Column

Buik

De week van het eten is weer begonnen. Jozef en Maria hadden in de stal in Bethlehem waarschijnlijk alleen beschikking over wat minimalistische Midden-Oosterse hapjes zoals hummus en baba ganoush, maar dat betekent niet dat wij op een houtje zouden moeten bijten.

Nu houd ik erg van eten, maar ik snap niet waarom de meeste woorden die ‘eten’ betekenen, zo vies moeten klinken. Smikkelen! Bah. Schransen: je ziet meteen van die Bruegel-taferelen voor je, met honden die weggeworpen karkassen aan het afkluiven zijn. Afkluiven, ook zo’n woord. Bikken, schrokken, verorberen, bunkeren: fraai is het allemaal niet. En ook de ‘nettere’ woorden zoals tafelen klinken op z’n best flets. ‘Dineren’ klinkt als een opkomende hoofdpijn.

Eigenlijk is alleen ‘eten’ een goed woord om ‘eten’ uit te drukken.

Na het eten komt het verwerken van het eten. Dan valt vaak een woord dat ik zou willen nomineren voor een zeer hoge plek op de viezewoordenlijst: uitbuiken. Als ik ‘uitbuiken’ hoor, dan zie ik meteen een dikke Duitser (sorry, Duitsers, ik weet dat dit een vervelend cliché is) op het strand (nogmaals sorry). Uitbuiken klinkt ook als een eindstation. Alsof er nooit meer ingebuikt wordt.

Het is allemaal heel vies; toch worden er nog uitdrukkingen omheen verzonnen die het vieze nog viezer maken. „Even de broek op de vleeshaak zetten.” Gad. Ver.

Dus: lekker eten, niet te veel over praten.