Boosheid zit niet in me

Elco Brinkman Vanuit de senaat maakte hij van het CDA weer een partij waarmee zaken te doen valt voor het kabinet.

Foto NRC / Bastiaan Heus.

Vroeger kon je Elco Brinkman gerust een workaholic noemen. Hij deed negentig, honderd uur per week. Ieder moment van de dag vol gepland. Het hele land doorjakkeren in de auto. „En dan tussen Nijmegen en Oss nog snel even iemand bellen.”  

Dat is verleden tijd. Tegenwoordig werkt Elco Brinkman, 67 jaar oud, nog „een uurtje of 40. Of minder.” Soms heeft hij, voormalig koning van de bijbanen, wel een hele dag geen zakelijke afspraken meer in de agenda. Dan gaat hij in het zonnetje een biografie lezen, probeert hij het pianospelen te hervatten („met de nadruk op proberen”), of werkt hij het familiearchief bij.

Iedere dinsdag is Brinkman in alle vroegte te vinden in de Eerste Kamer. Het voorzitterschap van de CDA-fractie is een van de negen nevenfuncties die hij nog wél heeft – daarover later meer. We spreken elkaar vijf keer in de loop van dit jaar, voornamelijk in de Eerste Kamer. In de chambre de réflexion oogt Brinkman volledig op zijn plek: prettige omgangsvormen, tijd voor bespiegeling, en toch midden op het Binnenhof – de plek die hem in zijn carrière nooit los heeft gelaten.  

Vanuit de senaat speelde Brinkman dit jaar een beslissende rol in een proces dat zich tamelijk geruisloos heeft voltrokken: de terugkeer van het CDA als gouvernementeel ingestelde partij. Na drie jaar ‘echte’ oppositie, waarin het CDA onkarakteristiek hard te hoop liep tegen Rutte II, is het weer een partij geworden waarmee je zaken kunt doen. De ‘verantwoordelijkheidsvakantie’– de pesterige oneliner komt van premier Rutte – is voorbij. 

Beslissend was een bezoek dat Brinkman op 18 juni dit jaar bracht aan CDA-leider Sybrand van Haersma Buma. De dag ervoor had het kabinet aangekondigd de belastingen in 2016 voor maar liefst 5 miljard euro te willen verlagen. De vraag aan de oppositie: wie van jullie geeft steun? Het verhaal is bekend: geen meerderheid voor de coalitie in de senaat, dus bedelen bij andere partijen.

Overleg met Buma heeft Brinkman bijna wekelijks, meestal op de werkkamer van de partijleider. Maar die junidag was het tijd om zaken te doen. Brinkman, vergezeld door drie collega-senatoren, zette Buma voor het blok. „We hebben toen gezegd: wij als Eerste Kamerfractie vinden dat we vóór moeten stemmen. Die lastenverlaging is helemaal in lijn met wat het CDA de afgelopen jaren gezegd heeft.”

Ach, Buma neigde zelf toch al naar voorstemmen, zeggen ze bij de Tweede Kamerfractie. Maar als de CDA-leider nog twijfels had, was daarvoor vanaf toen geen ruimte meer: zijn senaatsfractie stemde hoe dan ook voor. Zonder harde eisen vooraf, want de Eerste Kamer zegt alleen ja of nee.

Instant samenleving

In april spreken we elkaar op een oude, versleten bank in de gang van de Eerste Kamer. Een paar weken eerder heeft het CDA een heel aardig resultaat geboekt bij de Provinciale Statenverkiezingen. Grootste partij in vier provincies. Tweede partij in de Eerste Kamer, met één zetel winst. Niet veel later zal blijken dat het CDA zich in elf van de twaalf provinciebesturen heeft weten te nestelen. Niet slecht voor een partij die drie jaar geleden nog op een historisch dieptepunt stond.

Brinkman toont zich tevreden. „We waren afgeschreven, maar blijken een consistente factor.” Al wil hij na enig aandringen wel toegeven dat de ‘goede’ uitslag relatief is. In de Tweede Kamer zou het CDA nu uitkomen op 22 à 23 zetels – nog niet eens de helft van het aantal uit de jaren van Lubbers en Balkenende. Lachje: „Het gaat erom die uitslag zo gunstig mogelijk voor te stellen. Dus doe ik dat.”

De campagne vond hij niet zo’n succes, zegt Brinkman. „Het draaide alleen maar om: Ben je voor of tegen dit kabinet?” Dat zelfs senatoren hun politieke punt in één minuut moesten scoren, is hem „danig tegengevallen”. „Het is de versimpeling. We leven in een instant samenleving. Ben ik dan een oude man? Misschien. Maar iedereen die geeft om het algemeen belang weet: zo kun je het land niet regeren.”

