ik moest altijd weer weg. Niet voor geweld of zo, hoor. Ze stuurden me weg omdat ik niets deed. Ik leerde alleen wat ik interessant vond. Had ik een 10 voor geschiedenis of wiskunde, en een 1 voor Frans.”

Hij brak niet alleen met zijn ouders, maar ook met zijn broers en zussen, met het hele milieu. „Daarna gaf ik mezelf een vrijbrief om te doen wat ik wilde. De meeste extreme dingen heb ik gedaan. Nou ja, geen moorden of verkrachtingen, zelfs geen inbraken. Wel heel veel feesten. Uiteindelijk heb ik toch nog mijn diploma gehaald, dankzij de leraren die tegen me zeiden: je kunt het wel, doe het nou maar, hou eens op met dat verzet.”

Vervolgens deed hij de heao in Den Haag en bedrijfskunde aan de universiteit van Bradford. Hij ging wedstrijdroeien, dat bracht hem discipline. Maar echt rustiger werd hij pas toen hij Judith leerde kennen. Hij was 25, zij 27. Zij werkte.

En toen heb je je ook weer als de verloren zoon bij je ouders gemeld?

„Ja”, zegt hij. „Inderdaad. Toen zij” – hij wijst naar Judith – „in mijn leven kwam en we kinderen kregen, is de relatie weer hersteld. Dat heeft zij gedaan. Maar mijn ouders waren wel minder streng geworden, hoor. En ik had meer begrip voor hen gekregen. Zie je daar” – hij wijst nu uit het raam – „het Witte Huis? Alles daaromheen is in de oorlog platgebombardeerd en mijn moeder woonde honderd meter naar rechts. Waar mijn vader woonde – ook alles weg. Hij was van 1932, mijn moeder van 1933. Een verloren generatie. De jaren na de oorlog – zo veel ellende, geen werk, armoede. Ze wisten niet hoe ze hun leven moesten regelen. Ze waren blij dat ze hun geloof hadden. Ze klampten zich eraan vast.”

Opeens springt hij op, we moeten gaan. Hij wil lunchen aan de overkant van de Maas en de watertaxi wacht op ons.

De lift in, de straat op. Het stormt. Boven het gebulder uit roept hij dat hij nu iets heel theatraals gaat zeggen. Dat beeld van Zadkine, De verwoeste stad, een man zonder hart, daar identificeert hij zich dus mee. Op zijn achttiende heeft hij alle software uit zichzelf getrokken, daarna is hij zichzelf weer gaan opbouwen. „Lezen”, roept hij. „Ik heb altijd heel veel gelezen, want we hadden thuis geen televisie en ik zat graag in de bibliotheek.”

Socrates, Plato. Niet dat hij er veel van begreep, maar het heeft hem wel gevormd. Later: psychologie, biologie, alles over de evolutie, apen, sociaal gedrag. Frans de Waal. Neuroscience. Antonio Damasio. „Ik lees nu The Better Angels of Our Nature van Steven Pinker. Geweldig boek, heel positief. Ken je het?”

Hij stapt op de wiebelende loopplank. „De boodschap is dat de wereld steeds vredelievender wordt. Er is steeds minder geweld, al zou je dat niet zeggen als je naar het nieuws kijkt. De rol van de staat! De rol van de vrouw! En dan denk ik: wat moet ik doen om dat in het land waar ik nu zit ook voor elkaar te krijgen? Hoe kan ik ervoor zorgen dat de mensen daar elkaar niet blijven afpersen en omkopen?”

Tijdens de tocht over het water: „Ik werk hard en ik ben ambitieus, ik heb heel veel energie, ik ben eigenwijs.” En: „Ik denk wel dat ik ook een heel groot ego heb. Maar daar is de lucht nu wel goeddeels weer uit gelopen.”

En dat komt door…?

„Judith natuurlijk.”

Geen voorgerecht, geen nagerecht, want hij heeft nog maar drie kwartier de tijd. Charmant glimlachend naar de serveerster: „Dat lukt toch wel?”

Na Bradford en wat kleinere banen bij een advocatenkantoor ging hij bij Holcim werken, een Zwitserse multinational die met 71.000 werknemers cement en beton produceert, energie opwekt en gebouwen construeert. Hij zat op het hoofdkantoor in Jona bij corporate finance en corporate tax en deed fusies en overnames. „Ik was succesvol”, zegt hij, „omdat ik hard werkte en nadacht over de dingen die ik deed. En ik had een grote honger naar erkenning. Dat maakte me fanatiek.”

Na een paar grote overnames in Australië vroegen zijn bazen of het niet eens tijd werd om verantwoordelijkheid te nemen voor de bedrijven die hij gekocht had. Zo kwam hij met Judith en hun twee zonen in Brisbane terecht. „Bedrijven integreren, de winstgevendheid verhogen, ze een nieuwe richting en toekomst geven.”

