Een ganzenbotje om een prinses te veroveren

De vlo stelt zich voor en vertelt de koning dat hij jonkvrouwenbloed in zich heeft en gewend is alléén met mensen om te gaan.

De vlo, de sprinkhaan en de springkikker gingen om het hoogst springen. Iedereen mocht komen kijken en de winnaar zou de dochter van de koning krijgen. Die keek ook. De vlo sprong zo hoog dat niemand hem zág springen en de sprinkhaan sprong de koning in het gezicht. Maar de springkikker landde in de schoot van de prinses. Hij won, zijn kameraden dropen af. De sprinkhaan zong een treurig lied, de vlo trad in vreemde krijgsdienst. „Laat zij maar trouwen met dat ganzenskelet, pik en een speld”.

Zo ongeveer gaat het sprookje De springers van Hans Christian Andersen. Het citaat komt uit een vertaling die Martha van Eeden-van Vloten rond 1900 maakte. Andersen schreef Springfyrene in 1845, achteraf bezien als een soort intermezzo tussen de vreeswekkende ‘rode schoentjes’ en de droevige ‘zwavelstokjes’ – met mooie jonge meisjes wist hij wel raad. Of het leven met een springkikker zo’n pretje was valt ook nog te bezien.

Ganzesprong

Wat wás een springkikker? Daar was jarenlang niet achter te komen. Martha van Eeden gaf niet meer aanwijzingen dan dat de springkikker ‘kikker heet maar gans is’. Willem van Eeden die in 1931 de vertaling maakte die zestig jaar stand hield bood nog minder houvast. Hij noemde de springkikker ‘ganzesprong’ en liet de vlo mompelen: „Laat haar maar trouwen met dat ganzegeraamte met pin en pek.”

De Van Eedens wisten het zelf niet. Corstiaan de Jong, een van de vroegste Andersen-vertalers, wist het al in 1859: een springkikker is ‘een kinderspeelgoed, bestaande uit het schoongemaakte borstbeen eener gans’. Maar dat was iedereen vergeten. Toen verscheen aan het eind van de twintigste eeuw Annelies van Hees die de springkikker ‘springgans’ noemde en voor het eerst uitlegde hoe hij werkte. Het negentiende-eeuwse speelgoed was alleen bekend in Denemarken, Zweden en Estland, schreef ze.

Dat laatste is niet waar, zegt de Deense Andersen-expert Solveig Brunholm. De Springgåse werd in Engeland een skip-jack of jump-jack genoemd en in Duitsland een Springgans. Met deze zoektermen zijn bij Google Books gedetailleerde beschrijvingen en illustraties te vinden die teruggaan tot 1790. Misschien kwam de springgans wel in heel Europa voor.

Het in elkaar zetten van springganzen en skip-jacks was een karweitje voor de donkere dagen rond Kerst en Oudjaar. Dan kwam er immers gebraden gans op tafel en als die aan het eind van de avond op was lagen daar de afgekloven botten waarmee nog van alles te doen was. Twee botten waren favoriet: het borstbeen (sternum) en het vorkbeen (furcula). Aan het borstbeen, met zijn wisselende patroon van donkere en lichte vlekken, van spierresten en geronnen bloed, kon je zien hoe streng de winter zou worden. Hoe meer wit hoe meer sneeuw. Dat staat ook in het sprookje: de springgans verstond de kunst van het voorspellen, aan zijn rug (of ‘aan zijne beentjes’) kon je zien of er een zachte of strenge winter zou komen, terwijl je dat niet eens kon zien aan de rug van de man die de almanak schreef.

Schoenmakerspek

Wie goed kijkt ziet de springgans hier op het plaatje tussen de vlo en de sprinkhaan staan. In een oudere prent van Hans Tegner (1853-1932) is het ganzenborstbeen realistischer getekend. Wat de hoge rug van het figuurtje lijkt is in feite de kam (crista) van het sternum. De punt bovenaan is de apex. Tegenover de apex eindigt het borstbeen in twee uitlopers waartussen een stevig gevlochten (of dubbelgeslagen) touw werd gespannen. (Misschien werkt een postbode-elastiek ook goed.) Met het stokje dat de springgans van het plaatje nog in zijn handen heeft werden torsie en spanning van het koord verder opgevoerd. Je stak het houtje tussen de tieren van het touw en wond het steeds verder op. Stond het koord genoeg onder spanning dan werd het uiteinde van het stokje in een bolletje was gedrukt dat vooraf bovenin het borstbeen was aangebracht. De literatuur schrijft handwarmgemaakte cobbler’s wax voor: schoenmakers-pek. De truc is dat die het stokje op den duur weerlos laat. Dan springt de springgans.

Moest het per se het borstbeen van een gans zijn? Nee, zegt Brunholm. „Het lukt met het borstbeen van elke vogel, ook een eend of kalkoen.” Toch is dat nog maar de vraag want uit de oude literatuur blijkt dat er flink wat spanning op het koord van een springgans werd gezet („as tight and as strong as the stick and string in my skip-jack”). De nauwelijks verbeende beentjes van de moderne industriekip kunnen dat niet aan.

Heel vreemd is dat de skip-jacks die Engelse jongensboeken uit het begin van de negentiende eeuw tonen niet een sternum maar een furcula laten zien: een vorkbeen. Dit V-vormige beentje, ook wel wensbeen genoemd, staat juist bekend om het gemak waarmee het breekt. Verliefde of verloofde stelletjes pakken de uiteinden van het vorkbeen beet en trekken het uit elkaar tot het breekt. Wie het langste eind over houdt doet – in stilte – een wens in de romantische sfeer. Daarna mag er gewerkt worden aan vervulling van die wens. Zo kwam het beentje aan de naam merrythought. Het staat wel vast dat van zo’n lullig beentje geen springgans is te maken waarmee je een prinses binnenhaalt.