Elco Brinkman ziet de Eerste Kamer als een tweede kans. Ooit verliet hij de Haagse politiek als Grote Verliezer. In 1994 zou hij de nieuwe premier van Nederland worden, als opvolger van Ruud Lubbers. Het liep uit op een koningsdrama: in de campagne liet Lubbers zijn voormalige protegé keihard vallen. Bij de verkiezingen leed het CDA een verlies van twintig zetels en belandde voor het eerst in haar bestaan in de oppositie. Brinkman moest vertrekken.

Na meer dan anderhalf decennium als invloedrijk bestuurder en toezichthouder keerde hij terug aan het Binnenhof, als senator. Dat voelt als eerherstel. „Ik wil weer met opgeheven hoofd door Den Haag kunnen lopen. En die kans is me gegeven.”

Wat hij leerde van het debacle van 1994: laat je niet te snel kennen. Brinkman, van nature een openhartige man, is onpeilbaarder geworden, zegt zijn omgeving. Zijn lange, onnavolgbare zinnen zijn nóg langer en en onnavolgbaarder geworden. Zelf spreekt hij liever van „afwachtend” als het gaat om zijn stijl van politiek bedrijven. „Ik loop niet meer in zeven sloten tegelijk door te snel conclusies te trekken. Vroeger zei ik als voorzitter meestal na een kwartier: dit is het ongeveer, laten we het zo doen. Maar dan sla je de discussie dood.”

Eén andere les van ‘1994’: „Eenheid in de partij is heilig”. En dus volgt hij over het algemeen trouw de lijn van politiek leider Buma, net als hij een burgemeesterszoon van protestantsen huize. „Als CDA moeten we stabiliteit en degelijkheid uitstralen. De voorlieden moeten dezelfde boodschap uitdragen.”

En toch is er een onderwerp waarover de burgemeesterszonen van mening verschillen. Buma wilde de afgelopen jaren alleen publiekelijk onderhandelen met het kabinet. Het dramatische zetelverlies van het CDA was in zijn analyse grotendeels te danken aan de vele vage compromissen in de tijd als regeringspartij. Handen vrijhouden in de oppositie dus.

Brinkman acht zich „niet echt gebonden” aan dat achterkamertjesverbod, vertelt hij. Net als Buma vindt hij dat „quasi-meeregeren” leidt tot „achterdocht bij de burgerij”. Maar práten met de coalitie kan altijd – en dat doet hij dan ook. Als voormalig minister, werkgeverslobbyist en toezichthouder ís Brinkman de polder. En dus weet hij: een politieke deal sluit je achter gesloten deuren. „Publiekelijk onderhandelen, dat wordt brokken maken.”

Laserogen

Tijdens de eerste poot van zijn politieke carrière, in de jaren tachtig en negentig, had Brinkman een hard, conservatief imago. De ‘man met de laserogen’ noemden ze hem, vanwege zijn priemende blik. Maar wie nu met Brinkman spreekt, treft een milde, vriendelijke man die houdt van een kwinkslag. Zijn e-mails zijn speels en opgewekt. Zijn stem is wat rasperig geworden – gevolg van de vele bestralingen aan zijn keel en neus die hij onderging toen hij werd getroffen door non-Hodgkin, een vorm van kanker.

Collega-senatoren – binnen en buiten het CDA – praten met affectie over hem. Ze prijzen zijn zelfrelativering en losse manier van leidinggeven. Soms is de lof zó uitbundig dat je het gevoel krijgt dat zijn collega’s hem ongevaarlijk vinden.

Dat Brinkman vaak abracadabra spreekt, wordt hem vergeven. Zijn fractiegenoten zijn al lang geleden gestopt zijn inbreng in debatten te redigeren, vertellen ze gniffelend: Elco spreekt als Elco, daar verander je niets meer aan. Brinkman moet lachen als hij dat hoort: „Ik probeer wel precies te zijn in mijn formuleringen. Maar het is waar dat ik lang en ingewikkeld spreek. Ik houd nu eenmaal niet van oneliners.”

Wat niet is veranderd, is zijn conservatieve inborst. Sterker nog, die lijkt alleen maar gegroeid. Dat blijkt tijdens ons tweede gesprek, eind juni, in een wat muffig torenkamertje van de Eerste Kamer („ik vind het wel sjiek hier”). Enkele dagen eerder heeft werkgeversvoorzitter Hans de Boer een storm van kritiek over zich afgeroepen door bijstandsgerechtigden in een interview uit te maken voor „labbekakken”. Respectloos, bot, oliedom – zo luidt het gemiddelde oordeel aan het Binnenhof.

Brinkman vindt al die kritiek op De Boer overdreven, zegt hij in het torenkamertje. „Natuurlijk had hij beter moeten nadenken over zijn woorden. Maar je moet ook niet doen alsof er niets aan de hand is.” De kwalificaties van De Boer, hoe ongelikt ook, appelleren aan de diepste overtuiging van de calvinist Brinkman: je moet de handen uit de mouwen steken, werken voor je geld. En precies daar zit een probleem bij veel jonge Nederlanders, vindt hij. „Jongeren vinden het vanzelfsprekend dat ze die extra vrije dag krijgen of die extra subsidie. Die vanzelfsprekendheid, daar moeten we vanaf.”