Het was 1997, Azië-crisis. In Indonesië verdween op frauduleuze wijze 250 miljoen dollar van de bankrekening van een groot, beursgenoteerd bouwbedrijf, Onne van der Weijde mocht gaan onderhandelen over een doorstart na faillissement. Holcim werd de nieuwe aandeelhouder en opnieuw was het: „Neem nu dan ook maar de verantwoordelijkheid. Make it work en veel plezier.”

Toen kwam de bomaanslag op Bali, oktober 2002. Kort daarna ontplofte een autobom bij de Australische ambassade in Jakarta. Onne van der Weijde stond er vlakbij. Augustus 2003: de aanslag op het Marriott Hotel, ook in Jakarta. Hans Winkelmolen, de bestuursvoorzitter van Rabobank Indonesië, kwam om het leven. Medewerkers van het bedrijf van Van der Weijde waren daar cement aan het leveren. „We wilden weg”, zegt hij. „We zijn naar India gegaan.”

New Delhi. Mumbai. Holcim had de grootste acquisitie gedaan in het 100-jarige bestaan van het bedrijf en Onne van der Weijde mocht het nog groter gaan maken. Hij deed het graag. De moslimwereld kende hij, nu leerde hij de hindoewereld kennen. „Het klinkt pathetisch”, zegt hij, „maar mijn carrière is de collateral damage van mijn energie en ambitie, van mijn zoektocht naar de zin van het leven, en van de frustraties uit mijn jeugd.”

De zonen werden groter en zijn vrouw wilde hen niet in India laten opgroeien. Ze verhuisde met hen naar Zwitserland. Onne van der Weijde zou een paar maanden later ook komen. Het werd vier jaar. „Ik wilde de job daar afmaken. En steeds was er weer een nieuwe fabriek die gebouwd moest worden, een nieuwe acquisitie waarvan ik de integratie wilde leiden.”

Werken, werken, werken, werken. In 2008, aan het begin van de financiële crisis, maakte het bedrijf in India 20 procent uit van heel Holcim. En Onne van der Weijde had huwelijksproblemen. „Als Judith me belde, was het me wel eens te veel. Dan zei ik: nu niet, bel me dan en dan maar terug. Ook als er iets met de jongens was. Judith was vaak alleen en ik had nooit tijd.”

En toen?

„Heb ik ontslag genomen. Wat meehielp: ik werd gepasseerd voor een promotie als lid van de raad van bestuur van Holcim. Ze namen iemand die nog nooit een voet in India had gezet. Ik was in Zwitserland toen ik het hoorde. Ik ben naar huis gegaan en heb Judith gevraagd wat ze ervan zou vinden als ik ermee ophield. Dat vond ze een geweldig idee.”

Je belandde niet in een zwart gat?

„Helemaal niet. Ik mocht een jaar niet in dezelfde industrie werken, vanwege het concurrentiebeding, maar ik werd wel doorbetaald. Ik heb Judith geholpen met haar bedrijf.” Ze produceert en verkoopt zijden sjaals. „We zijn gaan reizen. Na dat jaar was de relatie met haar en mijn zoons weer helemaal hersteld.”

En hij werd gebeld door een vertegenwoordiger van Dangote Industries, waar Dangote Cement een onderdeel van is. De eigenaar is Aliko Dangote, Nigeriaan en miljardair. Volgens tijdschrift Forbes is hij de rijkste man van Afrika. „Hij bouwt fabrieken, kolencentrales, gasleidingen, havens, alles. Ik kende zijn reputatie en ik heb bewondering voor hem. Dus ik ben gaan praten. Daarna zei ik tegen Judith: we gaan het niet doen. Afrika, zo ver weg, weer zo hard werken, nee, we doen het niet. En Judith zei: daar ben ik blij om. Nigeria leek haar gevaarlijk. Het heeft natuurlijk een slechte naam.”

En toen ben je toch gegaan.

„Ja. Het avontuur lokte. Alle andere dingen die ik deed – zakenbanken adviseren, due diligences doen, financiële transacties begeleiden – vond ik minder leuk. Dus ik zei tegen Judith: ga een keer mee naar Lagos, het is er anders dan je denkt. Groener, veiliger, schoner. En de mensen zijn aardig.”

Hij glimlacht en vertelt hoe het was om voor het eerst in een lift te stappen met vijftien zwarte mannen, de meesten groter dan hij. „Heel intimiderend als je er niet aan gewend bent. Je kunt in het begin hun emoties niet goed lezen.”

En toen vond Judith het toch goed?

„Ze zei: oké Onne, doe het dan maar. Als je thuis blijft zitten word je ongelukkig. En ik ook.”

Dan springt hij weer op, hij wil niet te laat bij de diploma-uitreiking van zijn zoon zijn.

Een paar dagen later stuurt hij een lange mail, geschreven in het vliegtuig. „Bij voorbaat mijn verontschuldigingen. Ik had geen tijd om een korte brief te schrijven, haha.”

Een verwijzing naar Blaise Pascal. „Mijn Nederlands is natuurlijk ontzettend slecht. En een spellingchecker heb ik ook al niet. Heb je een touw aan ons gesprek kunnen vastknopen?” Waarna hij het hele verhaal nog een keer vertelt. Hetzelfde verhaal.