Het land van mijn ouders is weg

Als Spanje zondag een nieuwe regering kiest, versplintert het oude tweepartijenstelsel, wordt voorspeld. Proef op de som bij de familie Higuera. 

Sara en Jorge in Madrid. „Het is goed dat er alternatieve partijen zijn.”

In het ouderlijk huis van Santos Higuera Fernández staat een zwartwit familieportret op de kast in de woonkamer, ergens uit het begin van de jaren zeventig. Een gezin met vier zonen in zondagse kleding voor een fontein op het pleintje van Pastrana. Santos staat vooraan. „Ik herinner me dat moment nog precies. We leefden toen in een totaal andere wereld”, vertelt hij, terwijl hij door de nauwe straatjes van zijn geboortedorp loopt. „Families met veel kinderen kregen onder Franco een aantal privileges. Om te bewijzen hoe groot ons gezin was moesten we op de foto. Mijn jongste broertje staat er ook op. Op zijn achtste is hij geschept door een auto. Mijn moeder heeft daarna nooit meer gelachen.”

Vrijwel niets wijst erop dat er in dit dorp in Midden-Spanje, op vijftig kilometer van Madrid, op zondag 20 december nationale verkiezingen zijn. Campagne wordt hier niet gevoerd. In Pastrana liggen de verhoudingen al decennia vast: 70 procent voor de conservatieve Partido Popular (PP), 30 procent voor de socialistische Partido Socialista Obrero Español (PSOE). Nieuwe partijen als het liberale Ciudadanos en het hard-linkse Podemos krijgen op het platteland nauwelijks een voet aan de grond.

Hoe anders is dat in de grote steden. Een nieuwe generatie wil breken met het verleden en ziet in Ciudadanos en Podemos juist alternatieven voor de gevestigde orde. Peilingen voorspellen dat jongeren massaal anders zullen stemmen dan hun ouders. Het einde van het tweepartijenstelsel is 37 jaar na de transitie van 1978 nabij. Hoe lopen in het Spanje van 2015 de scheidslijnen – tussen oud en jong, stad en platteland, en in politieke voorkeur – door één gezin?

Santos (52), huismeester van een appartementencomplex in Madrid, keert bijna wekelijks uit de hoofdstad terug naar Pastrana. Dan bezoekt hij zijn vader in het verzorgingstehuis, zorgt voor de kippen en konijnen, praat met zijn oude vrienden en geniet van de rust. „Ik kom uit een klassiek gezin”, zegt hij. „Mijn vader was herder. Net als mijn opa. Mijn moeder, die elf jaar geleden aan kanker is overleden, was huisvrouw. Wij woonden op de bovenverdieping en beneden ons liepen de schapen. Mijn vader moest keihard werken voor zijn geld. Maar omdat hij eigen baas was, had hij toch een beetje status. Dat merkten we aan kleine dingen. Zo waren er twee dokters. Don Paco was er voor de rijken en Don Celestino voor de armen. Wij mochten naar Don Paco.”

Nobelprijswinnaar Camilo José Cela schrijft in zijn boek Reis in Alcarria uit 1948 over het rauwe dorpsleven in Pastrana en zijn vriendschappelijke relatie met Don Paco, die niet alleen arts en kroniekschrijver was, maar ook burgemeester, van 1960 tot bijna aan de dood van dictator Francisco Franco.

Santos: „Don Paco stond achter het regime van Franco, maar daar hadden weinigen problemen mee. Hij was goed voor Pastrana. Wij stonden aan zijn kant. Onze familie had niet veel op met de rooien. ‘Communisten dragen heel weinig bij’, zei mijn opa altijd. Hij zou die paardenstaart [partijleider Pablo Iglesias] van Podemos verschrikkelijk hebben gevonden. Mijn vader zal tot aan zijn dood PP stemmen. Ik heb hem daarin altijd gevolgd.”

Santos Higuera en zijn vrouw, Esperanza Del Moral Garcia, even terug uit Madrid in haar geboortedorp Fuentenovilla. 