Later, tijdens een gesprek bij hem thuis in Leiden, komt hij erop terug. „Nu ik wat vaker thuis ben, valt me iets op. Hier voor de deur hangen jongeren bij nacht en ontij op straat en in het park. Ik kan me niet voorstellen dat ze dat voor hun lol doen. Dan denk ik: er is nog wel wat werk, toch?” Brinkman begint over het Amsterdamse Bos, dat in de jaren dertig werd aangelegd door steuntrekkers. En over de veenkoloniën in Drenthe, waar landlopers naartoe werden gestuurd. „Je moet het die jongeren niet te makkelijk maken. Ik heb ooit gezegd: uitkeringen omlaag, pensioenen omhoog – dat valt te rechtvaardigen. Toen viel iedereen over me heen.”

Brinkman en zijn vrouw wonen in een statig herenhuis aan de oude vestingwal van Leiden. In de garderobe hangen geweien aan de muur, van zijn jagende zoon. In de gelambriseerde bibliotheek liggen overal stapels boeken, veel biografieën en kunstcatalogi. De wc hangt vol met ingelijste krantencartoons over Brinkman zelf, lang niet allemaal vleiend.

Er is nog een probleem met Nederland, analyseert Brinkman vanuit een fauteuil in zijn bibliotheek: onze risico-aversie. Hij vertelt over zijn jeugd, begin jaren zestig, toen hij in Dordrecht het gymnasium bezocht. „Daar was het regelmatig hoogwater. Dan was het heel normaal dat je met je voeten in het water stond. De muren waren betegeld, de kaplaarzen stonden klaar in de winkel. Je haalde het niet in je hoofd te eisen dat de overheid zou opdraaien voor jouw natte worstjes of natte kleedjes. Dat was jóuw risico. Maar dat accepteren we niet meer. We willen een absolute garantie dat er niets misgaat. En dat geeft stress.”

Elco Brinkman (CDA) tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in de Eerste Kamer. Foto ANP / Martijn Beekman.

Zuiverheidscultuur

Eind november treffen we elkaar in een Haags café. Brinkman vertelt dat hij slechts twee keer in zijn leven publiekelijk boos is geweest, de laatste keer meer dan twintig jaar geleden. „Boosheid zit niet in me. Van jongs af aan heb ik een bemiddelende rol gespeeld: als klassenoudste, als voorzitter van het schoolclubbestuur.” 

Toch zijn er wel zaken waarover hij zich opwindt. Neem de „zuiverheidscultuur” die volgens hem is ontstaan in de Eerste Kamer. „Je moet elk gesprek met lobbyisten melden. Bij debatten mag je niet het woord voeren over onderwerpen waarin je bestuursfuncties bekleedt. Allemaal om maar de indruk van beïnvloeding te voorkomen.” Dat is schadelijk voor de maatschappij, zegt Brinkman, want zo werkt Nederland nou eenmaal niet. „Je krijgt een nog grotere scheiding tussen de grote mensenwereld en de politiek. Er is steeds meer angst om nevenfuncties aan te nemen. Het duurt tegenwoordig eindeloos voordat je een toezichthouder hebt gevonden.”

Brinkman neemt het op voor Loek Hermans. De VVD-fractieleider in de senaat, al net zo’n veelbestuurder als hijzelf, heeft enkele weken eerder de politiek verlaten. Hij kon niet aanblijven nadat de rechter een vernietigend oordeel had geveld over zijn rol als toezichthouder bij de ingestorte thuiszorgmoloch Meavita.

Zijn liberale collega, zegt Brinkman, is het „slachtoffer” geworden van „een politiek-emotionele sfeer” die is ontstaan rondom de thuiszorg. Waarom moest hij anders aftreden als politicus voor fouten die hij niet in de Eerste Kamer had gemaakt? Hardop zeggen dat Hermans bewust kapot is gemaakt, wil Brinkman niet. Maar: „Als je, zoals Loek, in het hart van het politieke proces opereert, is de kans groter dat je dit overkomt. Het gaat om de maat van de buit. Het had mij ook kunnen overkomen.”

Over uiterlijk anderhalf jaar zijn er Tweede Kamerverkiezingen. Het CDA zou zomaar weer eens de grootste partij kunnen worden, denkt Brinkman. „Er hangt verandering in de lucht. Je ziet dat de tijdgeest van ‘opzij, hier kom ik’ aan het wijken is. Het wij-gevoel komt terug, we gaan weer in de richting van traditie en degelijkheid. Het leven is al ingewikkeld genoeg.” De partij die dat gevoel het beste verwoordt, zegt Brinkman, heeft de beste kansen. En laat dat nou net het CDA zijn.