Dé opgave van 2016: werk voor vluchtelingen

Het klinkt zo makkelijk: vluchtelingen die hier met recht en reden zijn, moeten zo snel mogelijk aan het werk. Want dat zorgt ervoor dat ze onderdeel worden van onze maatschappij. Integratie begint immers met werk. Minister Asscher (PvdA) vindt het, wethouders als Kajsa Ollongren (D66) van Amsterdam vinden het en wetenschappers die eerdere immigratiepieken onderzochten vinden het.

Laat ze werken. Vacatures genoeg. ICT’ers, verplegers, we hebben ze nodig! Bedrijven hebben al aangegeven geïnteresseerd te zijn. Hup, aan de slag.

De praktijk blijkt ontzettend moeilijk. Onderzoekers van onder andere de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid zetten de ontnuchterende cijfers deze week nog maar eens op een rijtje. Hoeveel mensen van de vorige immigratiepiek (tijdens de jaren negentig) vonden werk? Na vijftien jaar had slechts eenderde een baan van meer dan 30 uur per week. De verschillen tussen de migrantengroepen van destijds zijn groot. Mensen uit voormalig Joegoslavië vonden vaker werk (65 procent een baan van 8 uur of meer) dan mensen uit Somalië (43 procent). Irakezen, Iraniërs en Afghanen zaten er tussenin.

Waar gaat het mis? Allereerst moeten we erkennen dat de afstand tot de arbeidsmarkt in de regel groot is. Er zijn tal van hordes. De asielprocedure duurt lang. Gedurende die tijd mogen asielzoekers niet of nauwelijks werken. De taal is een probleem: die moet nog worden geleerd. Diploma’s sluiten niet aan. Velen zijn laagopgeleid. Er zijn soms trauma’s en psychische problemen, schrijven de onderzoekers. Vluchtelingen hebben niet de sociale netwerken die Nederlanders wel hebben en die helpen bij het vinden van een baan.

De overheid heeft bovendien de neiging eerst al het andere te willen organiseren voordat er wordt gedacht aan werk, schrijven de onderzoekers. Eerst de status, dan een woning, dan inburgeren, dan de taal leren en dan pas werk. Dan zijn we zo jaren verder.

En met werk geldt voor iedereen: hoe langer je niet werkt, hoe groter de afstand tot de arbeidsmarkt. Je verliest vaardigheden en werkgevers zien het als een negatief signaal. Bovendien is, gezien hun vaardigheden, de kans groot dat vluchtelingen in een gemeente worden geplaatst waar geschikt werk moeilijk te vinden is.

Dat kan anders. Richt je eerder op werk. Inventariseer al in de asielzoekerscentra de vaardigheden van mogelijke statushouders. Bied direct taalcursussen. Plaats erkende vluchtelingen in gemeenten waar ze de grootste kans maken op werk. Wijs zo snel mogelijk op aanvullende opleidingen. Kortom: werk vinden is het hoofddoel.

Minister Asscher erkent dit allemaal. Eind november schreef hij aan de Tweede Kamer: „Bij eerdere groepen stonden geschikte huisvesting en inkomensvoorziening voorop. Dat leidde tot lagere deelname aan de arbeidsmarkt.” Asscher heeft nu met gemeenten de Taskforce Werk en Integratie Vluchtelingen opgericht. „Werk voorop.” Maar op dit moment werken veel gemeenten nog steeds zoals voorheen, duurt de asielprocedure lang en mag werken en de taal leren maar in beperkte mate.

Zonde, want het zou wel eens moeilijker kunnen zijn dan in de jaren negentig: de economie stond er toen beter voor. Het gevaar is nu dat in de zoektocht naar draagvlak voor de opname van vluchtelingen sprookjes worden verkocht over de snelle inzetbaarheid (en hoge opleiding) van vluchtelingen. Zo heeft Asscher (PvdA) het over „de apotheker uit Aleppo”. Of dat in de zoektocht naar draagvlak strenge soberheid wordt gekozen en met de integratie pas na vele jaren begonnen wordt. Dat is de lijn van de VVD. Beide onderschatten de inspanning die van beide kanten nodig is en zijn een voorbode van nieuwe teleurstellingen.