Het beeld is weg, zegt de eigenaar

Een Chinese advocaat eist een bijzonder beeld terug. De Nederlandse eigenaar zegt: ik heb het niet meer.

Uit een CT-scan bleek dat dit beeld een gemummificeerde monnik bevat. Foto Drents Museum

Door onze cultuurredactie

Ze zullen voorlopig niet samen dineren, de verzamelaar van Chinese kunst Oscar van Overeem en de Chinese advocaat Liu Yang. Oscar van Overeem wil het niet, hij heeft er „schoon genoeg van, het houdt niet op, ik eet even geen Chinees”. Advocaat Liu Yang wil het wel, zegt hij, maar hij is nu een week in Amsterdam en al die tijd lukte het hem niet Van Overeem te ontmoeten.

En dat was wel zijn bedoeling, zegt Liu Yang met hulp van een tolk (hij spreekt geen Engels) in een hotel in de buurt van de Keizersgracht. Zijn advocatenfirma, Beijing Jingxi Law, heeft Van Overeem gedaagd om een door hem midden jaren negentig aangekocht Boeddhabeeld terug te geven aan het dorp Yangchung, waaruit het in 1995 verdween. Het beeld bevat het gemummificeerde overschot van een monnik.

Maar liever dan een rechtszaak wil hij praten, zegt de advocaat, „misschien kunnen we eruit komen, als hij coöperatief is zou dat vele deuren voor hem openen in ons land”. En zo niet? „Dan zullen er vervelende consequenties voor hem zijn.”

Hoe is Oscar van Overeem ook alweer in deze situatie beland?

Dat begon in februari van dit jaar, toen zijn Boeddhabeeld opeens wereldnieuws werd. De CT-scan van het beeld en de erin bewaarde mummie ging viral, nadat het was getoond op een blog. Er verschenen honderden artikelen over, uiteindelijk kwamen enkele daarvan ook terecht bij de inwoners van het Chinese dorp Yangchung.

Zij herkenden het gestolen beeld, met daarin de door hen vereerde mummie van ‘meester Zhanggong’, „een soort Jezus moet u zich voorstellen”, zegt advocaat Liu Yang. Sindsdien bemoeien ambassades, politici (premier Rutte tijdens zijn bezoek aan China), de Chinese State Administration for Cultural Heritage zich met de zaak, en sinds kort dus ook een advocatenfirma.

Oscar van Overeem zei vrijdagmiddag via de telefoon dat China „negen maanden de tijd heeft gehad” om met hem tot overeenstemming te komen, „een tijdlang was ik bereid om mee te werken”. De Nederlandse verzamelaar wilde wel een paar dingen: financiële compensatie, een wetenschappelijk onderzoek naar het Boeddhabeeld (hij denkt dat er verschillende beelden door elkaar worden gehaald) en, de derde eis, „een plek in een fatsoenlijke tempel”. Maar, zegt hij, „er viel niet te praten”.

En trouwens, Van Overeem wíl er nu ook helemaal niet meer over praten. Hij heeft de telefoon opgenomen, maar daar heeft hij spijt van: „Het is allemaal sensatie, jullie bellen nu omdat er een advocaat over is gekomen.” Heeft hijzelf intussen een advocaat ingeschakeld? „Nee, ik stuur wel een keurig briefje terug.” En daar komt dan in te staan dat hij het beeld niet meer heeft. „Het is weg. Ik heb het van de hand gedaan. Niet voor geld, ik heb het geruild.”

Kijkt advocaat Liu Yang daarvan op? Nee, zegt die, „we dachten wel dat hij dat zou zeggen, het is bluf”. De Chinese advocaat zit in het hotel met een stapel papieren en foto’s voor zich, op zijn laptop staan er nog meer. Daarop staat ook de sommatie die deze week bij Oscar van Overeem op de deurmat viel.

Mocht Liu Yang niks van hem horen „dan volgt de rechtszaak na de Kerst”.