Blauw dorp

Santos haalde het niet in zijn hoofd met een ‘rood’ meisje thuis te komen. Begin jaren tachtig viel zijn oog op Esperanza Del Moral Garcia (51) uit het kleine Fuentenovilla, dat hemelsbreed op vijftien kilometer van Pastrana ligt. Eveneens een ‘blauw’ dorp. Bij de laatste gemeentelijke verkiezingen in mei 2015 stemden 185 mensen op de Partido Popular en 82 op de PSOE. Andere stemmen waren er niet. Hier is het tweepartijenstelsel nog springlevend. „Ik kom uit een katholieke familie waarin vrijwel iedereen bij het rechtse kamp hoorde”, vertelt Esperanza op de Plaza Mayor van Fuentenovilla.

Haar ouders zijn dood, ze heeft het huis aangehouden voor weekeinden. „Mijn vader werkte in de bouw en mijn moeder deed het huishouden. Iedere zondag gingen we verplicht naar de kerk. Eén oom was communist. Die raakte in de burgeroorlog zijn been kwijt. Thuis werd nooit over politiek gesproken. Ik weet nog goed dat ik bij de verkiezingen van 1982 voor het eerst mocht stemmen. Veel was daar voor mij niet aan. Mijn vader vulde thuis Partido Popular alvast in op onze stembriefjes. Geen discussie. Het mocht niet baten. [De socialistische] Felipe González won.”

Onder González slaat Spanje van 1982 tot 1996 een nieuwe weg in. „Spanje [moet] zich ontworstelen aan een erfenis van eeuwen van achterlijkheid, repressie en isolement”, zegt hij in zijn eerste regeringsverklaring. González bouwt aan een land dat serieus genomen wil worden in Europa. Het voert de leerplicht in, verbetert de sociale zekerheid, sleutelt aan de infrastructuur en liberaliseert de economie. Jongeren trekken van het platteland naar de grote stad in de hoop op een betere toekomst. Onder hen: Santos en Esperanza. „Mijn vader wilde niet dat ik ook herder zou worden. Veel te zwaar”, legt Santos uit. „Toen een oom hoorde dat een rijke Madrileen een conciërge zocht voor zijn appartementengebouw prees hij mij aan. Ik heb mijn beste pak aangetrokken en ben naar die man toe gegaan. Ik kreeg de baan, én een appartement, in de kelders.”

Marmeren vloer

Santos en Esperanza trouwen zo snel mogelijk en verruilen in 1987 het platteland van Castilië-La Mancha voor de hoofdstad. De chique wijk Salamanca is ook een PP-bolwerk. Aan de Calle de Alcalá wonen zakenlui, politici, advocaten en hoge militairen. Santos heeft zijn eigen werkhokje in het complex van zeven verdiepingen. Hij verdeelt de post, maakt de marmeren vloeren schoon en komt in actie als er iets gerepareerd moet worden. Esperanza doet het huishouden. „Het eerste jaar was erg moeilijk”, zegt ze. „Altijd drukte. Ik miste het dorpsleventje.”

Een weg terug is er niet. De crisis van begin jaren negentig – de werkloosheid loopt op tot 20 procent – gaat aan hen voorbij. Santos’ bescheiden maar vaste inkomen zorgt voor stabiliteit. In augustus 1993 wordt hun dochter Sara geboren: een roerige tijd waarin de terreur van de Baskische afscheidsbeweging ETA altijd op de loer ligt. In de jaren tachtig zijn vlakbij hun appartementengebouw dodelijke aanslagen gepleegd. Op 19 oktober 1993 ziet Santos hoe luchtmachtgeneraal Dionisio Herrero Albinaña aan de overkant van de straat wordt doodgeschoten. Hij is één van de ruim achthonderd slachtoffers die de ETA maakte.

„Je keek in Madrid voortdurend om je heen”, zegt Santos „Maakte je zorgen om de kinderen. In 1996 werd onze zoon Jorge geboren. Het is goed geweest dat de PP onder José Maria Aznar [van 1996 tot 2004] de ETA hard heeft bestreden.”

