De vele registers van het etnolect: ‘Todziens, ik ga naar de meisje’

Als een Turks kassameisje vraagt ‘Wilt u de bonnetje?’ zijn er twee mogelijkheden. Ze spreekt gebrekkig Nederlands. Of ze spreekt een etnolect. Dat is een etnische variant van het Nederlands waarin het, binnen haar etnische groep, algemeen aanvaard is dat je ‘de bonnetje’ zegt, en misschien ook dingen als ‘die feest’, ‘die meisje’ en ‘Ik ben erg trots op’.

Het boekje Wijdvertakte wortels: Over etnolectisch Nederlands gaat over zulk taalgebruik. Frans Hinskens, hoogleraar Taalvariatie en taalverandering (VU, Meertens Instituut), heeft het geschreven en het verschijnt volgende week, vlak voor Kerst. Hinskens richt zich in het boekje tot een breed publiek.

Dankzij films, tv en popmuziek zijn we bekend met een aantal markante etnolecten uit het buitenland: zwart Amerikaans, Italiaans-Amerikaans, het Frans uit de banlieues van Parijs. Binnenlandse voorbeelden zijn er ook: we hebben het Surinaams-Nederlands en vroeger hadden we het Indonesisch-Nederlands en het Joods-Nederlands. Op al die varianten wordt in dit boekje ingegaan. Vooral het Joods-Amsterdams uit de vorige eeuwen krijgt volop aandacht. De sprekers van dat etnolect zeiden ‘ebben’ (hebben), en ‘andel’ (handel) ‘zijver’ (cijfer) en ‘sjchoonfader’, en dingen als ‘Ik sta zo bang voor jou te wezen’.

De centrale vraag is natuurlijk: zou iets vergelijkbaars zich nu ook voordoen onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders die tweetalig zijn opgegroeid? Dat is door Hinskens en de zijnen onderzocht en de resultaten worden in het laatste hoofdstuk van zijn boek uit de doeken gedaan.

De onderzoekers namen een heleboel gesprekken op tussen Marokkaanse en Turkse jongens onderling en tussen die jongens en autochtone jongens. Er werden verschillen gevonden. Zoals: Marokkaanse jongens en ook een aantal Turkse jongens spraken de ‘z’ veel scherper uit dan in Nederland gebruikelijk is. Ze maakten die ‘z’ ook langer en ze zeiden ‘todziens’ in plaats van ‘totsiens’. Opmerkelijk was dat ze dat onder elkaar sterker deden dan wanneer ze met autochtone jongens spraken.

Volgens Hinskens wijst dat erop dat hun etnolect een ‘register’ of ‘spreekstijl’ is. Iedere Nederlander beschikt binnen zijn taalgebruik over verschillende registers. In de ene situatie zeg je ‘Ik zou het hartstikke tof vinden als je...’, in een andere situatie is het ‘Ik zou het zeer op prijs stellen als u ...’ . En een spreker van het Brabants kan variëren tussen ‘Hedde geld bij?’ en ‘Heb je geld bij je?’.

Etnolecten zijn dus ook vaak van die registers. De typische eigenschappen ervan worden binnen de groep meer gebruikt en sterker aangezet dan buiten de groep.

Toen Obama door een Amerikaanse ooit „light-skinned” werd genoemd, en „with no Negro dialect, unless he wants to have one”, kreeg de senator iedereen over zich heen. Maar die constatering, dat Obama over meerdere registers beschikt waaronder een etnisch gekleurd register, was zo gek nog niet.

Dat sommige Turkse jongens zich ook van een lange, scherpe ‘z’ bedienen is merkwaardig, want die uitspraak is overduidelijk geïnspireerd op hoe een ‘z’ in de Marokkaanse talen (Berbers en Arabisch) wordt uitgesproken. Blijkbaar hebben de Turkse jongens dat van Marokkaanse leeftijdgenoten overgenomen.

Wereldwijd zie je dat vaker gebeuren, merkt Hinskens op. Zo proberen Amerikaanse jongeren met een Aziatische achtergrond zich bijvoorbeeld soms van de blanke meerderheid af te zetten door op een ‘zwarte’ manier te praten.