Aanslagen

Aznar leek in 2004 aan een derde termijn te kunnen beginnen totdat op 11 maart, vlak voor de verkiezingen, bommen ontploften in vier forenzentreinen onderweg naar het Atocha-station. Bij de aanslagen, door terroristen met Al-Qaeda-banden, vielen 191 doden. Het volk rekent Aznar af op de Spaanse deelname aan de oorlog in Irak en kiest in meerderheid voor de socialist José Luis Rodríguez Zapatero.

Santos stemde wel op Aznar. „Die aanslagen waren op een paar kilometer van ons huis. Dit was heel anders dan de ETA. Hierbij kwamen veel gewone arbeiders om het leven die op weg waren naar hun werk. Maar ik kon daar de Partido Popular niet de schuld van geven.”

Onder het bewind van Zapatero gaat het economisch voor de wind. In een mum van tijd worden miljoenen huizen gebouwd. Iedereen lijkt te profiteren van de bouwgekte. Santos en Esperanza willen niet achterblijven en doen mee aan een project in Fuentenovilla: chalets aan de rand van het dorp, met weids uitzicht over de heuvels. De fundamenten liggen er nog. Onkruid is erover heen gegroeid. „De projectontwikkelaar ging failliet en wij waren ons geld kwijt. Net als vele anderen”, zegt Santos. „Gelukkig ging het maar om een paar duizend euro.”

Het uiteenspatten van de huizenbel stort Spanje in 2008 in een economische en sociale crisis. Er ontstaat een generatiekloof. Ouderen hebben werk, jongeren zijn werkloos. In 2011 krijgt de PP weer een absolute meerderheid. Sara en Jorge zien als tieners hoe een nieuwe generatie de straat op gaat om te protesteren tegen de macht van de banken, corrupte politici en huisuitzettingen. „Ik ben toen politicologie gaan studeren. Aan de Universidad Complutense; Pablo Iglesias van Podemos was één van de mensen die daar les gaven”, vertelt dochter Sara (22) die in Madrid bij haar ouders woont. „Ik heb me een tijdlang erg afgezet tegen mijn ouders. Ik dacht heel links. Maar daar ben ik van teruggekomen. Podemos is mij te radicaal.”

Alternatieven

Ze overweegt haar stem te geven aan het liberale Ciudadanos, dat in het voorbije jaar in de schaduw van Podemos omhoog is geschoten. „Het is heel goed dat er nu alternatieven zijn voor de PP en PSOE”, zegt ze. „Die partijen staan toch voor het oude Spanje. Het Spanje van mijn opa. In die tijd was het normaal dat vrouwen alleen maar het huishouden deden. Jorge is het lievelingetje van mijn opa omdat die zijn achternaam kan doorgeven. Vrouwen kunnen nu hun eigen bestaan opbouwen. Ciudadanos probeert de bestaande verhoudingen open te breken. Ik ken niemand onder mijn vriendinnen die op de PP gaat stemmen.”

Jorge (19), die een opleiding voor sportinstructeur volgt, mag voor het eerst stemmen bij landelijke verkiezingen. Geen twijfel: Ciudadanos. „Spanje is toe aan iets nieuws”, zegt hij. „Mijn ouders leven nog in twee werelden. In de weekeinden trekken ze zich terug in Pastrana of Fuentenovilla, maar ze zijn ook gewend aan alles wat Madrid te bieden heeft. Ik ben meer een stadsmens dan mijn ouders. Al zal ik nooit de jaarlijkse feesten in de dorpen van mijn ouders willen missen. Mijn toekomst ligt in Madrid. Ciudadanos kijkt ook naar jongeren.”

Santos en Esperanza kijken vol trots naar hun twee kinderen als de fotograaf het gezin vastlegt in de woonkamer van hun appartement, intussen op de zesde verdieping. „Als ik deze foto vergelijk met die van mijn ouders en mijn broers in Pastrana dan ben ik toch wel heel blij dat ik naar Madrid ben verhuisd”, zegt Santos. „Als je maar weet dat ik niet meer terugga naar Fuentenovilla”, stelt Esperanza lachend. Santos: „Als we allemaal tevreden zijn dan moeten we zorgen dat het zo blijft. Op Rajoy stemmen dus!”